Magits Michel — De gelijkberechtiging van de vrijzinnig-humanistische levensbeschouwing

De vrijzinnige beweging heeft steeds het principe van de scheiding van kerk en staat verdedigd. Dit beginsel houdt in dat de staat en de kerk(en) geheel gescheiden zijn en dat de overheid op generlei wijze de kerk(en) financieel steunt. In België bepaalt de grondwet sinds 1831 echter dat de wedden en de pensioenen van de bedienaren van de erediensten door de staat gedragen worden, zodat kerk en staat vanaf het ontstaan van België niet geheel gescheiden waren.

Omdat er geen politieke meerderheid bestond om deze staatssteun aan de kerk(en) af te schaffen en de financiële steun van de overheid uitermate in het voordeel van de rooms-katholieke levensbeschouwing uitviel, gingen de vrijzinnigen – zonder het principe van de scheiding van kerk en staat op te geven – ijveren voor een gelijkberechtiging of m.a.w. een gelijke behandeling van de (erkende) levensbeschouwingen. Vrijheid van godsdienst, neutraliteit van de overheid en het gelijkheidsbeginsel werden ingeroepen voor een billijke en op objectieve criteria steunende overheidstussenkomst. Ook op basis van de Europese regelgeving werd de gelijke behandeling van levensbeschouwingen gevraagd.

Die gelijkberechtiging is nog steeds niet verwezenlijkt, hoewel de regering al tweemaal een commissie instelde om de (vooral financiële) ongelijkheid te onderzoeken. Bij Koninklijk Besluit van 10 november 2005 werd de Commissie van wijzen opgericht met als opdracht “een uitvoerig verslag op te stellen over het stelsel, dat van toepassing is op de bedienaren van de erediensten, inzonderheid op het gebied van de pensioenen, op sociaal gebied en op het gebied van de wedden en van de cumulaties van functies” (artikel 2 van het KB). Het verslag van deze commissie van wijzen bevat een reeks aanbevelingen om de federale financiering van de levensbeschouwingen te hervormen.1 Bij Koninklijk Besluit van 13 mei 2009 werd een tweede commissie opgericht die “belast werd met de hervorming van de wetgeving inzake erediensten en niet-confessionele levensbeschouwelijke organisaties.” Deze werkgroep stelde een voorontwerp van wet op, dat de federale financiering van de levensbeschouwingen op een (meer) billijke wijze zou organiseren. Ze wees ook wijzigingen in de gewestelijke of gemeenschapsregelgeving aan.2 Beide omvangrijke verslagen en hun aanbevelingen hebben evenwel nog niet geleid tot een aanpassing van het onbillijk stelsel, zodat de ongelijkheid op verschillende punten blijft bestaan.3 We trachten in de volgende lijnen de ongelijke behandeling van de levensbeschouwingen in ons land historisch te kaderen.

Liberalen en katholieken vonden elkaar in de strijd tegen de eigengereide politiek van Willem I. De liberalen, die geïnspireerd werden door de ideeën van de Verlichting (vrijheid, gelijkheid en verdraagzaamheid) streden zij aan zij met de katholieken. Een deel daarvan neigde naar het herstel van het oud regime en een ander deel verdedigde de godsdienstvrijheid als reactie tegen de grote staatstussenkomst in geloofs- en onderwijskwesties. Hoewel katholieken en liberalen hun gedachtegoed niet verloochenden, werden ze objectieve bondgenoten in de strijd tegen Willem I en waren ze bereid tot het sluiten van compromissen, die hun neerslag vonden in het Monsterverbond van 1827.

De samenwerking resulteerde na de Belgische revolutie in de grondwet van 7 februari 1831. Deze kan gelden als historisch compromis en als één van de meest progressieve constituties in Europa.

Zo ontstond onder meer een bijzondere juridische verhouding tussen de staat en de kerk(en). Een terugkeer naar de tradities van het Ancien Régime was achterhaald. Integendeel, voortaan bestond een democratische staat waarin vrijheid van eredienst, geweten, onderwijs, drukpers, vereniging, vergadering en de gelijkheid van het individu grondwettelijk verankerd werden. Geestelijkheid en adel verloren definitief hun fiscale en juridische privileges.

