Tamara Ingels — Burgerlijk begraven en cremeren. Een verworven recht?

Omgaan met de dood is van alle tijden en iets waar alle mensen van verleden, heden en toekomst onvermijdelijk mee geconfronteerd werden en zullen worden. Niets is zo essentieel als de dood, niets vertelt zo veel over het maken van (de laatste) keuzes als de dood. Doorheen de lange geschiedenis van de dood zien we dat elke bevolkingsgroep zijn eigen rituelen en tradities heeft ontwikkeld, vaak afhankelijk van welbepaalde klimatologische en economische omstandigheden en onder invloed van niet te onderschatten levensbeschouwelijke en religieuze denkbeelden. Ook in onze streken is dat niet anders.

1. Zich onderscheiden gebeurt ook in de dood: een lange geschiedenis in hoofdpunten

Karel de Grote vaardigde in 785 wetten uit die begraving voor christenen verplichtte en crematie verbood om zo komaf te maken met oudere ‘heidense’ tradities. Hierdoor kreeg begraving in onze gewesten een dominante positie. Deze profilering werd gaandeweg nog aangescherpt: de ultieme plek om begraven te worden, werd het kerkhof rond de kerk. Wie het zich kon veroorloven kocht een dure concessie en kon zo zelfs rekenen op een laatste rustplaats in de kerk, liefst zo dicht mogelijk bij het altaar. Tot een flink stuk in de 20ste eeuw bleef in Vlaanderen een overduidelijke culturele en politieke voorkeur voor begraving bestaan. Pas in de 18de eeuw weerklonken de eerste stemmen om de eeuwenlange band tussen kerk en kerkhof te doorbreken. De uiteindelijke overstap naar geseculariseerde begraafplaatsen liet weliswaar in de meeste gevallen nog lang op zich wachten en ging heel erg stapsgewijs en soms niet zonder slag of stoot.

In de Oostenrijkse Nederlanden verbood Jozef II, in navolging van Lodewijk XVI (1776), met het Keizerlijk Decreet van 26 juni 1784 het begraven in kerken, kapellen en in de nabijheid van woonkernen. Nieuwe begraafplaatsen moesten voortaan buiten de stadsmuren aangelegd worden en begraving in kerkhoven binnen de stadsmuren werd verboden.1 Dit decreet werd echter niet algemeen opgevolgd en van een ingrijpende verandering was er nog geen sprake. Met het Keizerlijk Decreet van 12 juni 1804 bepaalde Napoleon dat alle begraafplaatsen, of ze nu in handen waren van de gemeente of van de kerkfabriek, onder het gezag en toezicht van de gemeentelijke overheid moesten komen.2 Er was een dubbelzinnige taakverdeling tussen de parochiale clerus en de gemeentebesturen voorzien in het decreet. Deze taakverdeling bleef verder van kracht in het onafhankelijke België en gaf later aanleiding tot vele betwistingen binnen de jonge natie.3 Er ontstond zelfs een heuse kerkhovenkwestie, die in België (en in Frankrijk) in hoofdzaak draaide om de strijd tussen parochiegeestelijkheid (en de kerkfabrieken) en de gemeentebesturen rond het eigendomsrecht en de compartimentering van begraafplaatsen.4

