Hugo Dufour

In het kader van het project Een vrijzinnig-humanistisch cultureel erfgoedforum voor Vlaanderen (2012-2015) interviewde CAVA Hugo Dufour op 28/01/2015. Hieronder kan je acht fragmenten uit dit interview beluisteren en/of lezen:

Vrijwilligers transcribeerden de audiofragmenten die gemaakt werden tijdens deze verhalenavond. Onder elk audiofragment kan u de uitgetypte tekst terugvinden. Het zijn telkens woordelijke transcripties, geen letterlijke.

Audiofragment 1: familie, opleiding en engagementen

Hugo Dufour: Ik kom uit een huisgezin van negen kinderen. Ik weet dat mijn moeder vaker in verwachting is geweest, maar dat de zwangerschap halverwege afgebroken was, dus... maar in ieder geval zijn er negen kinderen in mijn huisgezin.

Mijn ouders komen eigenlijk van West-Vlaanderen. Mijn vader was seizoenarbeider in West-Vlaanderen en werkte als seizoenarbeider in Frankrijk. Tijdens de bietenoogst vormde hij een ploegje in Ingelmunster en ging vandaaruit met die ploeg naar Frankrijk. Daar verdiende hij gedurende een paar weken zijn geld verdiende en voor de rest van het jaar met de duimen speelde.

Mijn moeder van de andere kant, was de dochter van een heel vooraanstaande syndicalist, Robert Bultynck. Dat was ook de eerste verkozene in West-Vlaanderen van de provincie, voor de socialisten. Hij was de vakbondsman van de textielcentrale en van de schoenencentrale die daar toen zeer machtig waren in het West-Vlaamse, omdat daar heel wat industrie was. Achille van Acker was een kleine man toen, die kwam regelmatig thuis bij mijn grootvader en op een bepaald ogenblik – vlak voor de Eerste of Tweede; ik weet het niet meer, ik ben het even kwijt, maar ik denk dat het voor de Tweede Wereldoorlog geweest moet zijn – voor de oorlog hadden de arbeiders een loonsverhoging afgedwongen van een paar centiemen in de textielcentrale en in de schoenencentrale. De baas, die nogal coöpereerde met de Duitsers en zo mocht verder werken, weigerde dat toe te staan. Mijn grootvader is dan naar die baas geweest en heeft gezegd: "Luister, gij gaat dat betalen of wij leggen hier de fabrieken plat." En iemand heeft dan tegen mijn grootvader gezegd: "Ik vind u nog wel, manneke." Vier dagen later zijn ze mijn grootvader komen opladen en hebben ze die weggebracht naar Duitsland en daar hebben ze nooit meer iets van gehoord. Dat was zo de toestand van mijn moeder: die was daar dus ingerold, in die politiek, en zij hielp dan wel veel en Achille van Acker kwam veel bij hen thuis.

Maar mijn vader, omdat hij geen vast werk had, was niet welkom in dat gezin, en hij mocht niet met mijn moeder vrijen. Mijn vader, met zijn kwaaie kop, springt op zijn fiets, komt naar Limburg en gaat in de mijn in Eisden werken en belandt in Lanklaar. Hij gaat daar een tweetal jaren werken in de mijn en dan komt hij terug om mijn moeder te halen. Hij kocht een fiets, en dan zijn zij met de fiets van Ingelmunster naar Lanklaar gekomen, hier getrouwd en dan ben ik geboren in Lanklaar.

Na de oorlog wilde men hier in Limburg een mutualiteit oprichten, mutualiteit De VoorZorg. Vanuit Brussel wist men dat mijn moeder hier beland was in Lanklaar en dat zij toch wel wat verstand had van politiek en van mutualiteit, enz. Zij kwamen dan mijn vader, die nog altijd in de mijn werkte, aanspreken over mijn moeder en vragen dus in Eisden een mutualiteit op te richten: De VoorZorg. Hij doet dat, tegen zijn goesting, want hij had maar lagere school gedaan. Hij kreeg bonnen – kolenbonnen en rantsoeneringsbonnen – van op de mijn. Ze werden daar goed verzorgd en wij profiteerden daar thuis ook van. En hij moest dat bestaan dus opgeven voor een nieuw bestaan ergens in de mutualiteit. De mutualiteit werd dus ingericht bij ons thuis: de voorste, beste kamer, werd ingericht als loket en de mensen kwamen... En vermits hij ook veel mensen kende uit de mijn, en dat was zo, je kon je mutualiteit veranderen als je je werkbon had. Om de drie maanden kreeg je een bon en vanuit die bon, als hij die bon had, had hij er een lid bij. Dus hij ging regelmatig, als hij wist dat er bonnen uitgedeeld werden, aan de mijn staan en dan zei hij: "Geef mij die bon maar, geef mij die bon maar." Zo heeft hij heel wat leden gemaakt in die mutualiteit.

Wij waren vrij katholiek: wij gingen naar de kerk, ik heb mijn eerste communie gedaan en mijn zus moest op een bepaald ogenblik haar plechtige communie doen en daarvoor moest zij een aantal catecheselessen of ik weet niet wat volgen. Toen mijn vader in die mutualiteit in Eisden werkte, riep de pastoor op de preekstoel, tijdens de zondagsmis, dat er duivels in de kerk zaten en dat er dus socialisten waren en dat dat niet kon. Mijn vader werd dan kwaad, de kerk werd buitengesmeten en mijn vader werd antiklerikaal. Ik ben dan daar, antiklerikaal, geen godsdienst meer gaan volgen in de lagere scholen. Want hoewel alle lagere scholen in Limburg gemeentescholen waren, waren het allemaal verkapte katholieke scholen. Daar was in die lessen geen sprake van andere levensbeschouwingen. Wat moest ik dus doen? Voordat de godsdienstlessen begonnen, moest ik buiten in de gang gaan staan? Pas als de lessen voorbij waren, mocht ik terug binnen.

En dan krijgen we het Schoolpact in 1958, waar de lessen zedenleer dan erkend geraken. Toen heb ik voor de eerste keer echt gestructureerd zedenleer gekregen in het atheneum in Eisden. Dat bestond uit leerkrachten die niet opgeleid waren. Er was een leraar die een beetje socialistisch was en de directeur zei: "Ja, maar dan moogt gij zedenleer geven." De eerste lessen zedenleer gingen over Zuid-Afrika, de discriminatie, rassendiscriminatie, rassensegregatie,... moeilijke woorden. Ik heb ook nog les gekregen over hoe ik mijn nagels moest verzorgen, hoe ik mijn tanden het beste kon poetsen, enz. Dus hygiëne, dat verstond men toen onder een stuk ‘moraal'. Maar geleidelijk aan evolueert dat dan beter – en nu ga ik naar de vrijzinnigheid toen – en krijg ik dus les in mijn klas. Ik was altijd alleen in de klas; mijn broers en zusters – dat waren er vier of vijf op dat moment – volgden ook zedenleer, maar in de familiale afdeling. Ik heb daar praktisch altijd alleen gezeten. Dat waren twee uren per week, maar dat was geen voldoende opdracht voor een leerkracht, omdat er veel te weinig leerlingen zedenleer waren.

