Paul Borghs — Holebi- en transgenderbeweging

De holebi- en transgenderbeweging is uitgegroeid tot een van de meest succesvolle sociale bewegingen in België. Dat was ooit anders. De beweging kende een erg moeizame start in de jaren 1950. Daarna wisselden periodes van enerzijds bloei en successen en anderzijds spanningen en conflicten zich af. In het midden van de jaren 1980 leek het er even op dat de grootste koepelvereniging, de Federatie Werkgroepen Homofilie, volledig zou verdwijnen. Maar uiteindelijk slaagde de beweging erin om zich eensgezind achter een aantal politieke eisen te scharen. Die konden grotendeels gerealiseerd worden vanaf het midden van de jaren 1990. Het succesverhaal culmineerde uiteindelijk in een beweging die momenteel zowel holebi’s als transgender personen overkoepelt. De geschiedschrijving van de holebi- en transgenderbeweging in België is nog grotendeels onontgonnen terrein. Omvangrijke studies over het holebi- en transgenderverleden, zoals die bijvoorbeeld bestaan in de buurlanden en de Verenigde Staten, zijn niet voorhanden. Maar daarin komt geleidelijk aan verandering.

1. Korte historiek van de holebi- en transgenderbeweging in België1

Eind 1953 nam Suzan Daniel, een schuilnaam voor Suzanne De Pues, het initiatief om in Brussel van start te gaan met een vereniging voor homo’s en lesbiennes. Dergelijke verenigingen bestonden al in een hele reeks Europese landen. Hun leden kwamen bijeen in de schoot van het International Committee for Sexual Equality (ICSE). Een ICSE-congres in Amsterdam inspireerde Suzan Daniel om in België het Centre Culturel Belge – Cultuurcentrum België op te richten. De eerste openbare activiteit was een bijeenkomst in een Brusselse taverne in juli 1954. De tweede bijeenkomst, in oktober 1954, werd meteen ook de laatste. Suzan Daniel verliet de vereniging na een conflict met een man. Daarop besloten enkele mannen om door te gaan met het Centre de Culture et de Loisirs – Cultuur- en Ontspanningscentrum. De vereniging droeg deels dezelfde naam als het Nederlandse C.O.C., maar functioneerde volledig los van Nederland. Het Centre de Culture et de Loisirs – Cultuur- en Ontspanningscentrum werd een besloten Brusselse vriendenclub waar de klemtoon op ontspanning lag. De vereniging, die in de jaren 1970 omgedoopt werd in Infor Homo, was in de jaren 1960 en 1970 de belangrijkste Franstalige homovereniging in België.

In 1961 ontstond een Antwerpse afdeling van het Cultuur- en Ontspanningscentrum. Onenigheid zorgde ervoor dat een groep zich in 1965 afsplitste onder de naam Belgische Vereniging voor Sexuele Rechtvaardigheid, hetgeen suggereert dat ze wilde opkomen voor erkenning. In 1968 volgde, eveneens in Antwerpen, het Gesprekscentrum. In de loop van de jaren 1960 kwam homoseksualiteit al wat meer in de openbaarheid in België. Zo werd in 1964 voor het eerst een colloquium georganiseerd over homoseksualiteit. In 1966 was er opnieuw een primeur. Op de nationale televisie werd een programma uitgezonden waarin homoseksualiteit ter sprake kwam. Een gangbare opvatting was nog dat jongeren homoseksueel werden na verleiding door een ouder iemand. Op basis van de verleidingstheorie voegde de wetgever in 1965 artikel 372bis toe aan het Strafwetboek. Het artikel legde de toestemmingsleeftijd voor homoseksuele contacten op 18 jaar. Voor heteroseksuele contacten bleef de toestemmingsleeftijd bepaald op 16 jaar. De afschaffing van 372bis werd het voornaamste strijdpunt van de holebibeweging. Het artikel werd pas in 1985 uit het Strafwetboek gehaald.

Aanvankelijk was de holebibeweging vooral een Antwerpse en Brusselse aangelegenheid. Daarin kwam verandering aan het einde van de jaren 1960. In verschillende steden werden lokale groepen opgericht en in Leuven en Gent werden studentenwerkgroepen actief. De grote doorbraak volgde in de jaren 1970. Enerzijds kwamen er groepen, zoals het Gespreks- en Onthaalcentrum en de Pastorale Werkgroep Homofilie, die naar integratie streefden. Ze vonden dat holebi’s zich moesten aanpassen aan de heteroseksuele maatschappij. Anderzijds kwamen er groepen, zoals de Rode Hond en de Rooie Vlinder, die voluit voor bevrijding gingen. Ze vonden dat homoseksualiteit niet het probleem was, maar wel de heteroseksuele maatschappij die holebi’s uitsloot. Hervormingen moesten niet gevraagd maar afgedwongen worden. Het einddoel was een ander strand in plaats van een plaatsje onder de zon. De Rooie Vlinder bracht homoseksualiteit op straat. Nadat de Rooie Vlinder in 1978 voor het eerst een homodag had georganiseerd in Gent volgde in 1979 een grote homobetoging in Antwerpen.

In 1974 werd de eerste autonome lesbische groep opgestart in Vlaanderen onder de naam Sappho. De lesbiennes bevonden zich in een moeilijke positie. Ze kregen ternauwernood aansluiting bij de feministische beweging, die geen ‘lesbisch’ etiket opgeplakt wilde krijgen. En ze vonden niet echt hun weg naar de homobeweging, die voornamelijk door mannen werd gedomineerd. Autonome lesbische groepen vormden de oplossing. Vanaf de tweede helft van de jaren 1970 werden verschillende autonome lesbische groepen opgericht, die vaak een kortstondig bestaan kenden.

In Vlaanderen kende de holebibeweging een bloeiperiode die een hoogtepunt bereikte rond 1980. Van overheidswege werden subsidies toegekend aan de Federatie Werkgroepen Homofilie, een koepelvereniging die in 1977 werd opgericht en die de voorloper was van het huidige çavaria. Daardoor kon in Vlaanderen een professionele werking uitgebouwd worden.

Aan Franstalige kant bleven de initiatieven eerder beperkt. Er werden, naast een (Franstalige) studentenwerkgroep in Leuven en een studentenwerkgroep in Luik, groepen opgericht zoals de Association pour la Défense des Homophiles, de Mouvement Homosexuel d’Action Révolutionnaire, de Mouvement d’Action et de Solidarité Homophile, Les Biches Sauvages en de Groupe de Libération Homosexuelle. Uit een radioprogramma, Antenne Rose, kwam Tels Quels voort. Tels Quels werd in de jaren 1980 en 1990 de belangrijkste speler in Franstalig België. Lange tijd was de Communauté du Christ Libérateur, opgericht in de jaren 1970, de enige groep met vertakkingen in het landelijke deel van Wallonië.

De bloeiperiode die de jaren 1970 gestart was in Vlaanderen, kwam vrij abrupt ten einde. Aan het begin van de jaren 1980 doken de eerste berichten op over een mysterieuze ziekte, die vanaf 1982 werd aangeduid met de naam aids. De pers schilderde aids af als een homoziekte. De holebibeweging vreesde gestigmatiseerd te worden en gaf de aidswerking grotendeels uit handen. De economische crisis versterkte de angst en paniek. Holebi’s kropen terug in de kast of werden actief buiten de beweging. De maatschappij schoof op naar rechts. De beweging kreeg te maken met de homofobe standpunten van het Vlaams Blok. Enkele rechtszaken zorgden voor veel ophef binnen de beweging. Zo was er de rechtszaak in verband met het ontslag van de lesbische lerares Eliane Morissens; de rechtszaak rond de sluiting van de Macho-(homo)sauna’s van (barman) Rudy Haenen en (professor in de rechten aan de ULB) Michel Vincineau en de rechtszaak die Paul De Mol had ingespannen tegen enkele leden van het Vlaams Blok die hem hadden aangevallen tijdens een pamflettenactie. Door de afschaffing van artikel 372bis viel ook nog eens een belangrijke verenigende factor weg. Binnen de Federatie Werkgroepen Homofilie kwamen allerlei spanningen aan de oppervlakte en even leek het er op dat de koepel zou verdwijnen. Ook andere groepen, zoals het Roze Aktiefront en het Gespreks- en Onthaalcentrum, hadden het moeilijk. Toch waren er een aantal lichtpuntjes. De lesbische groepen hielden redelijk goed stand en er kwamen voor het eerst lesbiennedagen. Er ontstonden aparte groepen voor jongeren die een gemengde werking uitbouwden en die met Wel Jong Niet Hetero een aparte koepel kregen. Het gezamenlijk organiseren van activiteiten door en voor homo’s en lesbiennes bleek zelfs nog te werken ook. Transgender personen begonnen zich voor het eerst te organiseren en ze vonden elkaar in zelfhulpgroepen zoals Franjepoot en de Genderstichting.