Het decreet van Napoleon bepaalde dat in gemeenten met meerdere erediensten er ofwel een begraafplaats zou worden aangelegd voor elke cultus, ofwel één begraafplaats zou worden voorzien voor de verschillende godsdiensten. Deze moesten door muren en hagen in verschillende compartimenten van elkaar worden afgescheiden. Het decreet had echter geen schikking getroffen voor al wie zich buiten de kerk plaatste: onkerkelijken (vrijdenkers, atheïsten en onverschilligen die buiten de Kerk stierven) en ‘onwaardigen’ (diegenen die door de Kerk om canonieke redenen een christelijke begrafenis werden ontzegd, zoals ongedoopte kinderen en zelfmoordenaars). Zij werden, net zoals op de oude kerkhoven, begraven op een afgescheiden gedeelte, vaak omschreven als de hondenhoek of hondenkuil.5 Deze praktijk stootte in de 19de eeuw op steeds meer verzet. Toen hygiënische overwegingen noodzaakten tot de oprichting van nieuwe begraafplaatsen of tot de uitbreiding van bestaande dodenakkers, was een conflict tussen de stedelijke autoriteiten en de clerus onafwendbaar. Burgemeesters konden niet toelaten dat de Kerk nog haar zeg had over gronden die werden aangekocht en beheerd door de gemeente. In de nieuwe stedelijke begraafplaatsen en de door steden aangehechte stukken van bestaande begraafplaatsen diende iedereen, ongeacht de geloofsovertuiging, het recht te hebben om begraven te worden in de nabijheid van zijn of haar familie.6 Een arrest van het Hof van Cassatie uit 1864 stelde uiteindelijk dat het de gemeente was die concessies toekende en de prijs bepaalde, wie ook de begraafplaats in eigendom had. Sedert dit arrest werden alle concessies voor de parochiale begraafplaatsen van onder meer Brussel en Gent door de stadsbesturen verleend.7 Toen de stedelijke autoriteiten van Gent en Brussel de concessieverlening effectief in handen namen, werd daarbij elke verwijzing naar het katholieke geloof van de overledene (en naar daarmee verbonden voorwaarden) in de aanvraagformulieren weggelaten.8

Het groeiend politiek gewicht van de burgerij diende in de 19de eeuw datgene aan wat de Franse historicus Michel Vovelle ooit omschreef als ‘la mort bourgeoise’.9 Het funeraire beleven ontwikkelde zich stilaan naar een meer geprivatiseerd sterven, met vooral de familie erbij.10 Daarnaast ontwikkelde zich een complex kluwen, waarbij ook andere groepen een rol konden spelen. Zo was, door de toenemende medicalisering van het sterven in de 19de eeuw, de arts steeds vaker naast of in de plaats van de priester aanwezig bij het laatste ogenblik.11 Bij de organisatie van de eigenlijke begrafenis begon zich ook de specifieke rol van de begrafenisondernemer uit te kristalliseren. Dat gebeurde niet zelden omdat hij zich geleidelijk meer ging concentreren op diensten die voorheen door verschillende beroepsgroepen werden toegeleverd. De nieuwe attitudes tegenover sterven en begraven, rouwen en herdenken correleerden al evenzeer met een bredere context waarin de verhoudingen tussen civiele en religieuze overheden grondig werden herschikt.12 In de jaren 1860 legde de liberale regering de gemeenten geen duimbreed in de weg om een einde te maken aan de compartimentering, ondanks onophoudelijk verzet van de bisschoppen en de lagere clerus.13 In kleine gemeenten duurde het echter vaak nog tot het einde van de 19de eeuw – of zelfs een stuk in de 20ste eeuw – om over te stappen naar deze nieuwe begraafplaatsen, waar iedereen broederlijk naast elkaar kon rusten, ongeacht de geloofsovertuiging.

Rond 1850 waren ondertussen de eerste organisaties van vrijdenkers tot stand gekomen die ijverden voor een burgerlijke dood. De leden weigerden de laatste sacramenten te ontvangen op hun sterfbed, evenals een katholieke uitvaartdienst. De genootschappen waarin ze zich organiseerden, zorgden onder meer voor onderlinge bescherming tegen de bemoeienissen van de clerus bij het sterfbed, en zo nodig voor financiële steun bij de uitvaart.14 Deze eerste burgerlijke organisaties waren kleinschalig, maar de heisa die errond ontstond was des te groter. In het katholieke Vlaanderen zorgden deze gebeurtenissen voor een schokgolf. Hetzelfde gold voor de aanleg van de eerste echte gemeentelijke begraafplaatsen. De wijze waarop dit werd uitgevochten, was ongemeen fel, met in sommige gevallen brandstichting, vandalisme en gevangenisstraffen tot gevolg.15 De burgerlijke begrafenis bleef bijgevolg tot in de eerste helft van de 20ste eeuw vaak een politieke manifestatie, zowel van liberale als van socialistische kant.