Dan trouw ik, ik kom in Hasselt studeren aan de rijksnormaalschool, waar ik dan een opleiding regent fysica, wiskunde en economie gevolgd heb – en ook zedenleer gevolgd heb. Ik leer mijn vrouw dan kennen en wij huwen in 1965 – want dit jaar ben ik vijftig jaar officieel gehuwd – en komen wij ons in Hasselt vestigen. Ik heb dan die normaalschool afgedaan en ben dan zedeleer gaan geven in Waterschei, in Stokkem, in Dilsen, in Neerpelt, in Overpelt. Halve opdrachten zedenleer kreeg ik als onderwijzer en moest ik daar gaan geven. Ik verdiende 4500 BF per maand en ik moest 5000 BF uitgeven om les te kunnen geven aan verplaatsingskosten en al wat daarbij kwam.

Dus ik ben dat een tijdje blijven doen, tot ik Schlusmans tegenkwam, maar die had mij al gevraagd toen ik uitkwam in de normaalschool: "Wilt ge bij mij geen les komen geven in de oefenschool, in de middelbare oefenschool?" De oefenschool diende voor de opleiding van de regenten en hij zei: "Wilt ge nog naar mijn school komen?" Ik had dat eerst geweigerd, want ik had daar ook wat oefenlessen gegeven en dat was zo raar: rare school, rare gasten. Ik moest daar niet veel van hebben, maar daarna – toen ik dus maar 4500 BF verdiende en 5000 BF moest uitgeven – heb ik mij toch bedacht en ben ik toch naar zijn normaalschool gegaan. Ik heb daar dan wiskunde en zedenleer gegeven en ik ben daar tot aan mijn pensioen dan ook zedenleer – en op het laatste vooral wiskunde en fysica blijven geven op die school. Op mijn 58ste ben ik uit het onderwijs gestapt: ik heb mij vervroegd laten pensioneren. Dat kon toen nog, want wij hadden daar toen een bijzonder statuut. Dus ben ik gestopt en ondertussen ben ik in Hasselt actief geworden.

Ik was daar al actief tijdens mijn tijd in de normaalschool, maar toen was het Humanistisch Verbond in Hasselt opgericht met Herman Lievens en Fernand Bronders. Ik ging wel regelmatig: na de school bleef ik dan in Hasselt en ging dan naar die voordrachten die er toen waren in de jaren 1960. Daarna ben ik dan in 1963-1964 ook lid geworden van het Humanistisch Verbond, ben ik heel snel bestuurslid geworden in Hasselt en heb ik ook mee aan de kar getrokken voor het Humanistisch Verbond. Later ben ik overgegaan naar HVV en heb ik samen met Jos Colémont ook mee de Feesten Vrijzinnige Jeugd proberen gestalte te geven, wat ons aardig lukte. We zijn toch al een 48 jaar bezig met Feesten Vrijzinnige Jeugd in Hasselt. Daarna is dat uitgedijd over gans Limburg, want nu zijn er dus op zeven à acht plaatsen in Limburg Feesten van de Vrijzinnige Jeugd. Het Humanistisch Verbond is dan opgegaan naar HVV en ondertussen zijn er ook decentralisaties in Sint-Truiden, Tongeren, enz. Er zijn nu op vele plaatsen in Limburg ook al humanistische vrijzinnige verenigingen. Ik ben ook actief in het Vermeylenfonds, omdat ik vond dat – ik heb dat twee keer opgericht – wij als vrijzinnigen ook maatschappelijke betrokkenheid moesten hebben. Ik was bovendien van socialistische huize en vanuit dat socialisme vond ik dat ik in die vrijzinnigheid onvoldoende aan mijn trekken kwam. Dan heb ik mee het Vermeylenfonds opgericht, dat de nadruk legde op vrijzinnigheid – Vlaams maar ook socialistisch. Ik ben daar nog altijd bestuurslid van en ik kom daar goed aan mijn trekken: ik kan mijn vrijzinnigheid daar op een maatschappelijk betrokken manier in kwijt.

Ik heb ook nog in de politiek gezeten: ik ben nog gemeenteraadslid geweest in Hasselt en ik ben nationaal voorzitter geweest van de Jongsocialisten. Ik heb Luc Vandenbossche opgevolgd als voorzitter – ik denk in de jaren 1978-1979 – en dan heeft Willy Claes mij gevraagd of ik niet wilde deelnemen op congressen – ik was immers nogal een linkse kracht. We zaten gans in de clinch met Willy Claes, want het waren altijd zeer boeiende, inhoudelijk, rijk gestoffeerde discussies. Willy heeft mij dan in 1976 gevraagd– toen met de fusie: randoperaties, fusies van heel Vlaanderen en België – om mij kandidaat te stellen voor de gemeenteraad. Hij bood mij de 4de plaats aan, zodat ik zeker verkozen zou worden, want er waren genoeg kopstemmen en zelfs als ik maar weinig stemmen zou halen, zou ik nog steeds verkozen worden. Dus Willy Claes wil dat ik in de gemeenteraad kom. Ik heb daar dan ook in gezeten. Ik ben dan fractieleider geworden in die gemeenteraad en heb twee termijnen gedaan. Daarna, op het laatste van mijn tweede termijn, heb ik dan gebroken met de partij, omdat Steve Stevaert en Ernst Bujok, toen opkomende gasten, mij langs alle kanten gooiden bananenschillen onder mijn voeten gooiden. Zij wensten dat ‘vroeg socialisme' te hebben, vooral met veel verpakking en weinig inhoud. Toen heb ik gezegd: "Daar doe ik niet meer aan mee," en dan ben ik twee jaar apart gaan zitten in de gemeenteraad en heb ik twee jaar oppositie gevoerd. Ik versta mij nog altijd zeer goed met Willy. Ik vind Willy nog altijd een man die in Limburg enorm veel gedaan heeft voor de uitbouw van het socialisme, maar niet het socialisme zoals ik het zag, zoals ik het wilde dat het was. Dat is zo'n beetje mijn geschiedenis.

Audiofragment 2: vrijzinnige figuren

Jimmy Koppen (interviewer): We gaan op Willy Claes verder ingaan. Wat is zijn rol geweest in de uitbouw van de vrijzinnigheid?