Uiteindelijk slaagde de Federatie Werkgroepen Homofilie erin om overeind te krabbelen. De koepel verhuisde naar Gent en de naam werd gewijzigd in Federatie Werkgroepen Homoseksualiteit. Er kon een nieuw en gemotiveerd bestuur aangetrokken worden en een kleine maar krachtdadige ploeg medewerkers samengesteld worden. Tegen het midden van de jaren 1990 was de Federatie Werkgroepen Homoseksualiteit uitgebouwd tot een sterke en strijdvaardige koepel. Er kwam een nieuwe vorm van activisme, waarbij de klemtoon werd gelegd op het ontwikkelen van een maatschappelijk en politiek draagvlak voor het verkrijgen van gelijke rechten. Een belangrijke impuls ging uit van de Roze ’90 die verenigingen en vrijwilligers samenbracht om (opnieuw) Roze Zaterdagen te organiseren. Vanaf 1996 nam de Belgian Lesbian and Gay Pride die taak over. Niet iedereen was opgetogen met die nieuwe openheid. Het Gespreks- en Onthaalcentrum distantieerde zich van de eerste Roze Zaterdag. Het (Antwerpse) Gespreks- en Onthaalcentrum probeerde zich te profileren als een alternatieve koepel naast de (Gentse) Federatie Werkgroepen Homoseksualiteit. Met het oog daarop werd de naam van het centrum gewijzigd in Liga van Gespreks- en Onthaal Centra voor Homo’s. Het voornemen mislukte, maar zorgde voor heel wat conflicten en spanningen die duurden tot aan de ontbinding van de Liga in 2006.

De holebibeweging zette vanaf de jaren 1990 volop in op het realiseren van een aantal politieke eisen. Niet zonder succes. De Vlaamse regering stelde in 1995 voor het eerst een Vlaamse minister voor Gelijke Kansen aan, die ook holebi’s opnam als doelgroep. In 1996 ging de stad Antwerpen van start met een samenlevingsregister waarin partners van hetzelfde geslacht hun samenlevingscontract konden laten registreren. Juridisch had die registratie weinig gevolgen, maar de symbolische impact was enorm. Voor het eerst werd het erg duidelijk dat er niet alleen nood was aan een wettelijke regeling voor partners van hetzelfde geslacht, maar ook dat daar een maatschappelijk draagvlak voor bestond. Voorlopig lag een dergelijke regeling nog erg moeilijk op federaal vlak. Het abortustrauma, dat ervoor zorgde dat de CVP niet wilde weten van wisselmeerderheden rond ethische thema’s, bemoeilijkte de discussie. De CVP wilde
aanvankelijk niet veel verder gaan dan een minimale wet rond het wettelijk samenwonen. Een algemene antidiscriminatiewet was onbespreekbaar. De realisatie van de politieke eisen kwam in een stroomversnelling terecht nadat in 1999 een paars-groene regering werd gevormd die zich profileerde op ethische thema’s. In 2003 kreeg België, onder Europese druk, eindelijk een algemene antidiscriminatiewet. In 2003 werd in België ook het huwelijk opengesteld voor partners van hetzelfde geslacht. België was, na Nederland, het tweede land ter wereld dat het huwelijk openstelde. In 2006 volgde nog de openstelling van de adoptie en in 2007 werd de wet betreffende de transseksualiteit goedgekeurd. In 2014 werd het automatisch ouderschap voor meemoeders mogelijk gemaakt.

De holebi- en transgenderbeweging bloeide als nooit tevoren. Er ontstonden tal van nieuwe groepen. Die vonden elkaar in de Holebifederatie, de nieuwe naam van de Federatie Werkgroepen Homoseksualiteit. Met het oprichten van Roze Huizen in de grote steden werd de regionalisering van de beweging ingezet. Ook op thematisch vlak kwam er een grote diversifiëring. Er werden groepen voor ouderen opgericht, sportverenigingen, groepen voor holebi’s met een beperking,… Dat ging behoorlijk breed: in 2002 heeft bijvoorbeeld de oprichting van Merhaba plaats, een zelforganisatie van vrouwen en mannen met roots in de Maghreb, het Midden-Oosten en Turkije, die zich aangetrokken voelen tot mensen van dezelfde sekse en/of vragen hebben rond hun seksuele geaardheid of genderidentiteit.2

In 2005 besliste de Holebifederatie om ook het transgenderthema op te nemen. Daardoor was de naam niet meer geschikt. De koepel kreeg in 2009 een nieuwe naam. Voortaan zou de koepel çavaria heten en zich expliciet richten op holebi’s en transgender personen. Voor die laatste doelgroep kwam er een aparte T-day en een Transgender Infopunt.

In Franstalig België werd in 1999 de Fédération des Associations Gayes et Lesbiennes opgericht. De koepelvereniging kon niet overleven door een gebrek aan financiële middelen. In 2005 kwam er met Trans-Action een eerste Franstalige groep voor transgender personen. In 2007 werd een nieuwe koepelvereniging, Arc-en-Ciel Wallonie, gevormd. Er kwam een aparte koepel voor Franstalige Brusselse verenigingen, Coordination Holebi Bruxelles. Ten slotte overkoepelt Tels Quels, dat nog steeds bestaat, verschillende verenigingen.

2. Terminologie

De beweging is uitgegroeid tot een holebi- en transgenderbeweging. Zo gebruikt de koepelvereniging çavaria de slogan “opkomen voor holebi’s en transgenders“.

In de jaren 1950 werden homoseksuele mannen en lesbische vrouwen aangeduid met de term ‘homoseksueel’. Vanuit het ICSE werd de term ‘homofiel’ uitgedragen en gepopulariseerd. Homoseksueel, zo vond men, legde te veel de nadruk op het seksuele. Homoseksueel verwees naar een bepaald gedrag. Homofiel had veeleer betrekking op een persoon die hield van iemand van hetzelfde geslacht. Homofiel vond snel ingang, maar vanaf de jaren 1970 werd homoseksueel opnieuw gebruikelijk onder invloed van de radicalere groepen. Zo verwierp de Rooie Vlinder nadrukkelijk het volgens hen veel te deftige homofiel. Ze gebruikten homoseksueel, naast de term ‘janet’. Die laatste term was eigenlijk een scheld- of spotnaam, maar de Rooie Vlinder maakte er een geuzennaam van. In de jaren 1980 werd de Engelstalige term ‘gay’ populair (‘gay’ werd bijvoorbeeld gebruikt voor tijdschriften zoals Gay Krant en Gai Pied).

Om homoseksuele vrouwen aan te duiden vond de term ‘lesbisch’ meer en meer ingang vanaf de jaren 1970. Lesbiennes vonden homoseksueel te verhullend en te mannelijk. Radicalere lesbiennes gebruikten termen als ‘heks’ en ‘pot’. Vanaf de jaren 1980 dook ook de Engelstalige term ‘dyke’ op (‘dyke’ werd bijvoorbeeld gebruikt voor ‘dykes on bikes’ of motorrijdende vrouwen).

Aan het begin van de jaren 1990 werd de overkoepelende term ‘holebi’ gelanceerd vanuit de Federatie Werkgroepen Homoseksualiteit. Tijdens de zoektocht naar een benaming voor een prijs die de Federatie Werkgroepen Homoseksualiteit wilde toekennen aan iemand die zich verdienstelijk had gemaakt in de beweging, kwam een bestuurslid met holebi op de proppen. Het woord staat voor homoseksuelen, lesbiennes en biseksuelen en kwam in 1999 in de Grote Van Daele terecht. Het gebruik van de overkoepelende term blijft controversieel. Sommigen verwerpen het gebruik van holebi omdat ze zich homoseksueel, lesbisch of biseksueel voelen, maar geen combinatie van deze drie. Holebi verwijst ook naar biseksuelen, alhoewel de aandacht voor, en de zichtbaarheid van, deze groep binnen de beweging niet alleen beperkt is, maar ook van vrij recente datum. Ten slotte herkennen transgender personen zich niet in het woord holebi, dat soms aangevuld wordt tot holebitrans.