De scheiding tussen kerk en staat werd evenwel niet geheel verwezenlijkt, hoewel het ontwerp van de grondwetscommissie dit voorzag. Na een tussenkomst van de aartsbisschop van Mechelen in een open brief van 13 december 1830, waarin hij de katholieke eisen duidelijk verwoordde, besliste de grondwetgevende vergadering dat de bedienaren van de eredienst betaald zouden worden door de staat (artikel 117 GW). Dit werd vooral verrechtvaardigd als een schadevergoeding voor de inbeslagname van de kerkelijke goederen tijdens de Franse revolutie. Dit argument werd nog niet in detail onderzocht. Het hoogtepunt van de verbeurdverklaring van de kerkelijke goederen was reeds voorbij in 1795, toen het Directoire de latere Belgische gewesten aanhechtte. Het Besluit van 26 oktober 1797 verbeurde de kerkelijke goederen in onze streken; ze werden verkocht krachtens het Besluit van 7 maart 1798. Napoleon Bonaparte stelde bij Besluit van 28 december 1799 de kerken opnieuw open en gratis ter beschikking van de priesters. In de loop van de volgende jaren werden sommige goederen, zowel roerende als onroerende, alsook bepaalde renten en stichtingen aan de kerk teruggegeven. We vermelden in dat verband de decreten van juli 1803, oktober 1804 en december 1809.

De omvang van de werkelijke schade van de verbeurdverklaringen voor de parochies is derhalve onzeker. Een historisch onderzoek o.m. in de departementale archieven van de Franse periode en in het oude kadaster kan hieromtrent enig inzicht verschaffen. De contemplatieve geestelijke orden hebben wellicht meer schade geleden, maar deze geestelijkheid is niet het voorwerp van artikel 117 GW. De verkoop van de kerkelijke goederen is weliswaar reeds uitgebreid bestudeerd.4 Voor onze gewesten is een studie over het departement Jemappes5 en het departement van de Dijle6 beschikbaar. Al deze werken hebben echter een algemene invalshoek (ook de verkoop van de goederen van de adel wordt besproken) en hebben uiteraard geen aandacht voor een eventuele teruggave van de goederen.

Een ander argument voor de financiële steun aan de kerk, verdedigd door enkele liberale vertegenwoordigers, was het maatschappelijk nut van de religie. Nu erkent bijna de gehele rechtsleer dat de maatschappelijke en morele dienstverlening aan de bevolking de basis vormen van de financiële tussenkomst. De levensbeschouwingen worden beschouwd “als een goede garantie voor het behoud van de (bestaande) sociale orde, voor de eenheid van het gezag, de bevordering van de publieke moraliteit …, samengevat zij worden beschouwd als behoeder van de moraal.7

De uitbetaling van de wedden en pensioenen van de bedienaren door de staat gebeurde vanaf 1831 slechts ten voordele van de bedienaren van de “erkende” erediensten, nl. deze van de rooms-katholieke, de protestante en de israëlitische of joodse eredienst, die al onder Napoleon Bonaparte financieel werden gesteund. Hoewel artikel 117 GW sprak van “de” (m.a.w. te begrijpen als “alle”) erediensten en in artikel 6 de gelijkheid van alle Belgen werd vastgelegd, werden de (weinige) bedienaren van de andere levensbeschouwingen niet door de overheid betaald. In de loop van de volgende decennia ontwikkelde de overheid een administratieve praktijk, die zich kenmerkte door een gebrek aan transparantie en objectieve normen. De aanvragen voor erkenning werden als het ware empirisch behandeld bij gebrek aan een wettelijk kader. De term “erkende” levensbeschouwing werd slechts in 1988 in de Grondwet ingeschreven, wanneer in het kader van de vrijheid van onderwijs in artikel 24 werd ingeschreven dat “scholen ingericht door openbare besturen bieden tot einde van de leerplicht de keuze tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.

Tot 1840 geschiedde de uitbetaling van de wedden en pensioenen van de bedienaren der erediensten via de begroting van Binnenlandse Zaken; sindsdien door het Ministerie van Justitie, nu Federale Overheidsdienst Justitie. De stijging van de uitgaven ten voordele van de erediensten binnen het budget van Justitie tot na de Tweede Wereldoorlog is misschien een mogelijke verklaring voor de onderfinanciering van de justitiële diensten in de 20ste eeuw. Een onderzoek in de archieven en vooral een analyse van de begrotingen van Justitie sinds 1840 kan dit verduidelijken.

