Jimmy Koppen — Historisch overzicht van het vrijzinnig humanisme in Vlaanderen en Brussel van de Tweede Wereldoorlog tot in de jaren 19801

Voor een niet onbelangrijk gedeelte loopt de geschiedenis van het vrijzinnig humanisme als levensbeschouwing en als organisatie parallel met deze van het Humanistisch Verbond (HV), vandaag de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging. Ontstaan aan het begin van de jaren 1950 als een kleinschalig gebeuren ontwikkelde de vereniging zich tot de hoeder van de vrijzinnig-humanistische waarden, die via dochter- en nevenorganisaties werden verspreid en verdedigd. Daarnaast was HV actief in de ontwikkeling van nationale en internationale samenwerkingsverbanden.

Uiteraard is het vrijzinnig humanisme meer dan enkel maar de structuur zoals uitgetekend door het Humanistisch Verbond. Het stelt een kluwen voor van verenigingen, organisaties en drukkingsgroepen, die in de loop van zes opeenvolgende decennia verschijnen, samengevoegd worden, van naam en richting veranderen, en weer verdwijnen. Ze laten allemaal sporen na in de vorm van documentair of mondeling erfgoed, hoewel dit niet altijd even eenvoudig te traceren is. Bovendien spelen niet alleen persoonlijke initiatieven en belangen een rol in ontstaan en ontwikkeling van vrijzinnig-humanistische structuren, maar ook handelingen van overheidswege in de vorm van decreten of subsidiereglementen.

1. Geboorte van het vrijzinnig humanisme

1.1. De Belgische en Nederlandse voorgeschiedenis

De oorsprong van het vrijzinnig humanisme is, in de Belgische en Nederlandse context, terug te voeren tot de 19de eeuw. In België verschenen rond 1850 de eerste vrijdenkersverenigingen op het toneel. In 1854 werd in Brussel L’Affranchissement opgericht.2 Andere voorbeelden waren Les Solidaires (°1857), waar gepleit werd voor onderlinge bijstand zonder kerkelijke bemoeienis; Les Libres-Penseurs (°1862), die zich verzetten tegen de aanwezigheid van de priester tijdens de grote levensmomenten; en ten slotte La Libre Pensée (°1863), dat zich in eerste instantie ten volle concentreerde op burgerlijke begrafenissen.3 Een jaar later, in 1864, volgde de stichting van de Ligue de l’Enseignement. Zij stelde de bevordering van het (officieel) onderwijs als missie. Niet zelden werkten achter de schermen vrijmetselaars intensief aan de totstandkoming en uitbouw van deze verenigingen. Onder impuls van Pierre-Théodore Verhaegen had de Belgische vrijmetselarij trouwens in die jaren, meer bepaald in 1854, komaf gemaakt met het verbod op het aansnijden van levensbeschouwelijke en politieke thema’s in de werkplaatsen. Daardoor had het Grootoosten van België de facto afstand genomen van één van de basisprincipes van vrijmetselarij, waardoor zij zich op het pad van de irregulariteit begaf.

In Nederland werd in 1856 De Dageraad opgericht; vanaf 1958 ging deze vereniging verder als De Vrije Gedachte. De Dageraad hanteerde een deïstisch en rationalistisch uitgangspunt, waarbij er gezocht moest worden naar ‘de waarheid’, waarbij ‘natuur en rede’ de leidraad zouden vormen, en wat dan weer zou voeren tot ‘het geluk der maatschappij’. Ook De Dageraad kende een irreguliere maçonnieke achtergrond.4 Later in de 19de eeuw profileerden de Belgische en Nederlandse vrijdenkers zich als uitgesproken atheïsten, waarbij de verwijzingen naar anarchisme en socialisme opvallend aanwezig waren.

In de eerste helft van de 20ste eeuw kenden de vrijdenkersverenigingen hun hoogtepunt, waarbij niet alleen de Kerk en het christelijk geloof op de korrel werden genomen, maar ook andere politiek-maatschappelijke thema’s zoals antimilitarisme en democratie werden aangekaart. Door de Tweede Wereldoorlog werd het keerpunt ingezet. De barbaarsheid van het nazisme, de Holocaust en de oorlogsverwoestingen worden de catharsis tot een nieuw wereldbeeld.