Hugo Dufour: In die tijd was hij een politiek opkomende ster in Limburg. Hij kwam vanuit de VUB, hij kon zeer goed speechen, hij was razend intelligent, hij had dossierkennis – waar ik een uur nodig had om een dossier te doorgronden, had hij het op 10 minuten allemaal door. Willy Claes maakte in zijn publiekelijke leven een onderscheid tussen het socialisme en de vrijzinnigheid, want elke stem en elk lid was belangrijk, wat ook zijn levensbeschouwing was – dat was zijn redenering. Iedereen was welkom, maar wij mochten niemand tegen de haren wrijven, want dat kon dus niet. Het was dus een beetje dubbel. Hij legde vooral de nadruk op de uitbouw van het socialisme, maar ik denk dat hij intern ook actief was binnen een loge – want aan de drie puntjes in zijn handtekening te zien, is hij, denk ik, dus lid van een loge. Hij beleeft dat op een andere manier, niet publiekelijk en niet binnen de gestructureerde vrijzinnigheid, maar hij heeft altijd mee aan de kar getrokken en mee geduwd waar het kon, zij het niet publiekelijk.

Jimmy Koppen (interviewer): Er zijn ook nog twee andere figuren...

Hugo Dufour: Zeker. Belangrijk is ook die doorbraakactie, met Jef Ulburghs en op een bepaald ogenblik Karel van Miert e.d. Zij hebben die doorbraakactie gedaan – op dat moment waren de katholieken meer dan welkom bij ons: men stak de hand uit in de hoop dat men op die manier de vleugel ACW en ACV mee aan hun kant zou kunnen krijgen en die losweken vanuit de CVP. Vanuit die kant was vrijzinnigheid of godsdienst binnen de partij eigenlijk taboe. Daar werd dus niet over gesproken, iedereen deed daarna wat hij graag wilde doen.

Jimmy Koppen (interviewer): Zijn er twee andere figuren die achter de schermen, of voor de schermen, belangrijk geweest zijn? Denk bijvoorbeeld aan een Herman Corijn en een Jan Engelen. Wat weet u of herinnert u zich van die mannen? Wat was hun rol?

Hugo Dufour: Ik weet nog goed dat Herman Corijn toen een directeur was hier in de normaalschool, maar toen ik binnenkwam in 1963 was hij net inspecteur geschiedenis geworden. Hij was dus net weg en was opgevolgd door Schlusmans, maar hij woonde volgens mij nog in Hasselt en hij was toch nog actief. Tijdens de jaren 1960 heeft hij dan hier geprobeerd – vanuit nationale, omdat hij hier ook directeur was van die normaalschool – om een aantal leerkrachten warm te krijgen om hier het Humanistisch Verbond op te richten. Dat was in de jaren 1965, midden in de jaren 1960 al, actief, maar vooral bezig met grote lezingen. Het ging dan vooral over persvrijheid en over ethische problemen zoals voldoende voorlichting geven, voorbehoedsmiddelen – die mannen gingen met ganse pakketten voorbehoedsmiddelen de boerenbuiten op. Men gaf lezingen over hoe men dus zijn eigen bestemming kon geven... Limburg was op dat moment zeer kinderrijk. Er waren geen voorbehoedsmiddelen: ik kwam zelf uit een gezin van negen kinderen, maar in de buurt was het heel normaal om vijf, zes, twaalf, dertien kinderen te hebben. Dat gebeurde vanzelf, want er waren geen voorbehoedsmiddelen. Dat was dus hun eerste aanpak en zij hebben ook het CGSO opgericht, het Centrum voor Gezinsplanning en Seksuele Opvoeding. Van daar uit is dan ook de Oudervereniging voor de Moraal ontstaan, omdat de leerkrachten zedenleer op die manier beter gesteund werden en dus op die manier volwaardig aan hun trekken kwamen. De meeste lessen zedenleer die men gaf in de eerste jaren na het Schoolpact, dat waren... Er waren gewoon geen lokalen. Ik heb nog les gekregen in een waszaaltje, waar de mensen van het technisch onderwijs hun handen kwamen wassen en die kwamen verschonen. Daar kregen wij dan een uurtje zedenleer. Dus om die materiële omstandigheden van die leerkrachten beter te kunnen bewaken en de inhoud ook mee te helpen bepalen, ontstond er een soort syndicaat van ouders die die cursus tot en met verdedigde in die schoolstructuur.

Audiofragment 3: rol van Oudervereniging voor de Moraal/Vrijzinnig Ontmoetingscentrum

Jimmy Koppen (interviewer): Wat is dan de rol van OVM geweest? Want OVM kwam dan later?

Hugo Dufour: De OVM komt hier een paar jaar later aan zijn trekken, maar vanuit OVM hebben wij dan ook vastgesteld dat er dus behoefte was, zeker bij notoire vrijzinnigen, die fanatiek vrijzinnig waren en in de structuren actief waren – er waren er niet veel, maar die hadden kinderen en die wensten aan hun kinderen een soort plechtigheid te geven. Vandaar dat hier in Limburg zeer snel ook uit OVM Feesten Vrijzinnige Jeugd ontstaan zijn. Dat waren maar zes, zeven kinderen per jaar en dat groeide geleidelijk aan. Nu zitten we aan meer dan 800 à 900 kinderen per jaar die we in Limburg bereiken, zowel Feesten Vrijzinnige Jeugd als Lentefeesten. Dus dat heeft een enorme boom gekregen, onder andere door HV, OVM en dan Feesten Vrijzinnige Jeugd.

Jimmy Koppen (interviewer): Ik heb de indruk dat de uitbouw van vrijzinnige organisaties in de eerste jaren – de jaren 1950-1960 – wel lukte in Limburg, maar dat het daarna zo wat stilvalt, dat het niet zo verder wordt uitgebouwd als bijvoorbeeld in West-Vlaanderen het geval is geweest.