Het unionisme verdween geleidelijk na de ondertekening van het Verdrag van de XXIV Artikelen, zodat de bereidheid tot het sluiten van compromissen verkleinde. Wanneer in 1846 de liberale partij werd opgericht, is de tweespalt tussen de katholieken en de liberalen uitgesproken. Die tegenstelling werd vooral uitgevochten op onderwijs, maar ook op andere terreinen zoals de begraafplaatsen en de gezondheidszorg. Die ideologische strijd is in de historische literatuur uitgebreid aan bod gekomen.

Wat nog niet diepgaand werd bestudeerd is de stelselmatige uitbouw van het aantal katholieke parochies in de tweede helft van de 19de eeuw en de daaraan gekoppelde stijging van het aantal bedienaren. De geleidelijke bevolkingsgroei speelde hier ook een rol, daar de katholieke bedienaren in functie van de bevolking werden (en nog worden) toegekend. Een onderzoek in enerzijds de archieven van het Ministerie van Justitie, meer bepaald van het Bestuur der Erediensten, en anderzijds in de kerkelijke archieven van elk bisdom kan deze uitbouw in kaart brengen.

Bovendien stemde de katholieke meerderheid de wet van 4 maart 1870 op het tijdelijke van de erediensten, waardoor de gemeenten verplicht werden de tekorten van de kerkfabrieken aan te zuiveren. Het eigen vermogen van de kerk(en) werd evenwel niet in aanmerking genomen, terwijl de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de eredienst vrijgesteld werden van de onroerende voorheffing. Nooit werd berekend of geschat welk financieel voordeel dit opleverde en welk vermogen daardoor opgebouwd werd. Een gehele gelijkberechtiging zou immers rekening moeten houden met de historische gegroeide ongelijkheid. Dit onderzoek is zeer uitgebreid en moeilijk. Het kan best gebeuren op parochiale basis en ten exemplarische titel. Een analyse van de archieven van de kerkfabriek enerzijds en van de plaatselijke parochiale verantwoordelijken en instellingen anderzijds kan ter zake meer informatie verschaffen.

De ultramontaanse houding van de katholieke meerderheid en de enorme beïnvloeding, die uitging van de clerus, alsook de zware veroordelingen van alle liberale idealen door de kerkelijke autoriteiten hadden tot gevolg dat het oorspronkelijk antiklerikalisme van de liberalen geleidelijk omsloeg in een antikerkelijke houding. De talrijke vrijdenkersbonden die in de tweede helft van de 19de eeuw werden opgericht, zijn daarvan de veruitwendiging. Ze streden voor de laïcisering van de maatschappij en een algehele scheiding van kerk en staat.

Na de Eerste Wereldoorlog was de Vrijdenkersbeweging over haar hoogtepunt heen, terwijl na de Tweede Wereldoorlog en onder invloed van de Koude Oorlog naar analogie met Nederland een humanistische beweging tot stand kwam, die een positieve levensbeschouwing met een eigen ethiek ging verdedigen.

Deze vrijzinnig-humanistische gemeenschap ontwikkelde een eigen identiteit. Vrij onderzoek, verdraagzaamheid, beoordelingsvrijheid, persoonlijke verantwoordelijkheid, emancipatie, eerbied voor de Rechten van de Mens en pluralisme zijn de bouwstenen van die identiteit. De vrijzinnig humanisten nemen deel aan het ethisch debat en willen zelf zin geven aan het leven. De wetten met betrekking tot abortus en euthanasie kwamen tot stand onder druk van het vrijzinnig humanisme en dit ondanks felle tegenkanting van de christelijke levensbeschouwing.

Om dat ethisch debat te kunnen voeren, alsook om aan ieder die het wenst morele diensten te verlenen ingegeven door de vrijzinnig-humanistische waarden, vroeg de georganiseerde vrijzinnigheid dezelfde financiële middelen zoals deze door de overheid aan de erkende erediensten werden toegekend.