Ook de Franstalige terminologie is erg divers met woorden zoals homosexuel(le), homophile, homo, pédé, gay, lesbienne, gouine, goudou, lesbigay en zelfs holebi.

De term ‘transgender’ wordt meestal gebruikt als overkoepelende term voor travestie, transgenderisme en transseksualiteit (en alle andere vormen van gendervariantie). Travestieten kleden zich in kleding die door de maatschappij wordt geacht te behoren tot het tegenovergestelde geslacht. Transgenderisten kiezen er vaak voor om (regelmatig tot altijd) te leven in de genderrol3 die wordt geacht te behoren bij het tegenovergestelde geslacht,4 terwijl sommigen proberen de klassieke tweedeling te doorbreken of te overstijgen. Bij transseksuelen is de genderidentiteit5 tegenovergesteld aan het fysieke geslacht. Wanneer de transseksuele persoon het niet langer aankan om te leven in een lichaam dat niet klopt, dan kan via hormonen en chirurgische ingrepen het lichaam worden aangepast aan de genderidentiteit. Cisgender staat dan weer voor niet-transgender. Bij cisgenders is de genderidentiteit en/of genderrol in overeenstemming met wat de maatschappij passend vindt bij het fysieke geslacht. Daarnaast wordt
de term ‘transgender’ ook gebruikt voor een persoon bij wie de genderidentiteit en/of genderrol anders is dan wordt verwacht door de maatschappij bij het fysieke geslacht van die persoon te behoren.6

Er is nog geen sluitende terminologie. Zo wordt steeds meer de overkoepelende term ‘trans personen’ gebruikt. Ook de term ‘trans*’ of ‘trans-‘ komt meer en meer voor als paraplubegrip voor alle individuen die op een of andere manier afwijken van de dominante standaard met betrekking tot geslacht. Het sterretje of streepje staat voor het open-einde karakter van de term.7

Interseksuele personen hebben nog niet echt een plaats gevonden in de holebi- en transgenderbeweging. Het betreft personen die geboren werden met de geslachtskenmerken van beide geslachten. Toch is er vanuit de beweging belangstelling om ook rond interseksualiteit te werken. Hetzelfde geldt voor aseksuele personen, dat zijn personen die geen seksuele gevoelens hebben.

De beweging is van een homobeweging geëvolueerd naar een LHBT-beweging (wat staat voor lesbiennes, homo’s, biseksuelen en transseksuelen/transgenders) en overigens snel op weg om een LHBTI-beweging te worden (wat staat voor lesbiennes, homo’s, biseksuelen, transseksuelen/transgenders en interseksuelen). Ook de equivalente Engelstalige afkortingen LGBT en LGBTI worden courant gebruikt. De Engelstalige afkorting wordt vaak aangevuld met de letter Q – die soms staat voor (het militante) ‘queer’ en soms voor (het zoekende) ‘questioning’ – tot LGBTQ of LGBTQI. Ten slotte vindt de afkorting SOGI – die staat voor Sexual Orientation and Gender Identity – meer en meer ingang.

3. Geschiedschrijving

Er is in België relatief weinig historisch onderzoek gepubliceerd over de holebi- en transgenderbeweging. In wat volgt worden, zonder volledigheid na te streven, een aantal bronnen vermeld die als startpunt kunnen dienen voor het bestuderen van de holebi- en transgenderbeweging vanuit historisch perspectief.

Naast die bronnen kan ook verwezen worden naar het boek Holebipioniers. Een geschiedenis van de holebi- en transgenderbeweging in Vlaanderen8 en de daarin opgenomen bibliografie. Het boek ontstond in het kader van een erfgoedproject van Het Roze Huis – çavaria Antwerpen. Naar aanleiding van dat project werden 35 getuigenissen verzameld van holebi’s en transgender personen. Ze dienden voor het samenstellen van
het boek, voor enkele radioprogramma’s op een lokale zender en voor een educatieve website (www.holebipioniers.be).9 In het boek wordt het ontstaan en de evolutie van de holebi- en transgenderbeweging in Vlaanderen geschetst. Er is ook aandacht voor de algemene maatschappelijke ontwikkelingen, de internationale context en de cultuur.

Een beknopt overzicht van de geschiedenis van de holebibeweging in Vlaanderen is te vinden in de kroniek Een halve eeuw (in) beweging, in het boek Vlaanderen vrijt! 50 jaar seks in Vlaanderen en in het boek Begeerte heeft ons aangeraakt. Socialisten, sekse en seksualiteit.10 Een aantal studies gaan dieper in op bepaalde thema’s of op een bepaalde periode. Zo zijn er studies over de aidsepidemie in Vlaanderen, de totstandkoming van de antidiscriminatiewetgeving, de openstelling van het huwelijk, de openstelling van de adoptie en de politieke-maatschappelijke ontwikkelingen vanaf het midden van de jaren 1980.11 Nuttige informatie is ook te vinden in een aantal tijdsdocumenten zoals de boeken Een ander strand en Heerlijk.12 In het Jaarboek Seksualiteit Relaties Geboorteregeling van het toenmalige Centrum voor Geboorteregeling en Seksuele Opvoeding werden kronieken opgenomen over de holebibeweging. Na het stopzetten van het jaarboek verschenen nog enkele kronieken in de bundel Lief en Leed die door Sensoa werd uitgegeven. De kronieken geven een overzicht dat begint rond 1985 en loopt tot 2010. Het Fonds Suzan Daniel geeft het tijdschrift Het ondraaglijk besef uit waarin telkens diverse aspecten van de holebi- en transgendergeschiedenis aan bod komen.

De opmerking dat er in België relatief weinig historisch onderzoek werd gepubliceerd over de holebi- en transgenderbeweging geldt zeker voor wat betreft de beweging in Franstalig België.13 Ook over de transgenderbeweging is weinig materiaal beschikbaar.14 Over de positie van biseksuelen en interseksuelen in de beweging werd nagenoeg nog niets gepubliceerd. Slechts een beperkt aantal studies gaat dieper in op de situatie van lesbische vrouwen en de lesbiennebeweging.15 Er zijn ten slotte enkele studies in het Engels beschikbaar.16

In het buitenland werd heel wat meer historisch onderzoek gepubliceerd over de holebi- en transgenderbeweging. In het boek Van alle tijden, in alle culturen komt de wereldgeschiedenis van homoseksualiteit aan bod.17 Een stand van zaken van het wetenschappelijk (historisch) onderzoek over holebi-activisme is te vinden in The Ashgate Research Companion to Lesbian and Gay Activism.18

4. Op zoek naar bronnen

Heel wat erfgoedmateriaal met betrekking tot holebi’s en transgender personen ging verloren. Niet zelden gebeurde het dat erfgenamen persoonlijke zaken zoals brieven en foto’s snel lieten verdwijnen. In 1996 werd in Gent het Fonds Suzan Daniel opgericht door een aantal vrijwilligers (www.fondssuzandaniel.be). Het fonds verzamelt alle mogelijke materialen met betrekking tot het holebi- en transgenderverleden en is uitgegroeid tot het grootste holebi- en transgenderdocumentatiecentrum van België. Het fonds omvat archieven en nieuwsbrieven van holebi- en transgenderverenigingen, foto’s en documenten van holebi’s en transgender personen en een uitgebreide collectie boeken en tijdschriften. Daarnaast verzamelt het fonds ook zaken zoals strooibriefjes, affiches, gadgets, condoomverpakkingen en T-shirts. Het fonds geeft jaarlijks het tijdschrift Het ondraaglijk besef uit. Het Fonds Suzan Daniel werkt samen met het Amsab-Instituut voor Sociale Geschiedenis, het KADOC-Documentatie- en Onderzoekscentrum voor Religie, Cultuur en Samenleving, het AVG-Archief- en Onderzoekscentrum
voor Vrouwengeschiedenis, het Liberaal Archief en het ADVN-Archief en Documentatiecentrum voor het Vlaams-nationalisme.