Hugo Dufour: Dat klopt. Waarom viel dat stil? Omdat de mensen wat ouder werden of niet meer zeer actief waren. Het hing meestal vast aan twee, drie goede militanten die de kar trokken. Wij hadden geen infrastructuur, er was hier niks. Daarna is er wel UVV gekomen, met hier een paar CMD's (Centrum voor Morele Dienstverlening), die dus hier in Hasselt zijn ontstaan. Daar konden wij als vrijzinnigen af en toe wel vergaderen, maar eigenlijk hadden wij geen infrastructuur. Toen Steve Stevaert in Hasselt in de jaren 1996, 1997 aan de macht kwam, zijn wij wel het gemeentebestuur gaan opzoeken, samen met Guy Kindermans. Wij hebben toen met Steve gepraat en ik krijg dat tot een Vrijzinnig Centrum. Toen heeft hij mij gezegd: "Ik heb niks... weet ge wat ge doet, richt een vzw op, zoek een lokaal dat geschikt is voor u, ik geef u rugdekking." En zo zijn we dan hier terecht gekomen in dat gebouw. Dat hebben wij dan gekocht voor 16,5 miljoen. Wij hebben dat verbouwd. Wij zijn een lening aangegaan, Guy Kindermans en ik, in naam van de vrijzinnigheid, bij de Kredietbank, omdat onze vrouwen daar werkten – zowel zijn vrouw Nelly als mijn vrouw Mia. Wij hadden het vertrouwen van de banken en wij krijgen dus die lening toebedeeld om dat centrum hier helemaal te herinrichten. En Steve wilde ons voor die leningslasten rugdekking geven, dus daar kregen wij elk jaar subsidies voor. Maar ik zeg: "Met dat geld kom ik niet toe. Ik moet ook nog het poetsen, de infrastructuur, de verwarming en de andere kosten betalen." Ik krijg van Steve 2 miljoen en ik moest 1,7 miljoen afbetalen, dus we hadden 200.000 over als werkingskost. Ik verhuurde de villa aan UVV, waar ik dan 40.000 of 50.000 per maand voor kreeg, dus dat was nog eens een half miljoen. Ik had dus een miljoen werkingsgeld om hier dingen op te richten. Dan heb ik hier de Grijze Geuzen opgericht en nog een aantal dingen, zoals het Vermeylenfonds, dat ook vrijzinnig was. Nu zijn hier meer dan 600 activiteiten per jaar in dit centrum. 600 activiteiten per jaar! Een jaar telt, laat ons zeggen, 300 dagen: neem de vakanties weg, dus dan zijn er gemiddeld twee à drie activiteiten per dag. Soms zijn het wel kleine vergaderingen, maar er zijn ook grote manifestaties. Dus hier zijn heel wat organisaties zeer actief en die trekken gemiddeld van minimum 40 tot maximum 125 toeschouwers, die graag naar hier komen omdat hier lezingen en debatten georganiseerd worden, die een meerwaarde geven aan de mensen. Op die manier dijt de vrijzinnigheid hier uit. Waar ik wel een bezwaar tegen heb, is dat, nu wij geld en middelen hebben, er heel wat nieuwsgierigen komen kijken, die zien dat er geld te rapen valt, dat het hier gemakkelijk te verdienen is. Vroeger deden wij de toog zelf en speelden zelf garçon. Nu worden er garçons ingehuurd, worden fotografen betaald, enz. Het vrijwilligerschap lijdt een beetje onder het feit dat wij nu van alle kanten toch wel wat gesubsidieerd worden. Wij krijgen nu mensen die eerder opportunistisch naar ons toe komen en die dus niet meer militant vrijzinnig zijn. Hier valt toch wel wat gezelligheid te rapen, de prijzen zijn hier vrij goedkoop, wij zoeken naar kwantiteit en niet naar kwaliteit.

Audiofragment 4: vrijzinnigheid sinds de jaren 1960

Hugo Dufour: Wij hadden toen geen centrum. Wij deden een koekenbak, wij deden wat andere zaken om een beetje geld in de kas te krijgen, wij kregen ook spijkers gratis,... Wij mochten naar zalen in Hasselt, waar wij gratis konden vergaderen: zolang we maar twee pinten per persoon dronken, kregen wij alle faciliteiten. Er was dus meer inzet, meer inzet ook om het gedachtengoed te verspreiden, om discussies aan te gaan met andersdenkenden. Dat gebeurt volgens mij nu veel te weinig. Iedereen is welkom – en dat is ook zo; ik begrijp dat standpunt ook wel – maar ik denk toch dat ik liever heb dat 40 mensen aan een vergadering deelnemen en dat die alle 40 bereid zijn, naar huis gaan, iets opgestoken hebben en daar iets mee doen, dan dat 80 mensen hier komen consumeren en dat die het gezellig vinden, en een pintje gratis krijgen, hier een gezellige avond beleefd hebben, zoals ze thuis naar tv gekeken hebben,... Ik heb daar wat moeite mee: ik heb liever 40 militanten – en met militanten bedoel ik: degenen die zich inzetten voor die vrijzinnigheid – die durven in contact komen met andersdenkenden en op een fatsoenlijke, beschaafde manier het vrije denken ontwikkelen en mensen bewust maken van het feit dat ze hun lot in eigen handen kunnen nemen.

Jimmy Koppen (interviewer): Zijn daar concrete tegenkantingen tegen geweest? Mocht men in de jaren 1960-1970, wanneer men echt militant bezig is, bijvoorbeeld een bepaalde zaal niet binnen, of kreeg men soms problemen?

Hugo Dufour: Ja, dat bestond hier wel een beetje. Ik weet nog dat het Willemsfonds hier de eerste jaren niet gekomen is, omdat wij vanuit onze vrijzinnigheid, HVV, meestal in een soort socialistisch kamp zaten. Zij vonden dat wij te links waren en te maatschappelijk betrokken. Zij vonden dat wij propagandisten waren voor het socialisme en dat de vrijzinnigheid maar een dekmantel was voor de politiek. Er zijn in Limburg dus inderdaad een aantal strekkingen geweest, die niet zodanig gealigneerd wensten te worden met politiek. Dat is bij het Humanistisch Verbond trouwens ook lange tijd zo geweest. Om de liberalen, die ook vrijdenkend waren, en de socialisten die vrijdenkend waren, dan toch maar met elkaar te verzoenen, ging men maatschappelijk niet diep genoeg. Ethische problemen, daar konden ze zich allemaal in vinden, maar als maatschappelijke problemen, zoals armoede, uitbuiting, e.d. lagen moeilijker. Als men als vrijzinnige aan de fabriekspoorten meevocht voor het welzijn van die mensen daar, dan waren er problemen. Men vermeed dat zo lang en zoveel mogelijk. Vandaar dat de Vermeylenfondsen gelukkig nog bestaan, die een onderkomen bieden aan vrijzinnigen die maatschappelijk meer betrokken willen zijn, zoals het Willemsfonds waarschijnlijk meer liberaal betrokken zal zijn en zoals het Masereelfonds, dat zich niet vrijzinnig wil erkennen – zij wensen neutraal te blijven en willen niet tot de koepel toetreden –, hier vanuit de KP heel wat activiteiten organiseert, die de moeite waard zijn, onder het mom van 'ook vrijzinnigen'. Zij werken zeer goed samen met de Hasseltse vrijzinnigen, omdat er een goede band bestaat tussen de voorzitter van hun fonds en de voorzitter van het HV, afdeling Hasselt. Dan krijg je ook wederzijdse versterkingen en daar hebben we denk ik meer aan: we krijgen dan bewuste mensen die iets opgestoken hebben, die terugkeren naar huis en naar hun gezin en vandaaruit het maatschappelijke draagvlak vergroten naar meer zelfbeschikkingsrecht en vrijheid van denken en handelen.

Jimmy Koppen (interviewer): Je hebt het HV, je hebt het OVM, je hebt de verschillende fondsen en de vzw's achter de Feesten Vrijzinnige Jeugd, etc. Is dat niet het probleem van versnippering? Niet alleen hier, hoor, maar ook in andere streken. Is het niet heel moeilijk om hetzelfde standpunt aan te hangen?