2. Van kerkhovenkwestie naar crematiestrijd

Vanuit de 19de-eeuwse kerkhovenkwestie werd vrijwel meteen een nieuw conflict geboren, met name de crematiekwestie. De geschiedenis van de strijd voor crematie in de Belgische context werd in 1992 door Karel Velle voor het eerst uitvoerig bestudeerd.16 Naast enkele Europese trends die ook onze crematiestrijd omgeven, schetste hij vooral de Belgische ontwikkeling, die rond 1870 op gang kwam bij het opruimen van oorlogsslagvelden en nieuwe hygiënische inzichten.

Al snel kregen de voorstanders van crematie het label ‘crematisten’ opgeplakt, in een debat dat dezelfde voor- en tegenstanders polariseerde als tijdens de kerkhovenkwestie. Belangrijke argumenten in het debat waren de slechte toestand van veel oude kerkhoven, de impact van begraven op de bodem- en waterkwaliteit en de manier waarop deze factoren de levenskwaliteit van de omwonenden aantastten. Een niet te onderschatten invloed ging bovendien uit van de verschillende verenigingen voor crematie, die vanaf 1882 (met de stichting van de Association pour la Propagation de la Crémation des Morts aan de ULB) in België werden opgericht, vaak met wetenschappelijke steun. Ook vrijdenkersbonden en tal van andere vrijzinnige verenigingen schaarden zich mee achter het doel: crematie op de politieke agenda plaatsen, door middel van het indienen van verzoekschriften en wetsvoorstellen, de publicatie van tijdschriften voor de promotie van crematie, het houden van debatten en lezingen en het indienen van petities. Gaandeweg werd de strijd van deze verenigingen gesteund vanuit zowel liberale als socialistische hoek. Het debat woedde opnieuw behoorlijk fel: voorstanders werden vanuit katholieke hoek verweten antigodsdienstig, antikatholiek en antiklerikaal te zijn, en een strategie te hebben die materialistisch, onverdraagzaam (!) en onrespectvol zou zijn ten aanzien van katholieke gebruiken, waarden en normen.

De oprichting van de vzw La Cendre, een gezamenlijk initiatief van La Libre Pensée en de Belgische Vereniging voor de Verspreiding van Crematie in 1925, leidde uiteindelijk tot de aankoop van terreinen in Ukkel (en de vooraanzet voor de oprichting van een crematorium), met dank aan een bijzonder succesvolle actie om fondsen te verzamelen. De uiteindelijke doorbraak ontstond in de nasleep van het overlijden van Generaal Bernheim († 1931), een oorlogsheld uit de Eerste Wereldoorlog die een staatsbegrafenis zou krijgen.17 Vermits hij expliciet had verzocht om te worden gecremeerd (toen enkel mogelijk in het crematorium van Père-Lachaise, nabij Parijs), werd vanuit politieke hoek intensief gezocht naar mogelijkheden om een staatsbegrafenis toch nog mogelijk te maken. Een precedent was duidelijk in de maak. Dit resulteerde in een verbeten krachtmeting tussen katholieke18 en zelfs extreemrechtse tegenstanders19 enerzijds en de voorstanders (liberalen en socialisten) anderzijds. In talrijke perscampagnes werden vooral de argumenten tegen het cremeren in brochures en pamfletten in de verf gezet. De tegenstanders konden de evolutie echter niet meer stuiten. Bernheim was ondertussen in Parijs gecremeerd. Een wetsontwerp dat in spoedoverleg werd goedgekeurd, maakte het afscheid nemen aan de assen (in plaats van aan de kist met daarin het lichaam) toch mogelijk. Uiteindelijk werd de Belgische crematiewet goedgekeurd op 21 maart 1932. Op de reeds aangekochte terreinen in Ukkel werd een intercommunale opgericht en de eerste crematie vond plaats in oktober 1933.