Aanvankelijk verwierf de vrijzinnig-humanistische gemeenschap een aantal wettelijke en reglementaire bepalingen met het oog op de financiering van enige specifieke activiteiten, meer bepaald de oprichting van diensten voor morele bijstand in gevangenissen, het leger, ziekenhuizen, rust- en verzorgingstehuizen, de luchthaven, de zeevisserij, alsook de toekenning van zendtijd voor de vrijzinnig-humanistische uitzendingen op radio en televisie. Ook de inrichting van een cursus niet-confessionele moraal in lager en middelbaar onderwijs werd in 1958 na een lange strijd afgedwongen. In een aantal gemeenten werd een betoelaging gestemd, die bestemd was als steun voor de infrastructuur en werking van de vrijzinnig-humanistische gemeenschap. Een dergelijke steun bleef in Vlaanderen vrijblijvend, terwijl in Wallonië de gemeenten bij besluit verplicht werden tot deze financiële tussenkomst. Een onderzoek in de rekeningen van alle gemeenten naar hun steun aan de erediensten (bv. via de rekeningen van de gemeenten en de kerkfabrieken) en de vrijzinnig-humanistische gemeenschap zou hier een duidelijke ongelijkheid tonen. Een dergelijk onderzoek is tijdrovend en
kan best daardoor per gemeente gevoerd worden.

Vanaf de jaren 1970 heeft de georganiseerde vrijzinnigheid geijverd om, zonder het principe van de scheiding kerk en staat los te laten en steunend op de beginselen van gelijkheid en neutraliteit van de overheid, de vrijzinnig-humanistische levensbeschouwing op voet van gelijkheid te brengen met de erkende erediensten.

Die pragmatische koers, die de financiële tussenkomst van de overheid ten voordele van de levensbeschouwingen aanvaardde, werd niet door alle vrijzinnigen geapprecieerd en werd zelfs door een minderheid fel gecontesteerd. In 1980 werd een voorlopige subsidiëring toegekend, wat de facto de erkenning van de vrijzinnig-humanistische levensbeschouwing betekende. De wet van 23 januari 1981 bekrachtigde definitief de subsidie, die geleidelijk werd verhoogd. Als compensatie werden de wedden van de bedienaren van de erediensten eveneens verhoogd. Sindsdien zijn er in België zeven erkende levensbeschouwingen: de rooms-katholieke, de protestante en de joodse erediensten, die sinds 1831 betoelaagd werden; de anglicaanse, die in 1835 onder druk van Leopold I steun verkreeg; de islam, die in 1975 werd erkend onder druk van de Arabische landen als gevolg van de grote immigratie uit Noord-Afrika en Turkije; de orthodoxe eredienst, die in 1985 werd erkend na de grote toevloed van personen uit Zuid-Oost-Europa en ten slotte het vrijzinnig humanisme. Voor het boeddhisme loopt de procedure voor een erkenning sinds 2008, wanneer beslist werd deze levensbeschouwing te subsidiëren, maar in april 2016 was de erkenning nog altijd niet rond.8

De gelijkberechtiging werd langs twee wegen nagestreefd: enerzijds werd gemikt op de grondwettelijke erkenning langs artikel 117 GW, en anderzijds, vooral onder druk van de administratie der erediensten, werd een wijziging of beter een aanvulling van de wet van 4 maart 1870 op het tijdelijke der erediensten beoogd.

In 1978, 1981, 1988 en 1991 werd artikel 117 GW voor herziening vatbaar verklaard en werden er telkens voorstellen ingediend. Slechts op 5 mei 1993 werd artikel 117 GW aangevuld met een tweede alinea, waardoor de wedden en pensioenen van de morele consulenten door de overheid werden betaald. Dit werd artikel 181, tweede alinea met de nieuwe nummering van de grondwet. Onder druk van het Bestuur der Erediensten werden in dit artikel de woorden “de afgevaardigden van de door de wet erkende organisaties die morele diensten verlenen op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing” ingelast, hoewel binnen de vrijzinnig-humanistische organisaties vanaf het begin de term ‘morele consulenten’ werd gebruikt. De Centrale Vrijzinnige Raad werd beschouwd als een organisatie die morele diensten op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing verleent. Het boeddhisme wordt ook als een dergelijke organisatie beschouwd.