Hugo Dufour: Dat is waar, maar dat heeft ook te maken met de cultuurpolitiek van de CVP. De CVP heeft decreten gemaakt, waar je subsidies kon krijgen op basis van een aantal criteria. Als wij aan die pot ook mee wilden participeren, moesten wij ook een aantal verenigingen maken, die aan die criteria voldeden. Vandaar ook dat er een aantal diensten bij bijvoorbeeld HV ontstaan, zoals de Humanistisch Vrijzinnige Dienst. Ook De Maakbare Mens is uit HV ontstaan, omdat dat een beweging is. Er bestaan subsidies voor socioculturele organisaties, maar ook voor bewegingen, voor vormingsinstellingen, enz. Die decreten zijn dus altijd gemaakt op maat van de CVP-structuren en van hun socioculturele werking. Wat hebben wij als vrijzinnigen gedaan? Wij hebben dikwijls geprobeerd ons aan te passen aan die structuren. Vandaar dus ook die opdeling – ik noem dat geen versnippering, maar een opdeling – in verschillende groeperingen. En dan krijg je inderdaad een kakofonie van een vijftigtal vrijzinnige verenigingen die in Vlaanderen bestaan, waarvan er 37 of 38 aanvaard worden door UVV. Daarnaast heb je ook Lichtpunt, met de radio- en tv-uitzendingen – ik zit zelf ook in de raad van bestuur van Lichtpunt. Als wij aan de bak wilden komen, moesten wij een bepaalde structuur maken vanuit HV, Lichtpunt, en we wilden dat ook pluralistisch maken, want daar zitten ook het Vermeylenfonds, het Willemsfonds en nog andere verenigingen in, zodanig dat het op zich alweer een koepel is, die de tv-uitzendingen doet. De versnippering binnen de vrijzinnigheid is dus niet zozeer vrijwillig of omdat men niet aan zijn trekken kwam op een of ander vlak, maar de decreetgever verplichtte ons, in een of andere richting mee te spelen, wilden wij aan de bak komen en zeggenschap krijgen. Ook de culturele raden van dat ogenblik, dat waren allemaal onderdelen van CVP en van katholieke organisaties. Op die manier konden wij ook met OVM in de culturele raad komen om advies uit te brengen over culturele aangelegenheden. En al onze organisaties die actief waren, konden daar dus ook in participeren. Dat heeft ook allemaal meegespeeld in de versnippering van de grote structuren. Wij waren het Humanistisch Verbond: wij verbonden alle vrijzinnigen. UVV had eigenlijk niet moeten ontstaan, want de unie van vrijzinnige verenigingen was het Humanistisch Verbond.

Jimmy Koppen (interviewer): Dacht je misschien op een bepaald moment dat HV een soort van koepel zou worden en dat UVV eigenlijk niet had moeten ontstaan?

Hugo Dufour: Dat was ook zo, want aanvankelijk was er een goede verstandhouding, want alle voorzitters van HV werden ook voorzitters van UVV. Op een bepaald ogenblik heeft het Willemsfonds daar een stokje voor gestoken, omdat men vond dat wij te links en te progressief waren. Toen heeft het Willemsfonds daar de macht gegrepen en het voorzitterschap van UVV opgeëist, daar waar het vroeger altijd toekwam aan de voorzitter of de toegewezen voorzitter van HV. Daar heb je dus nog altijd die verdeling tussen links en rechts, of tussen socialisten en liberalen, het speelt een rol bij UVV.

Audiofragment 5: publieksbereik/abortus

Jimmy Koppen (interviewer): Wat is zoal het publiek dat je daarmee kon bereiken? Het doorsnee HV-lid in die jaren, wat was dat voor iemand?

Hugo Dufour: De meeste leden kwamen uit het onderwijs. Het waren meestal mensen uit het onderwijs en hun kinderen, die ook meededen met de Feesten Vrijzinnige Jeugd en naar HJ gingen. Daarnaast waren het ook vooral veel antiklerikalen die wij konden overtuigen door te zeggen: "We moeten niet tegen iets zijn, wij hebben ook iets te bieden, wij zijn ook vóór iets." Op die manier bereikten we heel wat mensen die ons zijn komen opzoeken. We hebben nog steeds een harde kern die antiklerikaal is, maar wij hebben die antiklerikale houding toch proberen te – wij proberen in Limburg toch ons eigen project te realiseren, namelijk zelfbeschikkingsrecht, erkenning op gelijke voet, zoals de andere filosofische strekkingen. Net zoals de andere kerkgemeenschappen eisten wij onze eigen plaats om te krijgen waar we recht op hadden.

Jimmy Koppen (interviewer): Was hier ooit een abortuskliniek?

Hugo Dufour: Hier is nog altijd een abortuskliniek: die is 25 jaar geleden opgericht en wij gaan dat binnenkort vieren. Aanvankelijk gingen de mensen van HV inderdaad met mensen naar Nederland, toen de abortuswet hier nog niet van kracht was. Wij hielpen mensen die zwanger waren en een abortus wilden door hen te begeleiden naar Maastricht en naar andere plaatsen. Dankzij het CGSO, de wetgeving en de nationale politiek is er later een abortuswetgeving gekomen. Er bestaat hier nog altijd een abortuskliniek die regelmatig mensen over de vloer krijg en die zeer zwaar aangevallen zijn geweest. Daar stond op een bepaald ogenblik elke morgen een man voor de deur met een kruis en die zei dat dat moord was, dat zij kindermoordenaars waren...

Jimmy Koppen (interviewer): Twintig jaar geleden?

Hugo Dufour: Nee, nee, nog geen tien jaar geleden! Dan zijn we daar weggegaan. We zaten toen schuin tegenover het stadhuis, maar nu zitten we in die building die je vanop de ring ziet liggen. De meeste mensen weten wel waar ze terecht kunnen.

Jimmy Koppen (interviewer): Maar hoe ging dat dan toen – vóór die kliniek er was, vóór de wet van 1990? Als men dan situaties had als "Kijk, ik overweeg om een abortus te laten uitvoeren", sprak men dan mensen aan of werden er dan voorlichtingsavonden gehouden?

Hugo Dufour: Er werden inderdaad voorlichtingsavonden met voorbehoedsmiddelen gehouden, maar als dat dan toch misliep, waren er mensen – en daar waren ook zeer katholieke ouders bij – die naar ons toekwamen. Met hen hielden o.a. de verpleegsters dan een gesprek. Suzanne Meynen, de eerste echtgenote van Willy Claes was een van de eerste verpleegsters, maar wij hadden ook mensen van de normaalschool die psychologen waren zij vingen die mensen mee op en begeleidden hen psychisch. Als zij dan volhielden dat het kind ongewenst was, gingen er een aantal mensen mee de grens over en werd de abortus in het buitenland uitgevoerd.