3. Een lange wachttijd

Hoewel tal van crematieverenigingen na 1933 actief bleven pleiten voor de oprichting van crematoria in Vlaanderen en het crematorium in Ukkel overbevraagd raakte, zou men in Vlaanderen nog bijna 50 jaar moeten wachten op het eerste crematorium. Het groeiende ledenbestand van de crematieverenigingen werd een belangrijk drukkingsmiddel. De eerste stappen voor de bouw van het crematorium in Antwerpen – het eerste in Vlaanderen – werden gezet door het oprichten van de Intercommunale Vereniging voor Crematoriumbeheer (I.V.C.A.) op 14 februari 1978. Stichtende leden waren de steden Antwerpen, Turnhout, Mechelen, Berchem, Borgerhout, Deurne, Ekeren, Hoboken, Merksem en Wilrijk. Dit alles gebeurde op initiatief van de Antwerpse provincieraad, die in oktober 1975 al vragende partij was voor het aanknopen van gesprekken in deze richting. De eerste steen van het Antwerpse crematorium (op de reeds bestaande Schoonselhofbegraafplaats) werd uiteindelijk gelegd op 9 september 1981. Het complex met drie ovens opende de deuren op 2 februari 1983, zo’n 50 jaar nadat de Belgische wet voor crematie in voege kwam. Na de oprichting in Antwerpen stonden de deuren uiteindelijk open om ook in tal van andere steden en regio’s in Vlaanderen crematoria op te richten.

Het aantal crematies neemt sedertdien nog steeds gestaag toe in België. De afgelopen twee decennia is vooral in Vlaanderen een sterke stijging waar te nemen. Deze regio kent vandaag procentueel zelfs het grootste aantal crematies. Naast de crematiewetgeving kwam er in 1971 nog een nieuwe wet op begraafplaatsen en lijkbezorging. Deze bouwde verder op de vele beslissingen van voorgangers inzake gelijkheid en eigendom, maar schafte de eeuwige vergunningen – nog ingevoerd door Napoleon – finaal af. Heel wat gemeenten, maar ook de provincies, waren vragende partij, vooral omdat de vele uitbreidingen van de dodenakkers zware financiële dobbers met zich meebrachten. Zo waren er de vele juridische procedures die vaak volgden op de noodzakelijke onteigeningen en aankopen.

Na de Lambermontakkoorden werden begraafplaatsen en lijkbezorging uiteindelijk een gewestelijke materie. Vandaag hebben alle gewesten een eigen decreetgeving. Zo kreeg ook Vlaanderen in 2004 een nieuw decreet op de begraafplaatsen en de lijkbezorging,20 een decreet dat heel sterk inzet op persoonlijke keuzevrijheden voor begraving en asbestemming na crematie. Het garandeert de individuele vrijheid van eenieder om te kiezen voor een uitvaart van zijn of haar keuze. Het sluit daarbij aan bij de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de Europese Conventie voor de Mensenrechten. Deze bieden individuen en gemeenschappen een kader om de weg naar de laatste rustplaats, met respect voor eenieders overtuiging, vorm te geven. Fundamentele rechten en principes als vrije meningsuiting, godsdienstvrijheid, recht op privacy, recht op eigendom, bescherming van cultureel erfgoed en non-discriminatie, zouden garanties moeten zijn voor de individuele keuzevrijheid voor de uitvaart die men wenst.21 De komst van dit nieuwste decreet bezegelt met andere woorden de vele stappen die tot op heden genomen zijn in de richting van secularisering. De lange geschiedenis van de dood leert ons echter dat ook dit decreet geen eindfase zal zijn en dat de keuzemogelijkheden van vandaag ook in de toekomst verder zullen moeten worden verdedigd.

4. Op naar nieuwe rituelen?

De evolutie naar de verdere secularisering van onze dodencultuur hangt echter niet alleen af van wetgevende elementen. Veel van de sociologische en historische werken over de dood spreken van een verregaande ‘medicalisering van de dood’ in de tweede helft van de 20ste eeuw.22 De arts nam de voorbije 200 jaar een steeds prominentere plek aan het sterfbed in. Ook in Vlaanderen tekenden we vanaf de jaren 1950 steeds vaker overlijdens in ziekenhuizen en zorginstellingen op. In de loop van de jaren 1970 werd het ziekenhuis steeds meer de algemeen aanvaarde locatie voor de ‘niet-onverwachte dood’.23 Volgens Philippe Ariès, de Franse historicus van de dood, zijn het leven en de dood van de patiënt vanaf de jaren 1950 zelfs volledig in handen van het medisch team genomen. Deze vaststelling verdient echter nog wel verdere nuancering. In de loop van de 20ste eeuw is de controle over de dood eerst van de Kerk naar de arts gegaan, maar bij de start van de 21ste eeuw wordt deze controle stilaan meer door het individu zelf opgeëist. Deze evolutie is zeker nog niet ten einde.