Vanaf 1972 werden voorstellen neergelegd in Kamer en Senaat om de wet van 4 maart 1870 aan te vullen, maar de georganiseerde vrijzinnigheid was weinig enthousiast om deze piste te bewandelen, daar de vrijzinnigheid zich niet als eredienst laat vatten. Daarom werd na de goedkeuring van artikel 117, tweede alinea (nu artikel 181, tweede alinea) de praktische uitwerking van de grondwettelijke erkenning nagestreefd met een aparte wet, los van de wet van 4 maart 1870. Na lange en moeizame onderhandelingen, waarin het Bestuur der Erediensten steeds op een parallelisme met de wet van 1870 aandrong, kwam op 21 juni 2002 de wet tot stand betreffende de Centrale Raad der niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen van België, de afgevaardigden en de instellingen belast met het beheer van de materiële en financiële belangen van de erkende niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen. Deze wet van 2002 is echter toch grotendeels opgesteld naar het voorbeeld van de erediensten, hoewel zingevingsactiviteiten organiseren vanuit emancipatorisch perspectief en zodoende de maatschappij ondersteunen uiteraard iets anders is dan een eredienst inrichten.

De grondwettelijke erkenning in 1993 en de wet van 21 juni 2002 hebben vooral betrekking op de organisatievorm en de financiële tussenkomst van de overheid. De ongelijkheid tussen de erkende levensbeschouwingen blijft evenwel bestaan. Zo genieten bijvoorbeeld de bedienaren van de rooms-katholieke eredienst van een preferentieel pensioen, terwijl de moreel consulenten van de vrijzinnig-humanistische levensbeschouwing de pensioenregeling van de ambtenaren volgen. De bedienaren van de eredienst hebben meestal recht op een kosteloze woonst, wat voor de morele consulenten niet voorzien is. De verloning is bovendien verschillend, niet alleen tussen de morele consulenten en de bedienaren van een eredienst, maar ook tussen de bedienaren van een eredienst is er een verschil in wedde. De verdeling van de budgettaire enveloppe over de levensbeschouwingen staat niet in verhouding met de steun bij de bevolking en is niet gesteund op objectieve criteria. Bovendien werd voor de rooms-katholieken, die al over een te groot theoretisch kader van geestelijken beschikken, ook een lekenkader gecreëerd. In de gevangenissen bestond er een sterke ongelijkheid tussen bezoldigde aalmoezeniers en moreel consulenten in een vrijwilligersstatuut. Slechts in 2007 werd voor deze laatsten een professionalisering ingevoerd, maar tot vandaag nog zonder echt statuut.

Ook op andere punten is de gelijkberechtiging nog steeds niet gerealiseerd. Nochtans veronderstelt de onpartijdigheid van de overheid dat zij tezelfdertijd de vrijheid van geweten en godsdienst, alsook de gelijkheid van rechten en plichten van elke burger respecteert.
Die ongelijke behandeling vinden we o.m. terug in de regels van het protocol, waarin de kardinaal en de pauselijke nuntius voorrang hebben op democratisch verkozen instellingen. Het Te Deum van de rooms-katholieke eredienst wordt mede ingericht – rechtstreeks of onrechtstreeks – door de overheid, terwijl officiële dignitarissen ex officio eraan deelnemen. Sommige gebouwen bestemd voor de openbare dienst zijn nog steeds versierd met tekens die eigen zijn aan een religieuze levensbeschouwing. Ook op provinciaal en vooral gemeentelijk vlak is de steunverlening aan levensbeschouwingen verre van eengemaakt en is de gelijke behandeling van de erkende levensbeschouwingen niet gegarandeerd. De vrijwillige steunverlening van de gemeenten aan vrijzinnige huizen en ontmoetingscentra, vervat in het decreet-Galle, werd geschrapt bij de goedkeuring van het nieuwe decreet-Bourgeois. Bovendien is ondanks artikel 17 van het Verdrag van Lissabon dat “een open, transparante en regelmatige” dialoog met de kerken en niet confessionele organisaties voorziet binnen Europa de voorkeur voor de dialoog met de kerken overduidelijk zichtbaar.