Jimmy Koppen (interviewer): Zijn er ooit problemen geweest met de BOB?

Hugo Dufour: Nee. Wij hebben praktisch geen problemen gehad. Ik kan mij niet meer herinneren dat wij problemen gehad hebben.

Jimmy Koppen (interviewer): Maar dat moet dan op een bepaalde manier toch discreet gebeuren? Maar niet té discreet, want mensen moeten ook wel weten dat ze hier terecht kunnen.

Hugo Dufour: Er bestond een netwerk, he. Men zei: "Ga eens naar Hugo, of dinges, daar kunt ge mee babbelen, he." of "Ik ken iemand." Zo werden de mensen doorverwezen en wij kwamen dan terecht waar we terecht moesten komen en konden die mensen begeleiden. Hoewel het inderdaad discreet moest verlopen, heb ik mij daar niet altijd heel druk mee bezig gehouden. De eerste pioniers van de vrijzinnige structuren hier, die waren daar ook zeer actief in. Dat kwam vanuit de normaalschool in Hasselt, waar pedagogen en psychologen zaten, die hierbij hielpen.

Audiofragment 6: ledenaantallen/combativiteit

Hugo Dufour: Nationaal hebben wij bijna 10.000 leden, dus wij zijn een van de grootste verenigingen. Waar het Willemsfonds vroeger groter was dan ons, zijn we nu een van de grootste. In Limburg hebben wij ook de Hasseltse Vrijzinnige Vrouwen opgericht. Aanvankelijk was dat gemengd, maar op een bepaald ogenblik is er dan toch een tendens gekomen, omdat vrouwen toch gemakkelijker met elkaar omgingen en andere thema's bespraken. Toen heeft men ‐ na veel discussie, ook op nationaal vlak – toegelaten dat er in elke provincie een vrouwenstructuur kwam. Die vrouwenstructuur hier in Hasselt heeft dus ongeveer een 70 à 80 leden. HV Hasselt heeft op een bepaald ogenblik toch 200 leden gehad – misschien is dat nu wat minder. Van het Willemsfonds weet ik het niet. Het Vermeylenfonds zit nu ongeveer aan 70 leden. Hoe het qua ledenaantallen in de andere steden of dorpen zit, weet ik niet, maar dat is het zo wat wat Hasselt betreft. Je moet ook begrijpen dat wij geen leden-wervende organisatie zijn. Wij hebben graag dat er leden bijkomen, maar wij gaan daar niet staan roepen: "Word lid, word lid." Voor ons gaat het meer om: "Kom naar ons, luister naar ons, treedt met ons dialoog en dan zullen we wel zien waar we stranden." Als je dan lid wilt worden, zoveel te beter, want wij hebben dat geld ook nodig. Maar lidmaatschap als zodanig is – althans in mijn ogen en in de ogen van veel van mijn collega's – niet prioritair. Maar dat gaat nu veranderen, met het nieuwe decreet. Het Vermeylenfonds heeft in Limburg bijvoorbeeld officieel drie afdelingen. We zouden er minstens tien per provincie moeten hebben, want anders gaan we niet meer erkend worden en zo dus ook op nationaal vlak veel subsidies mislopen. Men is, vanuit katholieke hoek, dus weer bezig om kwantitatieve normen op te leggen, i.p.v. andere normen.

Jimmy Koppen (interviewer): Is men sinds 1993 een stuk minder combattief geworden?

Hugo Dufour: Ja, ik vind van wel. Ik vind dat men wel minder combattief geworden is. Waarom dat zo is, weet ik niet, maar ik merk dat men dat nu minder is. Vroeger hadden wij een duidelijk profiel en ook de bestuursleden hadden een duidelijk profiel: zij waren gekend in de gemeenschap. Nu heeft men geen duidelijk profiel meer, men probeert allemaal low profile te blijven... Dat is een vorm van verdraagzaamheid of pluralisme die ik niet goed kan hebben.

Jimmy Koppen (interviewer): Kon je de media halen als jullie zeiden "We willen met een persbericht naar buiten komen en als vrijzinnigen met een bepaald standpunt naar buiten treden?

Hugo Dufour: Soms wel. Ik denk wel dat de media, zeker onder invloed van De Morgen, nog weinig communiqués oppakken van een aantal filosofische organisaties, enz. Ook bij Het Belang van Limburg, zie je dat. Dat is de grootste krant is van gans Limburg, waar 80 % van alle Limburgse abonnees op geabonneerd is. Zij hebben hier m.a.w. een monopolie. Ik merk ook dat als wij af en toe annonces plaatsen over vrijzinnigheid – voor manifestaties, huis van deMens.nu, enz. – wij ook meer ruimte krijgen om een artikel te plaatsen. Je ziet het verband tussen reclame-inkomsten en de schrijfruimte om je ideeën kwijt te geraken. Af en toe moeten ze wel in Het Belang – ik moet zeggen: we komen daar redelijk aan ons trekken –, maar als ze het kunnen vermijden, zullen ze het vermijden.

Audiofragment 7: contacten met andere vrijzinnige verenigingen/ inhoud lessen niet-confessionele zedenleer

Jimmy Koppen (interviewer): In welke mate waren er in de jaren 1960, 1970, 1980 contacten met nationale afdelingen of met Franstalige vrijzinnigen? Of lag de focus enkel op wat hier gebeurde, alsof het een beetje een eiland was?

Hugo Dufour: Ik heb vaak meegemaakt dat er weinig doorstroming was van de lokale afdelingen en bestuursleden, naar het nationale niveau. Brussel en Antwerpen waren een ver-van-mijn-bedshow. Silvain Loccufier is mij komen zoeken. Hei zei: "Wij hebben geen Limburger in de Raad van Bestuur. Gij zou toch de schakel moeten vormen tussen Limburg en het nationale niveau." Zo ben ik sinds 25 of 30 jaar lid van de Raad van Bestuur van HV. Ik merk dat bij de meeste Limburgers: die trekken zich dat niet aan, zijn enkel met zichzelf bezig. Zij luisteren wel naar wat er nationaal gezegd wordt en de communicatie is niet altijd slecht, maar ik merk toch wel dat men zich met die problematieken niet op een hoger niveau wenst bezig te houden.

Jimmy Koppen (interviewer): Was dat vroeger anders?

Hugo Dufour: Dat weet ik niet. Ik denk dat niet, nee.

Jimmy Koppen (interviewer): Ik heb daarstraks de naam van Jan Engelen even laten vallen, maar we zijn daar toen niet verder op ingegaan. Wat heeft die persoon hier juist betekend?

