Waarom studeren aan de VUB?

Vrijwilligers transcribeerden de audiofragmenten die gemaakt werden tijdens deze verhalenavond. Onder elk audiofragment kan u de uitgetypte tekst terugvinden. Het zijn telkens woordelijke transcripties, geen letterlijke.

Gerlant Van Berlaer: Ik zat op het atheneum in Vilvoorde en mijn beide ouders werkten aan de VUB. Mijn moeder gaf les in de Germaanse, onder andere aan Filip, en mijn vader was actuaris en is hier pas later in het actuariaat interesten, leningen, verzekeringen en zo van die ingewikkelde dingen komen geven. Maar mijn beide ouders waren VUB’ers en ik ben dus opgegroeid in een vrijzinnig VUB-nest. Ik herinner mij dat er aan tafel vooral veel discussies waren over problemen binnen de faculteit: “Die persoon wilt niet mee” en “Dat onderzoeksfonds krijgen we niet”, enz. Als kind kreeg ik vooral dat mee. Ik was een jaar te vroeg – dat was in die tijd de mode denk ik en was maar net 17 toen ik aan de VUB kwam. Ik moet toegeven dat ik mij niet ongelofelijk veel herinner van die periode, maar dat pad lag eigenlijk klaar. Pas achteraf, toen ik al een tijd aan de VUB zat, is het VUB-vuur in mij ontwaakt. Die eerste jaren vond ik de campus ontzettend lelijk. We hadden met de geneeskunde altijd les van 8u ‘s ochtends tot 6u ‘s avonds, ik had juist een lief in Vilvoorde – zij is trouwens nog altijd mijn vrouw; we hebben alles geprobeerd om van elkaar weg te geraken, maar zijn er nooit in geslaagd.

Tussen de VUB en het atheneum van Vilvoorde bestond er wel een soort samenwerkingsverband, want wij werden als laatstejaars uitgenodigd. Ik stapte in het station van Etterbeek met de rest van mijn klas van de trein en werd meteen bij mijn kraag gegrepen door iemand met een klak en een labojas. Hij brulde iets in mijn oor dat ik nooit begrepen heb. Hij brult nu trouwens nog altijd in mijn oor – hij zit daar helemaal links – en ik begrijp het nog altijd niet. Dat is dus niet veranderd, maar hij was wel de eerste persoon van de VUB die ik tegenkwam.


Frieda Fiers: Ik zat op een van de koten vlakbij de F en de G. Ik heb een foto met daarop mijn vriendinnen die aan het wandelen zijn over dat pad met links en rechts alleen maar modder en de eerste rotule van de F die zo’n tien meter uit de grond zit. Ik ben zelf in 1973 toegekomen, maar in 1976 stond er al een en ander, waaronder gebouwen B en C. Het was een verschrikkelijk warme zomer in 1976 en ik weet dat wij ons afvroegen “Zitten wij nu op de campus of zitten wij op onze camping?” Het was hier gewoon zo warm dat wij dagelijks watergevechten hielden om af te koelen. Mensen zoals ik, die van West-Vlaanderen kwamen, bleven hier hangen in de examenperiode, dus er was hier wel een hele leuke sfeer.

Reacties gesloten