Uit een recent onderzoek van vooraanstaande sociologen zoals Karel Dobbelaere en Jaak Billet blijkt dat niet alleen de samenleving gedeeltelijk verwereldlijkt is, de religieuze overgangsriten zoals het begrafenisritueel zijn dit ook. Er is nog vraag naar traditionele rituelen, maar de invulling ervan is sterk veranderd. Van een traditionele begrafenisdienst is nog weinig te herkennen: de Latijnse gebeden en liederen evenals de focus op het hiernamaals zijn grotendeels verdwenen.24 Er is een heel ander soort dienst voor in de plaats gekomen, die het voorbije leven van de gestorven persoon belicht.

Met het groeiend succes van crematies moest er immers worden nagedacht over een alternatief afscheidsritueel. De populariteit van crematie is mede te danken aan de degelijke en gepaste invulling van de afscheidsceremonie die de Vlaamse crematoria bieden. Zoals we bij Vandendorpe lezen, zijn crematoria niet enkel meer ‘technische plaatsen’, maar wordt er ook gezorgd voor ‘the social and symbolic’.25 In dit kader wordt er ook nagedacht over het rituele aspect van het afscheid, waarbij zoveel mogelijk geconcentreerd wordt op het leven van de overledene en de herinneringen van de nabestaanden. We zien dus ook hier een grote focus op het persoonlijke.26 Het sterven werd in de loop van de 20ste eeuw steeds meer een privéaangelegenheid. Met de wetten rond het waarborgen van een waardige dood is deze trend naar individualisering natuurlijk alleen maar versterkt.27 Gaandeweg is er als het ware een ‘liberalisering’ van de plechtigheid zelf opgetreden. Tot op heden zijn er echter nog maar weinig studies die de wijzigingen van rituelen in de voorbije kwarteeuw documenteren.

Ook de ruimtes waarin de plechtigheden plaatsvonden en -vinden kregen welbepaalde voorzieningen mee. Als bezoeker zijn we er ons meestal niet van bewust, maar de manier waarop aula’s en de ruimte rond het crematorium werden ingericht, werd grondig doordacht. Hierdoor kunnen we in emotionele momenten toch rekenen op een aangepaste omkadering en de nodige flexibiliteit om de (laatste) wensen te realiseren en te respecteren.

Men wenste bij de bouw van de eerste crematoria al dat het instellingen zouden zijn waar men op waardige wijze afscheid kon nemen van de overledenen. Het principe was reeds van bij de start dat elke filosofische of religieuze overtuiging volledig aan bod moest kunnen komen. De nadruk moest niet liggen op de eindbestemming – de crematie als technisch proces – maar wel op het afscheid. De crematoria in Vlaanderen zijn vrij snel na de oprichting begonnen met het houden van plechtigheden door de eigen diensten. Voor vrijzinnige diensten werd gezocht naar mensen en mogelijkheden om plechtigheden te bedenken en gestalte te geven. Er is aanvankelijk een aantal vrijwilligers gestart met een organisatie om gesprekken met familieleden te hebben, begeleidende teksten op te stellen en te komen spreken op de plechtigheid. Dit is later onder de vleugels gekomen van wat nu het ‘huisvandeMens’ is.28