Heel wat documentatiemateriaal is ook te vinden bij RoSa in Brussel (www.rosavzw.be) en bij IHLIA in Amsterdam (www.ihlia.nl). Wie op zoek is naar informatie over holebi- en transgenderthema’s kan via de zoekmachines van het Fonds Suzan Daniel, RoSa en IHLIA al heel wat bronnen terugvinden.

Een belangrijke informatiebron zijn de vele tijdschriften voor homo’s en lesbiennes, zoals Ontmoeting (1966-1970), de Rooie Vlinder (1977-1981), de Homokrant (later de Homo- en Lesbiennekrant) (1979-1993), de Janet van Antwerpen (later de Janet) (1983-1993), Uitkomst (1989-2005) en ZiZo (vanaf 1993). Het Nederlandse wetenschappelijke tijdschrift Homologie (1978-1997) bevat eveneens tal van nuttige bijdragen. IHLIA digitaliseerde een aantal (Nederlandse en internationale) tijdschriften. Ze kunnen geraadpleegd worden op de website van IHLIA (www.ihlia.nl). Er zijn geen Belgische tijdschriften bij. Voorzichtigheid is geboden bij het gebruik van artikels uit tijdschriften voor homo’s en lesbiennes. Heel wat geschreven materiaal is afkomstig van personen die rechtstreeks betrokken waren bij de beweging. Regelmatig waren er conflicten binnen de beweging. Daardoor geven de geschreven bronnen vaak een vertekend, gekleurd en eenzijdig beeld.

Niet alleen in de tijdschriften voor homo’s en lesbiennes, maar ook in juridische19 en andere20 tijdschriften kunnen artikels worden teruggevonden over homoseksualiteit.

Ook interviews vormen een belangrijke informatiebron. De 35 interviews die werden afgenomen in het kader van het erfgoedproject Holebipioniers werden bijvoorbeeld geregistreerd met een videocamera. Het materiaal werd overgedragen aan het Fonds Suzan Daniel. Ook bij het gebruik van deze informatiebron is voorzichtigheid geboden. Heel wat betrokkenen zijn overleden, waardoor het niet meer mogelijk is om uiteenlopende visies met elkaar te confronteren. Personen die nog wel geïnterviewd kunnen worden, herinneren zich vaak geen (exacte) data of namen meer. Vaak zijn het dezelfde personen die geïnterviewd (willen) worden.

Wat meer in het bijzonder beeldmateriaal betreft kan onder meer verwezen worden naar het televisieprogramma “De historie van de holebi” dat in 2004 werd uitgezonden in de reeks Histories op Canvas en naar de website www.holebipioniers.be. Voor wat betreft geluidsmateriaal zijn onder meer de opnames van het radioprogramma Pinkwave, dat van 1995 tot 2013 werd uitgezonden op de Antwerpse lokale zender Radio Centraal, van belang. De opnames (waaronder tal van interviews, debatten en nieuwsberichten) worden bijgehouden in het Fonds Suzan Daniel.

Er worden in België verschillende archieven bewaard van personen die betrokken waren bij de beweging en van verenigingen (www.archiefbank.be), waaronder het archief van Paul Rademakers, Atthis (1978-1998), de Holebifederatie (1972-1998) en de Rooie Vlinder (1976-1982). Het materiaal zit erg verspreid in de archieven. Niet alle archieven zijn toegankelijk en/of ontsloten. Heel wat materiaal ging verloren.

Daarnaast zijn ook de politionele en gerechtelijke archieven van belang (bijvoorbeeld in verband met het repressieve optreden tegenover homo’s en lesbiennes op basis van de strafwetgeving over ontucht en openbare zedenschennis en op basis van artikel 372bis van het Strafwetboek). Informatie is wellicht ook te vinden in medische archieven (bijvoorbeeld over de pogingen om homoseksualiteit te genezen door medische ingrepen en/of therapie en over de aidscrisis) en in overheidsarchieven (bijvoorbeeld over het gelijke kansenbeleid en de aanpak van de aidscrisis).

De erg diverse terminologie maakt het historisch onderzoek er niet makkelijker op. Termen werden (en worden) op uiteenlopende manieren geschreven. Zo komen zowel homosexueel als homoseksueel, homophiel als homofiel en (in het Frans) gay als gai voor. Ook het woord janet vormt een mooi voorbeeld. Het woord is afkomstig van ‘les jeannettes’, de op Jeanne d’Arc terug te voeren benaming voor de Franse meisjesscouts, en wordt geschreven als jeannette, jeanet, janet,… Vaak werd in bedekte termen geschreven over homoseksuelen en transgenders. De betrokkenen gebruikten soms (verschillende) schuilnamen. De verhullende benamingen voor de verenigingen – zoals Gesprekscentrum, Groep Rode Hond, Catal Hüyük of çavaria – bemoeilijken eveneens het onderzoek. Omdat er, ten slotte, nauwelijks of geen fundamenteel wetenschappelijk onderzoek gebeurde in België in verband met holebi’s en transgenders, werden (en worden) uit buitenlandse studies voorbeelden en stellingen gehaald die zonder meer werden (en worden) geprojecteerd op Belgische toestanden. Een mooi voorbeeld vormt de ‘homocaust’. In de jaren 1970 gingen in België (bepaalde groepen) homo’s en lesbiennes een roze driehoek (voor homoseksuele mannen) of een zwarte driehoek (voor lesbische vrouwen) als symbool gebruiken. Beide driehoeken verwezen naar de driehoeken die in de naziconcentratiekampen werden gebruikt om homoseksuelen
en ‘asocialen’ (waaronder lesbiennes) aan te duiden. Enkele Franstalige leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers lanceerden in 2001 een resolutie om de deportatie van homoseksuelen tijdens het naziregime te laten erkennen. In Verviers werd in 2007 een herinneringsplaque onthuld met de figuur van een kaalgeschoren man in een gestreept plunje en met een roze driehoek. Nochtans is er – voor zover bekend – niet één Belg gedeporteerd vanwege zijn homoseksualiteit.21

5. De holebi- en transgenderbeweging vanuit vrijzinnig-humanistisch perspectief

Het humanisme is van bij zijn ontstaan een ontvoogdingsbeweging geweest. Emancipatie was en is nog steeds het streven van elke humanistische beweging. Alle sociaal onderdrukte groepen – vrouwen, jongeren, bejaarden, homo-seksuelen, e.a. – moeten zich nog te vaak richten naar wat anderen ze als waarden en normen voorschrijven. Men beslist voor hen hoe het moet en vooral hoe het niet mag. Onder het mom hen te beschermen, betuttelt men hen en ontzegt men hen het elementaire recht zichzelf te zijn en een eigen identiteit op te bouwen. Humanisten willen dat alle mensen mondig en weerbaar worden en dat ze zich ook als zodanig mogen en kunnen opstellen.22

Dit citaat uit de jaren 1980 klinkt mooi, maar eind jaren 1950 heerst er bij denkers als Kruithof en Van Ussel nog een zekere ambiguïteit ten opzichte van bijvoorbeeld homoseksualiteit. Ze beschouwen het nog als een afwijking, die niet gepropageerd moet worden. Pas in de jaren 1960, als het aantal wetenschappelijke studies toeneemt, komt er langzaam een kentering.23

De vrijzinnig-humanistische beweging heeft vanuit haar emancipatiestreven duidelijke standpunten ingenomen en in de praktijk gebracht met betrekking tot thema’s die van belang waren voor holebi’s (en transgender personen). Zo werd er vanuit vrijzinnig-humanistische hoek voor gepleit om medisch begeleide voortplanting mogelijk te maken voor alleenstaande en lesbische vrouwen. Het recht op voortplanting werd niet gezien als een exclusief recht voor gehuwden of langdurig samenwonende heteroseksuele koppels.24 De Vrije Universiteit Brussel maakte al in het begin van de jaren 1980 medisch begeleide voortplanting toegankelijk voor lesbische paren. De aanvragen van lesbische paren werden er benaderd vanuit het principe van het vrij onderzoek.25

Ook op andere terreinen, zoals het invoeren van partnerschapsregelingen en het omgaan met de aidsepidemie, heeft de vrijzinnig-humanistische beweging van zich laten horen. Zo werd er vanuit vrijzinnig-humanistische hoek voor gepleit om alternatieve samenlevingsvormen, met inbegrip van het homohuwelijk, juridisch te erkennen.26 De aidsepidemie werd vanuit vrijzinnig-humanistische hoek niet gezien als “een welverdiende straf voor het bandeloos laten samenspelen van het trio seksualiteit, lijfelijkheid en genot“, maar wel benaderd vanuit een serene sfeer, los van vooroordelen en taboes en wars van elk gemoraliseer.27

In de holebibeweging waren overigens vrijwilligers actief, zoals de bekende Gentse moraalwetenschapper Bob Carlier, die zich ook engageerden in de vrijzinnig-humanistische beweging.28 De diepe crisis waarin de Federatie Werkgroepen Homofilie verzeilde in de jaren 1980 had onder meer te maken met een fundamenteel conflict tussen vrijzinnigen en katholieken.