1.2. Het directe voorbeeld: het Humanistisch Verbond in Nederland

Op dat ogenblik trad in Nederland Jaap Van Praag in het voetlicht. Van Praag was socialist, leerkracht en was gepromoveerd op een proefschrift over Henriëtte Roland Holst. Tijdens de bezetting was hij ondergedoken in Eindhoven; weinig van zijn joodse familieleden zouden trouwens de oorlog overleven. Vanuit zijn onderduikadres schreef Van Praag in 1943 Modern humanisme, een renaissance? dat in 1947 werd gepubliceerd. In het boek drukt hij zijn hoop uit dat, eens de oorlog voorbij zou zijn, de mens zichzelf centraal zou plaatsen. Een echt uitgewerkt programma had Van Praag niet: wel pleitte hij ervoor dat het individu door opvoeding en onderwijs gevormd zou worden om zo weerbaar te zijn tegen zowel nihilisme als extremisme. Met andere woorden: wie zichzelf daardoor buiten de Kerk of een politiek systeem plaatste had bijgevolg nood aan intellectuele en ethische omkadering.

In de vernieuwde, naoorlogse samenleving konden politieke partijen en zelfs De Dageraad daar moeilijk in voorzien. De antiklerikale sociaaldemocraten vervelden tot het pluralistische PVDA en de vrijdenkers bleven intussen hameren op antigodsdienstige standpunten, die niet meer aansloten bij de maatschappelijke werkelijkheid.5 Bovendien was het aantal buitenkerkelijken in Nederland gestegen en werd de tegenstelling tussen gelovigen en niet-gelovigen veel minder scherp gesteld dan vóór de oorlog.6

Een totaal nieuwe organisatie was dus nodig. Op 17 november 1945, nauwelijks enkele maanden na de Bevrijding, werd een bijeenkomst met een tiental deelnemers in een hotel in Utrecht gehouden. Naast Van Praag waren onder meer ook de letterkundigen Garmt Stuiveling en Jan Brandt Corstius aanwezig. De conferentie besprak de oprichting van deze nieuwe organisatie die, gebaseerd op ongodsdienstig humanisme, een alternatief moest bieden voor de buitenkerkelijken. Deze werden toen op twee miljoen Nederlanders geschat.

Op 17 februari 1946 organiseerden Stuiveling en Van Praag een bijeenkomst. Ruim 200 aanwezigen waren die dag in Amsterdam getuige van de oprichting van het Humanistisch Verbond. De jurist en latere rector magnificus van de Universiteit van Amsterdam Hendrik Richard Hoetink werd voorzitter. Hoetink zag in het humanisme – en in het verlengde daarvan: het Humanistisch Verbond – een buffer tegen doorgedreven individualisme en nihilisme. “Het humanisme moet de mens op een of andere manier te boven of te buiten gaan,” sprak Hoetink op de Amsterdamse stichtingsvergadering. “Evenals op logisch terrein alle denken het begrip waarheid veronderstelt en het begrip wetenschap zonder dat zijn constituerende basis verliest, evenzo moet ook de humanist erkennen dat volledige autonomie van de mens in strikte zin een onhoudbare gedachte is.7

Later in 1946 zou Van Praag Hoetink opvolgen als voorzitter. Hij zou deze functie meer dan twintig jaar uitoefenen. Ook nadien bleef Jaap Van Praag, tot aan zijn overlijden in 1981, de morele leider van het Humanistisch Verbond. Onder het voorzitterschap van Van Praag werd de beginselverklaring van het Humanistisch Verbond in 1955 aangepast. Tot dan toe beklemtoonde deze verklaring in punt 1 dat onder humanisme “de levens- en wereldbeschouwing [wordt verstaan] die zich, zonder uit te gaan van een persoonlijke godheid, baseert op de eerbied van de mens als bijzonder deel van het kosmisch geheel, als drager van een niet aan persoonlijke willekeur onderworpen normgevoel en als schepper van geestelijke waarden.8

Later werd dit meer veralgemeend door “het pogen om leven en wereld te verstaan met een beroep op menselijke vermogens en zonder uit te gaan van bijzondere openbaring.9