Hugo Dufour: Ik heb Jan Engelen leren kennen in het begin van de jaren 1960. Hij was leraar Nederlands in een atheneum van Sint-Truiden. Hij was licentiaat Germaanse, maar had het vuur in zich om zedenleer te geven. Zodanig zelfs, dat hij na zoveel jaren ontslag nam als leraar en opnieuw begon als leraar moraal in dat atheneum. Hij was een zeer goede lesgever en had heel wat aanhang in zijn school. Hij had een volledige opdracht, waar een leraar in die tijd in de meeste athenea een slechts een kleine opdracht had van 5 à 9 uren per week. Hij had meteen een volledige opdracht, omdat hij zijn lessen goed stoffeerde, boeiend lesgaf, goede onderwerpen aansneed, enz. Ik denk ook dat er in Sint-Truiden – meer dan in Hasselt – iets meer liberalen en iets meer ouders zaten die hun kinderen naar de zedenleer stuurden. Ik heb de indruk dat dat hier in Hasselt toch minder het geval was.

Jimmy Koppen (interviewer): Hoe stoffeer je dan die lessen zedenleer? Wat bied je dan als leerkracht zelf aan?

Hugo Dufour: Dat weet ik niet. Ik heb dat ook gegeven, maar ik hoor van collega's dat ze altijd met dezelfde onderwerpen beginnen. Het gaat over seksualiteit, ethische kwesties, de doodstraf, euthanasie, abortus, noem maar op. Men zegt mij dat de lessen niet meer zo boeiend zijn. Dat heeft waarschijnlijk ook te maken met het feit dat heel wat leerkrachten zedenleer beginnen te volgen om zeker te zijn dat ze een job in het onderwijs krijgen. Met Nederlands, geschiedenis, aardrijkskunde, biologie of wetenschappen alleen, krijgen ze geen volledige opdracht, dus pakt men daar zedenleer bij. Op die manier, met die twee vakken, hebben ze een volledige opdracht. De scholen die met vorming van leerkrachten bezig zijn, rekruteren op opportunistische manier: daar zit geen gedrevenheid meer in en dat speelt natuurlijk ook een rol. Dat weerspiegelt zich dan in de lessen zedenleer. De inspectie doet achteraf wel verwoede pogingen – er worden per provincie geregeld vergaderingen georganiseerd, waarin men van gedachten wisselt over de vraag hoe de lessen horen te zijn, waarin men lesvoorbereidingen maakt, e.d.m. Op die manier probeer men dat niveau op te krikken. Uiteindelijk blijft het natuurlijk een individueel gebeuren. Het enthousiasme van de leerkracht bepaalt de aantrekkelijkheid. Toen ik in Genk in 1965 zedenleer begon te geven, had ik 71 leerlingen. Dat was een volledige opdracht – dat was ook al niet zo vanzelfsprekend in een atheneum in Genk, in zo'n katholiek Vlaams gezin dorp. En toen ik wegging, had ik er 212. Ik heb daar 18 maanden lesgegeven. Ik gaf boeiende lessen, ik had films, ik had discussies,... Soms behandelden wij samen met de pastoor en met de protestanten een aantal gemeenschappelijke onderwerpen, waarna zij zich terugtrokken in hun eigen lokalen voor een onderlinge discussie. De pastoor had daar genoeg aan, maar de dominee had daar wel zin voor, dat we samen met de leerlingen praatten over een aantal onderwerpen. Het hangt dus dikwijls af van de leerkracht en zijn motivering. Men kijkt uit naar zedenleer, maar ik heb de indruk dat er niet altijd even boeiende lessen gegeven worden en dat de onderwerpen zo'n beetje afgezaagd geraken, dat er geen toegang meer is tot de problematieken van de jeugd. Ik denk dat het daar een beetje aan ligt dat die lessen en de aanhang wat minder zijn in Limburg dan Antwerpen.

Jimmy Koppen (interviewer): Vind je dan dat een algemeen overkoepelend vak beter zou zijn?

Hugo Dufour: Dat denk ik niet. Het Humanistisch Verbond is daar zeer duidelijk in: wij willen de cursus zedenleer koste wat kost behouden, omdat dat nog een van de weinige mogelijkheden is – zeker in het gemeenschapsonderwijs en in het provinciale en in het gemeentelijke onderwijs – waar wij onze gedachten nog aan de mensen kunnen over brengen. Als je dat gaat afschaffen... 80 % van de leerlingen gaan naar het katholiek onderwijs, dus die bereiken wij al niet. Van de 20 % is er nog eens 50 % die godsdienst volgen, dus dan zitten we nog maar met 10 % van de schoolbevolking die in contact komen met de lessen zedenleer. Wat ik wel denk – en dat is dan mijn persoonlijk standpunt – is dat we de laatste twee jaren, in de vorming van het lager onderwijs een overkoepelende filosofie en moraal zouden moeten aanbieden: een kennismaking met de verschillende soorten godsdiensten die er zijn en de specificiteit van elk daarvan. Als men dat dan organiseert: de leerkrachten daar hun ding laat doen en hun gedachtengoed daar laat verdedigen – ieder op zijn manier, maar met oog voor de anderen, dus op pluriforme, pluralistische basis – en de leerlingen achteraf zelf hun conclusies laat trekken, dan zij wij beter af. En ook de leerlingen zelf zijn beter voorbereid: op de universiteit of hoger onderwijs, waar zedenleer en godsdienst geen rol meer spelen. Ik denk dat zij op die manier toch een goed stukje vorming zouden meekrijgen en het veld goed zouden leren kennen... en dan achteraf hun eigen keuze kunnen maken.

Jimmy Koppen (interviewer): Gaan we dan niet van een vrijzinnig standpunt naar een pluralistisch standpunt? Is dat dan niet een soort van verwatering van je eigen overtuiging?

Hugo Dufour: Ik denk dat niet. Ik denk dat dat al naar mekaar toe aan het groeien is. Ik denk dat je in al die godsdiensten een humanisme hebt en dat wordt daar ook gepredikt. Ik denk dat we elkaar ook vinden binnen het humanisme, maar dat wij dat humanisme vanuit een andere hoek bekijken. En dat moeten we, denk ik, toch wel bewaren: het humanisme dat wij bekijken vanuit het vrijzinnig humanisme, dat is toch iets anders. Dat zelfbeschikkingsrecht dat anderen niet hebben, moeten we m.i. wel blijven benadrukken.

Audiofragment 8: uitdrukkelijk vrijzinnig

Jimmy Koppen (interviewer): Kan men vandaag de dag uitdrukkelijk vrijzinnig zijn?

Hugo Dufour: Ik denk dat wel. Als je het principe van zelfbeschikkingsrecht aanvaardt, als je het principe van vrij onderzoek aanvaardt en als je aanvaardt dat er geen waarheid bestaat, dat de waarheid telkens maar een facet is van wat verder onderzocht en afgewogen moet worden – ik denk dat je, als je in die richting gaat, vrijzinnig bent.