Net zoals dat het geval is voor wat betreft de holebi- en transgenderbeweging in het algemeen, is er weinig historisch onderzoek gepubliceerd over de verhouding tussen de holebi- en transgenderbeweging en de vrijzinnig-humanistische beweging. Welke rol speelden vrijzinnig-humanistisch geëngageerde holebi’s en transgender personen in de beweging? Hoe sterk woog het vrijzinnig humanisme op bepaalde thema’s zoals de invoering – en afschaffing – van artikel 372bis? Welke invloed hadden buitenlandse vrijzinnig-humanistische organisaties? In welke mate speelde in politiek geladen dossiers zoals de antidiscriminatiewet en de openstelling van het huwelijk het vrijzinnig-humanistisch gedachtegoed mee? En hoe benadert het vrijzinnig humanisme het transgenderthema? Het zijn slechts enkele zaken die het voorwerp zouden kunnen uitmaken van nader onderzoek.

6. Bijkomend onderzoek

Niet alleen de relatie met het vrijzinnig humanisme vergt bijkomend onderzoek. Er is nog heel wat braakliggend terrein. Zo waren er vóór 1953 al pogingen om in België van start te gaan met een vereniging voor homo’s en lesbiennes. Daar is nagenoeg niets over bekend. Heel wat kennis ontbreekt over de lesbische beweging en haar verhouding tot enerzijds de (mannelijke) homobeweging en anderzijds de feministische beweging. Hetzelfde geldt voor de transgenderbeweging en haar verhouding tot de holebibeweging. In de verschillende organisaties waren er regelmatig botsingen. Tussen ouderen en jongeren. Tussen vrouwen en mannen. Tussen homo’s die binnenskamers wilden werken en homo’s die de straat op wilden. De beweging slaagde er telkens in om conflicten te overwinnen. Welke dynamieken daarbij speelden werd nog niet grondig onderzocht.

Weinig is bekend over de medicalisering in België van homoseksualiteit en transseksualiteit. Nederlandse artsen probeerden homoseksuelen te genezen door middel van castratie en het is geweten dat in Nederland ook Belgische mannen werden behandeld. Werd ook in België met castratie geëxperimenteerd? Hoe wijdverspreid was de psychiatrische behandeling van homoseksuele mannen in België? Hoe evolueerde de medische behandeling van transseksuelen?

Het politionele en gerechtelijke optreden in België tegenover homoseksuelen werd evenmin systematisch onderzocht. Homoseksueel gedrag werd bestraft op basis van de strafwetgeving. Lange tijd hield de toenmalige Rijkswacht fiches bij van homoseksuele mannen. Artikel 372bis leidde meermaals tot veroordelingen. En er waren enkele spraakmakende processen. In het leger werden homoseksuele mannen lange tijd geweerd. Er is weinig over geweten. Ook over het politionele en gerechtelijke optreden tegenover transgender personen is geen onderzoek gebeurd.

En wat met de – doorheen de tijd sterk gewijzigde – houding van de politieke partijen tegenover holebi’s en transgender personen? De invloed van de ontwikkelingen in het buitenland? De emancipatie van de minderheidsgroepen binnen de beweging?

Over het dagelijkse leven van holebi’s en transgender personen is ten slotte opnieuw weinig bekend. Welke weerklank hadden de New Yorkse Stonewall-rellen in België? Of de sterk gemediatiseerde geslachtsaanpassende ingreep die Christine Jorgensen onderging in de jaren 1950? Welk beeld werd er in de pers geschetst van holebi’s en transgender personen? Hoe zat het met de subculturen? Welke impact had de aidsepidemie?

7. Het belang van bijkomend onderzoek

België heeft sinds de jaren 1950 een enorme omslag gekend op het vlak van de emancipatie van holebi’s en transgender personen. Weinigen konden zich pakweg 50 jaar geleden voorstellen dat partners van hetzelfde geslacht ooit met elkaar zouden kunnen trouwen en samen kinderen zouden kunnen adopteren. Dat het politiekorps van een middelgrote stad als Antwerpen zou geleid worden door een openlijk homoseksuele politiecommissaris. Dat aan het hoofd van de federale regering een openlijk homoseksuele premier zou staan. Of dat een openlijke trans vrouw in de Senaat zou zetelen. België was het tweede land ter wereld, na Nederland, waar het huwelijk werd opengesteld voor partners van hetzelfde geslacht. Dat gebeurde zonder noemenswaardige protesten, zoals dat bijvoorbeeld wel het geval was in Frankrijk. In Vlaanderen heeft het extreemrechtse Vlaams Blok/Belang haar homo- en transfobe standpunten ook nooit echt aan de man kunnen brengen.

In die omslag heeft de holebi- en transgenderbeweging ongetwijfeld een belangrijke rol gespeeld. De beweging slaagde erin om door te dringen tot alle geledingen van de samenleving. Eerst heel voorzichtig, dan heel confronterend, om ten slotte een compromis te vinden.

De beweging is op meerdere vlakken erg succesvol geweest. Zo slaagde de beweging erin om allerlei persoonlijke conflicten en ideologische tegenstellingen te overbruggen en uit te groeien tot een eensgezinde beweging die met één stem kon spreken. Het lukte uiteindelijk, zij het niet zonder slag of stoot, om holebi’s en transgender personen samen te brengen rond het gezamenlijke thema van de seksuele geaardheid en de genderidentiteit.

De beweging slaagde er ook in om een groot deel van haar eisen op de politieke agenda te krijgen en te laten omzetten in wetgeving en beleidsmaatregelen. Dat gebeurde in opeenvolgende stappen. Eerst werd het alledaagse van holebi’s (en later van transgender personen) zichtbaar gemaakt. Vanaf de jaren 1990 deden steeds meer bekende en onbekende holebi’s (en later ook transgender personen) hun coming-out. Er werd vervolgens volop ingezet op het bewerken van de media. Hier werkten verschillende holebi’s, maar of dit een invloed heeft gehad is niet onderzocht.

Vanaf het midden van de jaren 1990 begonnen de media steeds positiever te berichten over holebi’s (en later ook transgender personen). De eisen die de beweging naar voren schoof, zoals de antidiscriminatiewet of een partnerschapsregeling, werden gedragen door het overgrote deel van de beweging. Ze waren daarnaast duidelijk, eenvoudig, herkenbaar en acceptabel voor het grote publiek. Op die manier ontstond een breed maatschappelijk draagvlak. Daardoor werd het mogelijk om een politieke meerderheid te vinden om de eisen te realiseren. Het proces werd ondersteund door goed onderbouwde dossiers, efficiënt lobbywerk en strategische keuzes.

Het bestuderen van de emancipatie van holebi’s en transgender personen is dan ook in vele opzichten van belang. Zo draagt die studie bijvoorbeeld bij aan het in kaart brengen van de maatschappelijke factoren die ervoor zorgen dat een emancipatiebeweging voet aan de grond krijgt en haar eisen gerealiseerd krijgt. Ze kan een antwoord bieden op de vraag of, en onder welke omstandigheden, de bereikte emancipatie kan teruggeschroefd worden. En ze kan de verhouding tussen de verschillende emancipatiebewegingen, en de manier waarop ze elkaar al dan niet versterken, in kaart brengen. Andere emancipatiebewegingen – in België en in het buitenland – staan een stuk minder ver dan de Belgische holebi- en transgenderbeweging. Het succesverhaal van de Belgische holebi- en transgenderbeweging kan hen ongetwijfeld helpen en inspireren.