Het Humanistisch Verbond toonde zich in haar eerste jaren bijzonder actief: niet alleen nam het ledenaantal binnen het decennium toe tot meer dan 10.000, ook werden publieke standpunten geformuleerd inzake maatschappelijke en politieke kwesties. Later in de jaren 1950 werden veel van deze standpunten in een internationaal kader geplaatst. Het Humanistisch Verbond was immers stichtend lid van de International Humanist and Ethical Union, die in 1952 in Amsterdam werd opgericht.10 Rapporten, nieuwsbrieven en (historische) essays werden gepubliceerd, en ook enkele periodieken zoals Mens en Wereld. De lijst van publicaties was indrukwekkend.11

2. Het Humanistisch Verbond in Vlaanderen, 1950-1970

2.1. Het driemanschap Cuypers-Dille-De Coninck

Net als in Nederland waren ook de Belgische vrijdenkers na de Tweede Wereldoorlog grotendeels gemarginaliseerd. Enkele decennia eerder waren zij nog verzameld in enkele tientallen verenigingen, maar vooral dan in het Franstalig landsgedeelte. De traditionele, antiklerikale vrijdenkerij was in feite in hoofdzaak een Franstalig gegeven. De Vlamingen waren samengebracht in de Vlaamse Vrijdenkersfederatie, die in 1929 werd opgericht, maar die na de Tweede Wereldoorlog de grootste moeite kende om te overleven. Wat er van de federatie overbleef werd in 1951 omgedoopt in de Vrijdenkersunie. In praktijk stelde deze nauwelijks iets voor en was zij haast uitsluitend in het Antwerpse actief. De totstandkoming van een Vlaamse variant op het ‘ongodsdienstig humanisme’ was bijgevolg niet enkel een reactie op het oorlogsgebeuren, maar ook tegen de Franstalige dominantie. Het was bijgevolg niet verwonderlijk dat de genese van het vrijzinnig humanisme in Vlaamsvoelende middens gebeurde en in reactie op de CVP/PSC – die in het kielzog van de Koningskwestie in 1950 de absolute meerderheid had gehaald.

Het was onder deze constellatie dat Robert Dille, Karel Cuypers en Lucien De Coninck het Vlaams Humanistisch Verbond realiseerden. De Antwerpse handelswetenschapper en leerkracht Robert Dille was onmiskenbaar de grote initiatiefnemer. Dille was lid van het (Nederlands) Humanistisch Verbond en stond in contact met Garmt Stuiveling. In 1951 was Dille net benoemd tot bestuurder aan de Antwerpse Stedelijke Hogere en Middelbare School voor Handel en Administratie aan de Van Aerdtstraat.12 Voor Robert Dille was het onmiskenbaar dat zowel de Tweede Wereldoorlog als de onmiddellijke naoorlogse gebeurtenissen het vrijzinnig-humanistisch bewustzijn hadden wakker geschud. Dat bewustzijn gaf aanleiding tot een positief verhaal: het vrijzinnig humanisme smeedde een band tussen diegenen die het geloof in een vrije wereld hadden bewaard en die, vanuit het Vrij Onderzoek, wilden opkomen voor de verdere emancipatie van de mens en tegen alle vormen van fanatisme en dogmatisme in.13

Karel Cuypers was een overtuigd atheïst en rationalist, verzetsman tijdens de bezetting en net als Dille lid van de Antwerpse werkplaats Marnix van Sint Aldegonde. Die vrijmetselaarsloge was een broeihaard van vrijzinnigheid en Vlaamsvoelendheid. Opgericht in 1889 was ze van meet af aan Nederlandstalig, wat geen evidentie was in een door Franstaligen gedomineerde vrijmetselarij. De hoogleraar biologie Lucien De Coninck was stichtend lid van de Gentse loge De Zwijger, die in de jaren 1930 ontstond. Het was een ontmoetingsplaats voor de Vlaamse, vrijzinnige en academische Gentse gemeenschap. Achter de schermen zou het vooral De Zwijger zijn die het Vlaams Humanistisch Verbond mee zou realiseren. Niet alleen de maçonnieke connotatie was opvallend: ook hadden de stichters zowat allemaal een professionele achtergrond in het onderwijs.14