5. Documenteren van secularisering

Het documenteren van een stapsgewijs proces als secularisering is niet eenvoudig. Over de stappen die in de 19de eeuw werden gezet zijn reeds heel wat studies beschikbaar.29 Ze baseren zich op talloze archieven, kranten en tijdschriften en allerhande primaire en secundaire bronnen uit die periode. Deze studies worden gevoerd zowel vanuit historisch als vanuit sociologisch standpunt en kaderen vaak in het licht van de studie van vrijdenkersbewegingen, vrijzinnige groeperingen en politieke geschiedenis. In de meeste gevallen zien we een focus op steden en verstedelijkte omgevingen, zoals Gent, Antwerpen en Brussel, waar veel meer vrijdenkers aanwezig waren dan op het platteland. Op het vlak van kunstgeschiedenis ontstaan er steeds meer publicaties over 19de-eeuwse graven van vrijdenkers, wier graven ooit op oude kerkhoven lagen of op de eerste geseculariseerde begraafplaatsen in en rond de steden. Bij die bespreking komen niet alleen biografische elementen aan bod, maar wordt de lezer ook vaak geconfronteerd met het iconografische, thematische en architecturale jargon dat bij de studie van funerair erfgoed hoort. De studie hiervan focust zich vandaag dus stilaan meer op de diversiteit in onze dodencultuur.

Rondom crematie worden momenteel verschillende studies uitgewerkt, die de impact van crematie en crematoria op onze dodencultuur duidelijk moeten maken. Er is naast aandacht voor architecturale vormgeving ook interesse voor statistische gegevens en rituelen. Deze studies kaderen niet alleen onze regionale en nationale geschiedenis, maar situeren onze dodencultuur vaak ook binnen het grotere Europese verhaal.

De grootste lacune die zich momenteel nog voordoet bij de studie naar secularisering, is het verzamelen van archieven van verenigingen die vrijdenkers verenigden in de strijd voor crematie. Er bestaat flink wat archiefmateriaal over crematieverenigingen in de grote levensbeschouwelijke en politieke archieven. Sommige crematieverenigingen hebben eigen tijdschriften uitgegeven, zoals de Vereniging voor Crematie voor Vlaams België (tijdschrift Informatie) of de Stichting Zuidwestvlaamse Vereniging voor Crematie (tijdschrift De Urne). Maar we stellen toch vast dat de kleinere verenigingen, mede door het telkens wisselend bestuur, vaak het spoor bijster zijn geraakt over hun eigen verleden. Het meeste werk om verder onderzoek mogelijk te maken ligt dan ook enerzijds bij de verenigingen en initiatieven zelf. Anderzijds kunnen archiefinstellingen zoals CAVA hier een sensibiliserende rol spelen. De verenigingen zouden moeten worden opgespoord en moeten worden aangespoord om hun eigen archieven samen te brengen, raadpleegbaar te maken voor onderzoekers of over te dragen aan een archiefinstelling. De geschiedenis van de eigen werking van een vereniging kan vaak een heel ander licht werpen op de manier waarop in bepaalde regio’s een werking werd uitgebouwd of een debat werd uitgelokt. Vele van deze verenigingen zijn in de loop van de tijd opgehouden te bestaan, vaak omdat alle leden overleden zijn. Hopelijk kunnen deze verenigingen in de loop van de komende jaren toch nog worden getraceerd of de archiefstukken die nog vaak in privébezit zijn, worden overgedragen.