Jimmy Koppen (interviewer): En de morele consulenten nu? De tendens nu is dat men morele consulenten niet meer zozeer inschakelt omwille van het feit dat men vrijzinnig is of omdat men expliciet een vrijzinnige plechtigheid wil of vrijzinnige adviezen, waarbij men zegt: "Kijk, dat is iets anders, dat is niet katholiek". Dat is geen ideologie die meer meespeelt.

Hugo Dufour: Nee, dat klopt, en dat vind ik ook weer zo’n rare ontwikkeling. De huizenvandeMens staan voor iedereen open – voor iedereen. Men geeft dan een aangepaste plechtigheid of een aangepast gesprek, à la tête du client, om mensen te helpen. Misschien is dat een basisvoorwaarde om inderdaad contacten en vertrouwen te kweken, maar ik denk dat we toch een stap verder moeten gaan. Onze eigenheid, het vrijzinnig humanisme, is nog altijd onze business, he.

Jimmy Koppen (interviewer): Was dat vroeger anders? Benadrukte men dat vroeger meer?

Hugo Dufour: Vroeger was de dominantie van die kerken zodanig groot dat ze die mensen naar ons toe dreven. De dominantie van die kerk is nu niet meer zo groot: zij passen zich aan, zij zijn diplomatisch, zij gaan niet meer tot de kern van hun geloof, zij bewegen zich meer op het vlak van het humanisme,... De schade die men aanricht vanuit de kerk is minder groot dan vroeger, toen je hele leven, je toekomst en je carrière soms op het spel stonden als je vrijzinnig was. Ik heb nog gevoetbald bij een goede ploeg – al zeg ik het zelf, want ik heb gevoetbald tot in Bevordering bij Zonhoven – en toen ik bij Cercle Mechelen speelde, wilde Verbroedering Mechelen een transfer van mij. Maar die voorzitter en die bestuursleden zeiden: "Dat is een vrijzinnige. Wij gaan die hier toch niet in huis halen?" Mijn transfer ging dus niet door. En toen Bekaert in de jaren 1980 opgericht werd in Lanklaar, moesten degenen die aangeworven werden, een rekening nemen bij het BAC en katholiek gesyndiceerd zijn – dan pas kreeg je de voorkeur om daar aan de slag te gaan. En er was zoveel vraag naar omwille van de sluiting van de mijnen. Men eiste dat dus! De dominantie en de arrogantie waren ontzettend groot, maar zijn nu wel weg.

Jimmy Koppen (interviewer): Vanaf wanneer kon je specifiek hier in Hasselt en Limburg zeggen "Oké, die dominantie is nu wel weg"?

Hugo Dufour: Georges Monard, die nog altijd directeur-generaal is van het onderwijs – of is hij nu met pensioen? – stond in Hasselt gekend als een zeer verdraagzaam iemand. Ik heb daar zelf zeer goed mee kunnen samenwerken. Georges Monard was een pluralistisch ingesteld iemand. De nieuwe generatie van politiekers hier in het Limburgse, dat waren nog de kabinetten van Wilfried Martens, van Jean-Luc Dehaene, van Miet Smet, enz. Daar is men politiek ook veel minder arrogant geweest, samen met de kerk – want dat was vroeger zowat allemaal samen. Men heeft die kerk wat meer losgelaten, men is meer pluralistisch geworden. Vanaf de jaren 1975-1976 is de dominantie in Hasselt – ik weet niet hoe het is verlopen in Stokkem en op andere plaatsen – teruggelopen. Ik heb de indruk dat het hier nadien veel schappelijker ging.

Jimmy Koppen (interviewer): Is dat misschien ook een reden waarom de uitbouw van de vrijzinnigheid dan wat minder was die jaren? Was het niet meer nodig, omdat de tegenstrever ook geminderd was?

Hugo Dufour: Ja, wij hebben dikwijls voor de keuze gestaan. Toen ik in Hasselt in de gemeenteraad kwam – dat was een fusie van 4 à 6 gemeenten van de omtrek – waren er overal parochiehuizen, maar er waren geen gemeenschapshuizen. Monard en ik hebben ervoor gezorgd dat er in elke wijk een gemeenschapscentrum was, waar iedereen terecht kon. Dan was dat natuurlijk gek van mij om dan zelf een clublokaal te maken voor vrijzinnigen. Eerst was er ontzuiling en dan gingen wij terug naar verzuiling! Wij kwamen wel aan onze trekken, maar wij hadden geen ontmoetingsplaats; wij mochten daar wel vergaderen, maar wij hadden daar geen vaste stek.

Jimmy Koppen (interviewer): Waar gingen jullie dan?

Hugo Dufour: Wij vergaderden op café en af en toe ook in die pluralistische gemeenschapscentra, maar daar kwam je maar aan bod als je een zaal kon bestellen. Dat zat vol met al die katholieken, dus je kon kwam daar bijna niet aan bod: je moest je schikken volgens de agenda en volgens de activiteiten die daar het vaakst doorgingen. Die kregen daar de voorkeur, maar in principe kon je daar terecht als je een gat invulde in de agenda. De meeste dagen en de nodige uren om te vergaderen als we een activiteit hadden, waren ingevuld door de actieve parochiale structuren. Dat was dus wel een gemeenschapscentrum, maar het bleef eigenlijk nog draaien rond die katholieke organisaties. Vandaar dat ook veel mensen zeiden: "Ja, we moeten organisaties bijmaken. Hoe meer we er hebben, hoe meer we aan onze trekken zullen komen." Dat heeft, samen met dat decreet, dan ook geleid tot de splitsing van een aantal dingen.

Hugo Dufour

Hugo Dufour
°1 oktober 1944, Lanklaar (Dilsen-Stokkem)
Huidige woonplaats: Hasselt
Geaggregeerde secundair onderwijs/regent wiskunde, fysica, economie en niet-confessionele zedenleer
1965: leerkracht middelbare oefenschool van de rijksnormaalschool van Hasselt, nu sporthumaniora KA2
2002: vervroegd pensioen

(Vrijzinnige) engagementen:
- bestuurslid August Vermeylenfonds, afdeling Hasselt
- bestuurslid De Maakbare Mens (landelijk)
- bestuurslid Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging (landelijk)
- bestuurslid vzw Diogenes (koepel Hasseltse vrijzinnige verenigingen)
- secretaris van de Raad van Bestuur van het Nationaal Jenevermuseum

Plaats van opname:
Hasselt, Vrijzinnig Ontmoetingscentrum
woensdag 28 januari 2015, 11u00
interviewer: Jimmy Koppen

Alle rechten voorbehouden. Behoudens de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen mag niets van deze audio-opnames worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt, op welke wijze ook, zonder de uitdrukkelijk voorafgaande en schriftelijke toestemming van CAVA. De audiofragmenten staan op deze webpagina in chronologische volgorde. De originele, volledige en niet-bewerkte opname van dit interview is te beluisteren in de leeszaal van CAVA.

Reacties gesloten