Bibliografie

  • Aldrich R. (red.), Van alle tijden, in alle culturen. Wereldgeschiedenis van de homoseksualiteit, Antwerpen, Standaard Uitgeverij, 2006, 384 p.
  • Arend-Chevron C., La loi du 13 février 2003 ouvrant le mariage à des personnes de même sexe, Brussel, CRISP, 2003, 41 p.
  • Berghmans A., Moet het homosexueel delict (artikel 372bis) uit het strafwetboek verdwijnen?, in Rechtskundig Weekblad, 1969-1970, p. 1077-1084.
  • Bonte H., Ho C., Rombouts M., Rys B., Van Hove H., 50 jaar strijd om gelijkheid, Brussel, Rosa, 2014, 115 p.
  • Borghs P., Holebipioniers. Een geschiedenis van de holebi- en transgenderbeweging in Vlaanderen, Antwerpen, Uitgeverij ‘t Verschil, 2015, 360 p.
  • Borghs P., Holebi’s in België (1985-2004). Krachtlijnen van een emancipatiestrijd, in Spee S., Lodewyckx I., Motmans A. & Van Haegendoren M. (red.), Wachten op gelijke kansen. Jaarboek 2, Antwerpen, Garant, 2004 p. 93-116.
  • Borghs P., Van achterblijver tot koploper. Holebirechten onder paars(-groen) (1999-2007), in Brood & Rozen, 3 (2008), p. 49-73.
  • Borghs P. & Eeckhout B., LGB Rights in Belgium, 1999-2007: a Historical Survey of a Velvet Revolution, in International Journal of Law, Policy and the Family, 24 (2010), 1, p. 1-28.
  • Cantillon D., de Munter K., Goris J. & Hertecant J. (red.), Een ander strand, Antwerpen, Stichting Rozegeur, 1982, 153 p.
  • Carlier B., Homoseksualiteit als minderheidsverschijnsel, in Kultuurleven, 6 (1974), p. 681-693.
  • Charles R., Propos sur l’article 372bis du code pénal (article 87 de la loi du 8 avril 1965 sur la protection de la jeunesse), in Revue de droit pénal et de criminologie, 11 (1982), p. 809-835.
  • David A. & Meyntens M., Oud=Out. Ervaringen van lesbische een biseksuele vrouwen geboren voor 1945, Antwerpen, Uitgeverij ‘t Verschil, 2009, 151 p.
  • De Batselier S., Kern-homofilie, in Streven, 34 (1966-1967), 1-6, p. 440-448.
  • De Bruyne J., Openbare schennis van de goede zeden, Brussel, Bruylant, 1964, 145 p.
  • De Gendt L., Lesbiennegroepen in Vlaanderen tussen 1974 en 1994. Lesbiennes, thuis in (w)elke beweging?, Leuven, KUL (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1995, 191 p.
  • De Temmerman W., Ten geleide, in De Temmerman W. (red.), Bob Carlier. Diep en duizendvoudig leven. Over seksualiteit, relaties en ethiek, Brussel, VUBPress, 1993, p. 14.
  • De Wit J., Van Eeghem K. & Jansen Y., Heerlijk. Over mannelijke homoseksualiteit, Leuven, Kritak, 1982, 226 p.
  • De Wit J., Veelslachtige homobeweging, in De Nieuwe Maand, 25 (1982), 9, p. 703-715.
  • De Wit J. & De Mol P., Maurice is nog altijd ongelukkig. Klaagzang om de homo’s, in De Nieuwe Maand, 3 (1988), p. 5-10.
  • De Wit John, De zaak Haenen-Vincineau. Homoseksualiteit als wettelijk strafbare ontucht in België, in Recht en Kritiek, 31 (1987), 13, p. 243-258.
  • De Zegher J., Openbare zedenschennis, Gent, E. Story-Scientia, 1973, 225 p.
  • Dieleman K., Seksuele voorlichting binnen vrijzinnige kringen in Vlaanderen, 1955-1977. De Belgische Vereniging voor Seksuele Voorlichting, Gent (onuitgegeven masterproef), 2016.
  • Eeckhout B., Queer in Belgium: Ignorance, Goodwill, Compromise, in Dowling, L. & Gillett R. (red.), Queer in Europe, Burlington, Ashgate, 2011, p. 11-24.
  • Eeckhout B. & Paternotte D., A Paradise for LGBT Rights? The paradox of Belgium, in Journal of Homosexuality, 58 (2011), 8, p. 1054-1084.
  • Ganzevoort A., Tussen norm, ideaal en politieke realiteit. ‘Afwijkend’ seksueel gedrag en Belgisch links, in De Weerdt D. (red.), Begeerte heeft ons aangeraakt. Socialisten, sekse en seksualiteit, Gent, Provinciebestuur Oost-Vlaanderen en Archief en Museum van de Socialistische Arbeidersbeweging, 1999, p. 239-277.
  • Ghysbrecht P., De forensische beoordeling van sexuele delinquenten, in Rechtskundig Weekblad, 1961-1962, p. 2249-2258.
  • Hellinck B., Een halve eeuw (in) beweging. Een kroniek van de Vlaamse holebibeweging, Gent, Federatie Werkgroepen Homoseksualiteit, 2002, 42 p.
  • Hellinck B., Na een echt kongres. Met sprekers en een verslag. Bijdrage tot de geschiedenis van de homobeweging in Vlaanderen (1953-1985), Gent, Universiteit Gent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling),
    1995, 278 p.
  • Hellinck B., Een droom waarvan we nooit konden vermoeden dat hij mogelijk zou zijn. Bijdrage tot de geschiedenis van 50 jaar homo- en lesbiennebeweging in Vlaanderen (1953-2003), Gent, Holebifederatie, 2003, 214 p.
  • Hellinck B., Over integratie en confrontatie. Ontwikkelingen in de homo- en lesbiennebeweging, in Bijdragen tot de eigentijdse geschiedenis, 18 (2007), p. 109.
  • Hellinck B., 1981-2006. 25 jaar strijd tegen aids in Vlaanderen, Gent, Fonds Suzan Daniel, 2006.
  • Herbrand C., L’adoption par les couples de même sexe, Brussel, CRISP, 2006, 72 p.
  • Hooghe M., Aspecten van het discours inzake sexuele moraal. Vlaanderen 1955-1980, Gent, Universiteit Gent, XI & 478 p.
  • Lahaye N., L’Outrage aux moeurs, Brussel, Bruylant, 1980, 469 p.
  • Lemmens P., Homoseksualiteit, privé-leven en discriminatieverbod, in Rechtskundig Weekblad, 1982-1983, p. 1912-1913.
  • Ley A. & Marchal A., L’Homosexualité. Etude medico-juridique, in Revue de droit pénal et de criminologie, 4 (1955-1956), p. 323-341.
  • Massion-Verniory L. & Charles R., Aspects médico-psychologiques, sociaux et juridiques de l’homophilie, in Revue de droit pénal et de criminologie, 3 (1957-1958), p. 241-327.
  • Mertens de Wilmars J., Homo 372bis, in Rechtskundig Weekblad, 1969-1970, p. 839-844.
  • Motmans J., De transgenderbeweging in Vlaanderen en Brussel in kaart gebracht: organisatiekenmerken, netwerken en strijdpunten, Antwerpen, Steunpunt Gelijkekansenbeleid, 2006, 147 p.
  • Motmans J., Leven als transgender in België. De sociale en juridische situatie van transgender personen in kaart gebracht, Brussel, Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, 2009.
  • Ost F. & van de Kerchove M., Bonnes moeurs, discours pénal et rationalité juridique, Brussel, Facultés Universitaires Saint-Louis, 1981, 155 p.
  • Paternotte D., Quinze ans de débats sur la reconnaissance légale des couples de même sexe, Brussel, CRISP, 2004, 81 p.
  • Paternotte D. & Dewaele A., Belgium, in Stewart C. (red.), The Greenwood Encyclopedia of LGBT Issues Worldwide 2, Santa Barbara, Greenwood Press, 2010, p. 49-64.
  • Paternotte D., Revendiquer le mariage gay. Belgique, France, Espagne, Brussel, Editions de l’Université de Bruxelles, 2011, 211 p.
  • Paternotte D., Belgium: The Paradoxical Strenght of Disunion, in Tremblay M., Paternotte D. & Johnson C. (red.), The Lesbian and Gay Movement and the State, Burlington, Ashgate, 2011, p. 43-56.
  • Paternotte D. & Tremblay M. (red.), The Ashgate Research Companion to Lesbian and Gay Activism, Burlington, Ashgate, 2015, 363 p.
  • Poupart J.P., Les problèmes de la délinquance sexuelle sous leurs aspects médico-psychologiques et juridiques, in Revue de droit pénal et de criminologie, 11 (1964-1965), p. 807-836.
  • Rubens R., Transseksualiteit in diverse culturen en in de geschiedenis, in T’Sjoen G., Van Trotsenburg M. & Gijs L. (red.), Transgenderzorg, Leuven, Acco, 2013, p. 53-60.
  • Sägesser C., La loi anti-discrimination, Brussel, CRISP, 2005, 68 p.
  • Servais J.F., Enkele psychologische overwegingen met betrekking tot het probleem van de homoseksualiteit, in Bulletin van het bestuur strafinrichtingen, 5 (1977), p. 137-156.
  • Trommelmans W., De Roze mens, in Trommelmans W. (red.), Vlaanderen vrijt! 50 jaar seks in Vlaanderen, Leuven, Van Halewyck, 2006, p. 93-1050.
  • Vandeplas A., Naar homoseksuele vrijheid?, in Rechtskundig Weekblad, 1985-1986, p. 281.
  • Vanhaelewyn M., Homotrots op een heterotrottoir. Over holebimonumenten in België, in Bijdragen tot de eigentijdse geschiedenis, 20 (2008), p. 233-255.
  • Van Kerckhove C., Inleiding, in Desmedt L. & Van Kerckhove C. (red.), Aids. Een humanistische visie, Antwerpen, Humanistische Vrijzinnige Dienst, 1996, p. 8.
  • Van Ryckeghem M., Oyen A. & Franco J., Discriminerende heteronormaliteit: drie kritieken, in Boeykens L. & François K. (red.), Familie. Een humanistische benadering, Brussel, VUBPress, 1994, p. 107-117.
  • Volcher R., Quelques aspects médico-psychologiques de la délinquance sexuelle, in Revue de droit pénal et de criminologie, 11 (1964-1965), p. 837-868.
  • Chronique féministe, themanummer Féminismes et lesbianismes, 103-104 (2009).
  • www.rosavzw.be/genderindeblender.
  • www.holebipioniers.be
  • www.ihlia.nl/informatiebalie/links/#Geschiedenis.