6. Slotbeschouwingen

Onderzoek naar secularisering is er dus wel, al hebben we in de dodencultuur ook nog met een ander gegeven te maken. Vandaag kiezen mensen, net onder invloed van deze secularisering, veel meer voor een heel eigen, persoonlijk en dus individueel afscheid. Alhoewel enkele grote trends voorzichtig te ontwaren zijn, is het documenteren van die individuele keuzes niet altijd een evidentie. Vermits de keuze voor een seculiere uitvaartplechtigheid vandaag veel minder controverse oproept dan vroeger, komen er nog weinig in de belangstelling te staan. Bijdragen bij deze uitvaarten worden veelal verzorgd in de omgeving van crematoria, funeraria en met behulp van faciliterende organisaties zoals het huisvandeMens. In de archieven van UVV bevinden zich daardoor nog dossiers over de ondersteuning en opleiding van vrijwillige moreel consulenten voor uitvaartbegeleiding en crematoria.30 Welke bronnen uiteindelijk de tand des tijds overleven, is onduidelijk, want uiteraard bevinden vele verhalen zich vandaag nog steeds binnen het kader van de wet op de privacy. Van georganiseerde vrijzinnigheid is niet altijd sprake, vermits veel keuzes zich afspelen binnen de privésfeer, in de keuze van families om een overledene een gepaste uitvaartplechtigheid mee te geven. Wel weten we dat we vandaag, in tegenstelling tot vroeger, veel meer stilstaan bij hoe we iemand herdenken om hoe hij of zij in het leven heeft gestaan. De tijd van herdenken in de dood ligt veel verder weg dan ooit. Om onze dodencultuur te documenteren moeten we dus niet alleen kijken naar gisteren en vandaag, maar moeten we ook de volgende generaties attent maken op de manier waarop mensen kiezen voor een vrijdenkende, vrijzinnige of niet-religieuze plechtigheid. Zij zullen moeten documenteren hoe wij ooit afscheid zullen nemen van het leven.