J. Tyssens en E. Witte9 hebben de ontwikkeling van de vrijdenkersbonden en de evolutie naar een vrijzinnige humanistische beweging uitgebreid geanalyseerd. De totstandkoming van de grondwettelijke erkenning in 1993 en de moeizame evolutie naar de wet van 21 juni 2002 zijn echter tot heden niet diepgaand onderzocht. Twee aspecten kunnen hier belicht worden: enerzijds het moeizame grondwetgevende en wetgevende proces van erkenning en anderzijds de interne discussies binnen de vrijzinnigheid. In dit laatste aspect kan onderzocht worden hoe een deel van de vrijzinnige beweging reageerde op de tactische ommezwaai en het aanvaarden van de financiële steun van de overheid en op welke wijze de vrijzinnige ontmoetingscentra getracht hebben om ook deze centra te laten ondersteunen door de overheid. Een onderzoek in de archieven van enerzijds het Bestuur der Erediensten en anderzijds van de Centrale Vrijzinnige Raad en de vrijzinnige organisaties is daartoe aangewezen. Nuttige informatie kan wellicht ook gevonden worden bij de toenmalige politici, die de vrijzinnig-humanistische gemeenschap gunstig gezind waren.

Wat is de invloed van de juridische erkenning van de islam op de verzuchtingen van de vrijzinnigen: is deze erkenning de directe aanleiding of werd reeds voordien gedacht aan een grondwettelijke erkenning? In welke mate heeft het Bestuur der Erediensten de onderhandelingen beïnvloed en/of bemoeilijkt door de financiering van de vrijzinnig-humanistische dienstverlening te willen uittekenen naar het model van de erediensten? In welke mate is de erkenning van de vrijzinnig-humanistische levensbeschouwing gecompenseerd geworden aan de zijde van de erediensten? In welke mate heeft de enorme vermindering van het aantal roepingen, vooral binnen het katholieke geloof, de financiële tussenkomst ten bate van de vrijzinnig-humanistische levensbeschouwing mogelijk gemaakt? Welke invloed heeft de zesde staatshervorming op de toekomst van de georganiseerde vrijzinnigheid, rekening houdend met de regionalisering van de materie levensbeschouwingen met uitzondering van de erkenning en de kaders en in het licht van de uitholling van de provinciale bevoegdheden en financiën? Dit zijn zovele vragen die met historisch en juridisch onderzoek kunnen beantwoord worden.

Voetnoten

  1. De federale financiering van de bedienaren der erediensten en de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad. Verslag van de Commissie van Wijzen, Brussel, 2005-2006, 238 p.
  2. M. Magits, L.L. Christians, L. De Fleurquin & C. Sägesser, Hervorming van de wetgeving met betrekking tot de erediensten en de niet-confessionele organisaties. Verslag van de Werkgroep ingesteld door het Koninklijk Besluit van 13 mei 2009, Brussel, 2010, 186 p.
  3. M. Magits, Erkende levensbeschouwingen. Commissie van wijzen herstelt deels de ongelijkheid, in Nieuw Juridisch Weekblad, 153 (december 2006), p. 918-931.
  4. Zie onder andere B. Bodinier, E. Teyssier & F. Antoine, L’événement le plus important de la Révolution : la vente des biens nationaux (1789-1867) en France et dans les territoires annexés, Parijs, 2000.
  5. Y. Delatte, La vente des biens nationaux dans le département de Jemappes, in Revue d’histoire moderne, 1940, p. 44-51.
  6. F. Antoine, La vente des biens nationaux dans le département de la Dyle, Brussel, 1997.
  7. P. De Pooter, De rechtspositie van erkende levensbeschouwingen en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, 2003, p. 128-129.
  8. M. Vandersmissen, Boeddha rukt op in Vlaanderen: ‘Het boeddhisme is zich aan het inwortelen’, in Knack-nieuws, www.knack.be/nieuws/gezondheid/boeddha-rukt-op-in-vlaanderen-het-boeddhisme-iszich-aan-het-inwortelen/article-longread-688167.html.
  9. J. Tyssens & E. Witte, De Vrijzinnige traditie in België. Van getolereerde tegencultuur tot erkende levensbeschouwing, Brussel, 1996.


Verwijzen naar dit artikel kan als volgt: Magits Michel, De gelijkberechtiging van de vrijzinnig-humanistische levensbeschouwing, in Op zoek… De evolutie van het vrijzinnig humanisme in Vlaanderen sinds de Tweede Wereldoorlog, Brussel, Centrum voor Academische en Vrijzinnige Archieven, 2018, pp. 81-89.

Deze pagina werd voor het laatst geüpdatet op 10 april 2018.

Reacties gesloten