Voetnoten

  1. In deze korte historiek (hoofdzakelijk gebaseerd op Paul Borghs, Holebipioniers. Een geschiedenis van de holebi- en transgenderbeweging in Vlaanderen, Antwerpen, Uitgeverij ‘t Verschil, 2015) wordt de geschiedenis van de holebi- en transgenderbeweging in vogelvlucht weergegeven. Er wordt daarbij gebruik gemaakt van de hedendaagse termen ‘holebi’ en ‘transgender’. Verderop in de tekst worden enkele kanttekeningen geplaatst bij die termen en wordt dieper ingegaan op de verschillende termen die gebruikt werden vanaf de jaren 1950.
  2. www.merhaba.be/over-merhaba/historiek.
  3. Genderrol is de sociale rol die de maatschappij op basis van het geslacht oplegt.
  4. Geslacht (of sekse) is het lichamelijke aspect van vrouwelijkheid en mannelijkheid.
  5. Genderidentiteit is de innerlijk beleefde manier van vrouw en/of man zijn.
  6. De definities zijn gebaseerd op Joz Motmans, Leven als transgender in België. De sociale en juridische situatie van transgender personen in kaart gebracht, Brussel, Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, 2009, p. 29-31 en www.rosavzw.be/genderindeblender.
  7. Marjolein van den Brink, Jet Tigchelaar & Eric Gubbels, M/V en verder. Sekseregistratie door de overheid en de juridische positie van transgenders, Den Haag, Boom Juridische Uitgevers, 2014, p. 3-4.
  8. Paul Borghs, Holebipioniers. Een geschiedenis van de holebi- en transgenderbeweging in Vlaanderen, Antwerpen, Uitgeverij ‘t Verschil, 2015.
  9. De website www.holebipioniers.be is specifiek gewijd aan de geschiedenis van de Vlaamse holebi- en transgenderbeweging. Andere Belgische websites – zoals www.cavaria.be, www.wjnh.be, www.sensoa.be, www.transgenderinfo.be, www.telsquels.be en www.arcenciel-wallonie.be – bevatten nauwelijks of geen historische informatie. In het buitenland bestaan er wel tal van historische websites. Een overzicht van die websites staat op www.ihlia.nl/informatiebalie/links/#Geschiedenis.
  10. Anne Ganzevoort, Tussen norm, ideaal en politieke realiteit. ‘Afwijkend’ seksueel gedrag en Belgisch links, in Denise Deweerdt (red.), Begeerte heeft ons aangeraakt. Socialisten, sekse en seksualiteit, Gent, Provinciebestuur Oost-Vlaanderen en Archief en Museum van de Socialistische Arbeidersbeweging, 1999, p. 239-277; Bart Hellinck, Een halve eeuw (in) beweging. Een kroniek van de Vlaamse holebibeweging, Gent, Federatie Werkgroepen Homoseksualiteit, 2002; Wim Trommelmans, Vlaanderen vrijt! 50 jaar seks in Vlaanderen, Leuven, Van Halewyck, 2006, p. 93-105. De kroniek Een halve eeuw (in) beweging is gebaseerd op de onuitgegeven licentiaatsverhandeling van Bart Hellinck, Na een echt kongres. Met sprekers en een verslag. Bijdrage tot de geschiedenis van de homobeweging in Vlaanderen (1953-1985), Gent, Universiteit Gent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1995, die aanvankelijk herwerkt werd tot zijn in beperkte mate verspreide studie Een droom waarvan we nooit konden vermoeden dat hij mogelijk zou zijn. Bijdrage tot de geschiedenis van 50 jaar homo- en lesbiennebeweging in Vlaanderen (1953-2003), Gent, Holebifederatie, 2003. Deze publicatie werd samengevat in zijn wetenschappelijk artikel Over integratie en confrontatie. Ontwikkelingen in de homo- en lesbiennebeweging, in Bijdragen tot de eigentijdse geschiedenis, 18 (2007), p. 109-130, online te raadplegen via www.journalbelgianhistory.be/nl/system/files/article_pdf/chtp18_005_Hellinck.pdf. Een andere nuttige bron is volgende onuitgegeven licentiaatsverhandeling: Marc Hooghe, Aspecten van het discours inzake sexuele moraal. Vlaanderen 1955-1980, Gent, Universiteit Gent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1987.
  11. Christelle Arend-Chevron, La loi du 13 février 2003 ouvrant le mariage à des personnes de même sexe, Brussel, CRISP, 2003; Paul Borghs, Holebi’s in België (1985-2004). Krachtlijnen van een emancipatiestrijd, in Sonja Spee, Ina Lodewyckx, Annemie Motmans e.a. (red.), Wachten op gelijke kansen. Jaarboek 2, Antwerpen, Garant, 2004, p. 93-116; Paul Borghs, Van achterblijver tot koploper. Holebirechten onder paars(-groen) (1999-2007), in Brood & Rozen, 3 (2008), p. 49-73; Bart Hellinck, 1981-2006. 25 jaar strijd tegen aids in Vlaanderen, Gent, Fonds Suzan Daniel, 2006; Cathy Herbrand, L’adoption par les couples de même sexe, Brussel, CRISP, 2006; David Paternotte, Quinze ans de débats sur la reconnaissance légale des couples de même sexe, Brussel, CRISP, 2004; David Paternotte, Revendiquer le mariage gay. Belgique, France, Espagne, Brussel, Editions de l’Université de Bruxelles, 2011; Caroline Sägesser, La loi anti-discrimination, Brussel, CRISP, 2005.
  12. Dirk Cantillon, Krist de Munter, Jan Goris e.a. (red.), Een ander strand, Antwerpen, Stichting Rozegeur, 1982; John De Wit, Kurt Van Eeghem & Yves Jansen (red.), Heerlijk. Over mannelijke homoseksualiteit, Leuven, Kritak, 1982.
  13. Bv. David Paternotte & Alexis Dewaele, Belgium, in Chuck Stewart (red.), The Greenwood Encyclopedia of LGBT Issues Worldwide 2, Santa Barbara, Greenwood Press, 2010, p. 49-64.
  14. Bv. Joz Motmans, De transgenderbeweging in Vlaanderen en Brussel in kaart gebracht: organisatiekenmerken, netwerken en strijdpunten, Antwerpen, Steunpunt Gelijkekansenbeleid, 2006; Helena Bonte, Christin Ho, Maarten Rombouts e.a., 50 jaar strijd om gelijkheid, Brussel, Rosa, 2014; Robert Rubens, Transseksualiteit in diverse culturen en in de geschiedenis, in Guy T’Sjoen, Mick Van Trotsenburg & Luk Gijs (red.), Transgenderzorg, Leuven, Acco, 2013, p. 53-60.