Voetnoten

  1. C. Vandervelde, La nécropole de Bruxelles. Etude de l’architecture et de la sculpture funéraires, des symboles et des épitaphes. Inventaires, Brussel, Editions Commision d’Histoire de l’Europe, 1991, p. 10-11.
  2. E. Lamberts, De kerkhovenkwestie, in Het openbaar initiatief van de gemeenten in België 1795-1940. Volume 2, Brussel, Gemeentekrediet, 1986, p. 785.
  3. C. De Spiegeleer, Secularisering van stedelijke begraafplaatsen in de tweede helft van de negentiende eeuw in België, in T. Ingels (red.), R.I.P. Aspecten van 200 jaar begrafeniscultuur in Vlaanderen, Gent, Academia
    Press/Liberaal Archief, 2015, p. 5-21.
  4. E. Lamberts, De kerkhovenkwestie, p. 786.
  5. E. Lamberts, De kerkhovenkwestie, p. 786.
  6. T.A. Kselman, Death and the afterlife in modern France, Princetown, Princeton University Press, 1992, p. 191; Valérie Meillander & Yvonne Hollebosch-Van Reck, Rendez-vous met Magere Hein. Doods- en rouwgebruiken in de 19de Eeuw. Tentoonstelling 31/10/1986-25/1/1987, Museum voor Volkskunde, 1986, p. 47.
  7. Stadarchief Brussel, Cultes, 1708, ontwerp verslag Dwelshauwers over Brusselse kerkhoven voor gouverneur, februari 1872; C. Vandervelde, La nécropole, p. 20.
  8. Stadsarchief Gent, cc 1A, kopie brief college Gent aan stadsbestuur Mechelen, 9 november 1863.
  9. Over het concept en deze discussie, zie: Michel Vovelle, La mort et l’Occident de 1300 à nos jours, Paris, Gallimard, 1983, p. 24 & p. 507-673; Michel Vovelle, Le deuil bourgeois. Du faire-part à la statuaire funéraire, in Michel Vovelle, Histoires figurales. Des monstres médiévaux à Wonderwoman, Paris, Usher, 1989, p. 239-252; T.A. Kselman, Death and Afterlife in Nineteenth-Century France.
  10. Michel Vovelle, La mort et l’Occident, p. 530-531 & p. 610.
  11. Zie: Anne Carol, Prêtres et médecins face à la mort et aux mourants en France, XIXe-1e moitié du XXe siècle, in Rives méditerranéennes, 2005, 22, p. 109-124.
  12. Michel Vovelle, La mort et l’Occident, p. 557; J. Tyssens, Waarlijk een man van brons! Hippolyte Metdepenningen als voorwerp van een liberale en burgerlijke funeraire cultuur in de negentiende eeuw, in T. Ingels (red.), R.I.P. 200 jaar begrafeniscultuur, p. 37-64.
  13. E. Lamberts, De kerkhovenkwestie, p. 787-788; Aartsbisschoppelijk Archief Mechelen, Acta Vicariatus, XIV/3a (1862-1865), brief Vandenpeerenboom aan provinciegouverneur, 5 augustus 1863.
  14. E. Witte & J. Louis, Funérailles civiles, in P. Defosse (red.), Dictionnaire historique de la laïcité en Belgique, Brussel, Luc Pire / Fondation Rationaliste, 2005, p. 145.
  15. Dit was bijvoorbeeld het geval in Sint-Denijs, waar twee geestelijken in de gevangenis belandden naar aanleiding van de strijd rond het kerkhof (zie E. Verheust, L’affaire de Saint-Genois, in Handelingen van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van Kortrijk. Nieuwe Reeks, 1965, p. 305-380.)
  16. K. Velle, Begraven of Cremeren. De crematiekwestie in België, Gent, Stichting Mens en Kultuur, 1992.
  17. Over de zaak Bernheim, zie G. Liagre, Tot stof en as zult gij wederkeren. De crematie als hefboom van antiklerikaal protest en het Belgisch protestantisme (1870-1932), in Analecta Bruxellensia, Jaarboek van de Universitaire Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel, 2000, 5, p. 172-192, ook elektronisch verschenen op: vpkb.be/images/uploads/tot%20stof%20en%20as%20zult%20gij%20wederkeren.pdf.
  18. A. Janssens, Lijkverbranding, Leuven, Davidsfonds, 1931.
  19. L. Degrelle, Weg met lijkverbranding! Den oven in!, Rex, 1931.
  20. binnenland.vlaanderen.be/decreet/begraafplaatsen-en-lijkbezorgingsdecreet (geraadpleegd op 2 februari 2015).
  21. P. Van den Nieuwenhof, De uitvaart in Vlaanderen in een hedendaags Europees kader. Een synthese van collectieve en individuele wilsuitingen?, in T. Ingels (red.), R.I.P. 200 jaar begrafeniscultuur, p. 65-84.
  22. Een van de eersten die dit vaststelt, is Philippe Ariès. Zie P. Ariès, L’homme devant la mort, Parijs, Seuil, 1977, p. 577.
  23. L. Van Den Block, N. Bossuyt, N. Van Casteren, e.a., Het sterfbed in België, resultaten van de SENTI-MELC studie 2005-2006, Brussel, ASP, 2007, p. 12.
  24. J. Billet, L. Kenis en P. Pasture (red.), The transformation of the Christian Churches in Western Europe: 1945-2000/La transformation des églises chrétiennes en Europe Occidentale, 1945-2000, Leuven, Leuven University Press, 2010, p. 125.
  25. F. Vandendorpe, Practices surrounding the dead in French-speaking Belgium, in C. Bryant, Handbook on Death and Dying, London, Sage, 2003, p. 624.
  26. F. Vandendorpe, Practices surrounding the dead, p. 625.
  27. S. Schepens, Secularisering van de dood in Vlaanderen in de twintigste en eenentwintigste eeuw, in T. Ingels (red.), R.I.P. Aspecten van 200 jaar begrafeniscultuur, p. 23-36.
  28. T. Ingels, Meer dan een kwarteeuw crematie in Vlaanderen, door de ogen van de crematoriumdirecteur, in T. Ingels (red.), R.I.P. Aspecten van 200 jaar begrafeniscultuur, p. 85-108.
  29. De meest recente is de doctoraatsverhandeling van C. De Spiegeleer, Sterven, begraven en herdenken van koninklijke en politieke elites in België tussen 1830 en 1940. Een culturele en politieke geschiedenis, Brussel, VUB (onuitgegeven doctoraatsverhandeling), 2015. Secularisering en laïcisering komen hier ruimschoots aan bod.
  30. CAVA, Archief UVV, UVV332.


Verwijzen naar dit artikel kan als volgt: Ingels Tamara, Burgerlijk begraven en cremeren. Een verworven recht?, in Op zoek… De evolutie van het vrijzinnig humanisme in Vlaanderen sinds de Tweede Wereldoorlog, Brussel, Centrum voor Academische en Vrijzinnige Archieven, 2018, pp. 211-221.

Deze pagina werd voor het laatst geüpdatet op 12 april 2018.

Reacties gesloten