  15. Bv. de onuitgegeven licentiaatsverhandeling van Lies De Gendt, Lesbiennegroepen in Vlaanderen tussen 1974 en 1994. Lesbiennes, thuis in (w)elke beweging?, Leuven, Katholieke Universiteit Leuven (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1995. Zie ook Ann David & Mips Meyntens, Oud=Out. Ervaringen van lesbische en biseksuele vrouwen geboren voor 1945, Antwerpen, Uitgeverij ‘t Verschil, 2009, alsook enkele bijdragen in een themanummer van Chronique Féministe (juli-december, 2009).
  16. Bv. Paul Borghs & Bart Eeckhout, LGB Rights in Belgium, 1999-2007: a Historical Survey of a Velvet Revolution, in International Journal of Law, Policy and the Family, 24 (2010), 1, p. 1-28; Bart Eeckhout, Queer in Belgium: Ignorance, Goodwill, Compromise, in Lisa Dowling & Robert Gillett (red.), Queer in Europe, Burlington, Ashgate, 2011, p. 11-24; Bart Eeckhout & David Paternotte, A Paradise for LGBT Rights? The paradox of Belgium, in Journal of Homosexuality, 58 (2011), 8, p. 1054-1084; David Paternotte, Belgium: The Paradoxical Strength of Disunion, in Manon Tremblay, David Paternotte & Carol Johnson (red.), The Lesbian and Gay Movement and the State, Burlington, Ashgate, 2011, p. 43-56.
  17. Robert Aldrich (red.), Van alle tijden, in alle culturen. Wereldgeschiedenis van de homoseksualiteit, Antwerpen, Standaard Uitgeverij, 2006.
  18. David Paternotte & Manon Tremblay (red.), The Ashgate Research Companion to Lesbian and Gay Activism, Burlington, Ashgate, 2015.
  19. Bv. August Ley & André Marchal, L’Homosexualité. Etude medico-juridique, in Revue de droit pénal et de criminologie, 4 (1955-1956), p. 323-341; L. Massion-Verniory & R. Charles, Aspects médicopsychologiques, sociaux et juridiques de l’homophilie, in Revue de droit pénal et de criminologie, 3 (1957-1958), p. 241-327; Paul Ghysbrecht, De forensische beoordeling van sexuele delinquenten, in Rechtskundig Weekblad, 1961-1962, p. 2249-2258; J.P. Poupart, Les problèmes de la délinquance sexuelle sous leurs aspects médico-psychologiques et juridiques, in Revue de droit pénal et de criminologie, 11 (1964-1965), p. 807-836; R. Volcher, Quelques aspects médico-psychologiques de la délinquance sexuelle, in Revue de droit pénal et de criminologie, 11 (1964-1965), p. 837-868; Jean Mertens de Wilmars, Homo 372bis, in Rechtskundig Weekblad, 1969-1970, p. 839-844; Albert Berghmans, Moet het homosexueel delict (artikel 372bis) uit het strafwetboek verdwijnen?, in Rechtskundig Weekblad, 1969-1970, p. 1077-1084; J.F. Servais, Enkele psychologische overwegingen met betrekking tot het probleem van de homoseksualiteit, in Bulletin van het bestuur strafinrichtingen, 5 (1977), p. 137-156; Paul Lemmens, Homoseksualiteit, privéleven en discriminatieverbod, in Rechtskundig Weekblad, 1982-1983, p. 1912-1913; Raymond Charles,
    Propos sur l’article 372bis du code pénal (article 87 de la loi du 8 avril 1965 sur la protection de la jeunesse), in Revue de droit pénal et de criminologie, 11 (1982), p. 809-835; Armand Vandeplas, Naar homoseksuele vrijheid?, in Rechtskundig Weekblad, 1985-1986, p. 281. Zie bv. ook Jacques De Bruyne, Openbare schennis van de goede zeden, Brussel, Bruylant, 1964; Jacques De Zegher, Openbare zedenschennis, Gent, E. Story-Scientia, 1973; Nicole Lahaye, L’Outrage aux moeurs, Brussel, Bruylant, 1980; François Ost & Michel van de Kerchove, Bonnes moeurs, discours pénal et rationalité juridique, Brussel, Facultés Universitaires Saint-Louis, 1981.
  20. Bv. Steven De Batselier, Kern-homofilie, in Streven, 1-6 (1966-1967), p. 440-448; Bob Carlier, Homoseksualiteit als minderheidsverschijnsel, in Kultuurleven, 6 (1974), p. 681-693; John De Wit, Veelslachtige
    homobeweging, in De Nieuwe Maand, 9 (1982), p. 703-715; John De Wit & Paul De Mol, Maurice is nog altijd ongelukkig. Klaagzang om de homo’s, in De Nieuwe Maand, 3 (1988), p. 5-10; John De Wit, De zaak Haenen-Vincineau. Homoseksualiteit als wettelijk strafbare ontucht in België, in Recht en Kritiek, 13 (1987), p. 243-258.
  21. Anke Hintjens, Gie van den Berghe & François Sant’Angelo, Er was in België geen homocaust, in De Standaard, 22 januari 2001, p. 7; Mathieu Vanhaelewyn, Homotrots op een heterotrottoir. Over holebimonumenten in België, in Bijdragen tot de eigentijdse geschiedenis, 20 (2008), p. 233-255.
  22. Humanistisch Verbond, Humanisme vandaag, Berchem, Epo, 1987, p. 21.
  23. K. Dieleman, Seksuele voorlichting binnen vrijzinnige kringen in Vlaanderen, 1955-1977. De Belgische Vereniging voor Seksuele Voorlichting, Gent (onuitgegeven masterproef), 2016, p. 33-38.
  24. Humanisme vandaag, p. 102.
  25. Herman Tournaye, Levensbeschouwelijke aspecten omtrent voortplanting en geassisteerde voortplantingstechnieken, in Luc Desmedt en Christian Van Kerckhove (red.), Humanistische visies op reproductieve geneeskunde, Antwerpen, Humanistische Vrijzinnige Dienst, 1995, p. 15.
  26. Majo Van Ryckeghem, André Oyen & Judith Franco, Discriminerende heteronormaliteit: drie kritieken, in Lily Boeykens & Karen François (red.), Familie. Een humanistische benadering, Brussel, VUBPress, 1994, p. 107-117.
  27. Christian Van Kerckhove, Inleiding, in Luc Desmedt & Christian Van Kerckhove (red.), Aids. Een humanistische visie, Antwerpen, Humanistische Vrijzinnige Dienst, 1996, p. 8.
  28. Wim De Temmerman, Ten geleide, in Wim De Temmerman (red.), Bob Carlier. Diep en duizendvoudig leven. Over seksualiteit, relaties en ethiek, Brussel, VUBPress, 1993, p. 14.


Verwijzen naar dit artikel kan als volgt: Borghs Paul, Holebi- en transgenderbeweging, in Op zoek… De evolutie van het vrijzinnig humanisme in Vlaanderen sinds de Tweede Wereldoorlog, Brussel, Centrum voor Academische en Vrijzinnige Archieven, 2018, pp. 237-257.

Deze pagina werd voor het laatst geüpdatet op 12 april 2018.

Reacties gesloten