Op 1 december 195115 werden de statuten van het Humanistisch Verbond (HV) bij de notaris ondertekend. Naast de genoemde Dille, Cuypers en De Coninck waren er nog zeven andere stichters: uit Antwerpen Jan Delen, Leon Voet en Jan Broeckx, respectievelijk ere-hoofdconservator van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, conservator van de Kunsthistorische Musea en musicoloog; de Brusselaren Reimond Herreman en Gaston Boeckaert, respectievelijk filoloog en studieprefect; en uit Gent Louis Hebbelynck en Wim De Coster, respectievelijk leerkracht en assistent aan de universiteit.

De statuten werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 12 januari 1952. Drie dagen later sprak Belgisch-Nederlandse auteur en filosoof Anton Vloemans in Antwerpen over ‘Humanisme, onze redding‘; het was de eerste publieke activiteit van HV.16 Karel Cuypers werd voorzitter; de maatschappelijke zetel werd voorlopig gevestigd in de Congresstraat in Antwerpen, thuisadres van Robert Dille. Bij gelegenheid werd er ook in de Van Aerdtstraat vergaderd.

Het HV was onmiskenbaar intellectueel en elitair, en in tegenstelling tot haar Nederlandse naamgenoot en voorbeeld had zij niet de doelstelling om uit te groeien tot een massabeweging. De voorbereidende stukken die Robert Dille in 1951 samenstelde, goochelden met grote bedragen. Zo werd er gerekend op een lidgeld van ruim 150 frank, wat in die tijd een hoog bedrag was voor een persoonlijk lidmaatschap, en mikten de stichters van HV op een totaal ledenaantal van 1.000. De begroting werd afgeklokt op meer dan een half miljoen frank op jaarbasis.17

Die ambities weerspiegelden zich ook in het organogram van HV. Onder het hoofdbestuur van HV fungeerden zowel individuele leden als plaatselijke kringen en parahumanistische verenigingen. Met andere woorden: zowel een natuurlijke persoon als een feitelijke vereniging of een vzw konden lid worden. Onder lokale afdelingen werden nieuw op te richten verenigingen begrepen, maar ook eventuele opslorping van bijvoorbeeld bestaande vrijdenkersafdelingen. De para-humanistische verenigingen bestonden uit instanties die aan sociale dienstverlening deden, jeugdgroepen, cultuurverenigingen, studentenclubs en zelfs organisaties die toeristische activiteiten planden. In de meeste gevallen moesten deze verenigingen nog worden opgericht.18

Anderzijds hoopte HV als koepelinstantie te kunnen optreden voor instanties zoals het Willemsfonds, het Vermeylenfonds, het Emile Vandervelde-instituut of de Volksuniversiteit Maurits Sabbe en zo een Unie Vrijzinnige Verenigingen avant la lettre te worden. Maar ook andere instanties, zoals de Vlaamse Club in Brussel, het ACOD, politieke verenigingen en zelfs de maçonnieke werkplaatsen van Antwerpen, Brussel, Gent en Oostende zouden volgens dit overambitieus plan onder de humanistische koepel kunnen worden geplaatst.19

Het hoofdbestuur bood Achilles Van Acker meteen het erelidmaatschap aan20 en hoopte onder andere ook de belangstelling van Herman Teirlinck en de beroemde historicus Frans Van Kalken voor HV te winnen.21 In het buitenland werd al in februari 1952 contact gezocht met de British Ethical Union, de American Ethical Union en de American Humanist Association. De aangekondigde stichting van de International Humanist and Ethical Union, later dat jaar in Amsterdam, speelde in deze kennismakingsronde zeker een rol.

Het HV kende een vrij moeizame start. Gebrek aan middelen en mensen deed de initiële ambities verwateren. Het duurde anderhalf jaar alvorens de stichters tot de opstelling van een princieps- of beginselverklaring kwamen. Anders dan de strikt formele statuten richtte deze zich tot haar doelpubliek. Daarin werd het tweede artikel uit de statuten verder geconcretiseerd. HV werd er omschreven als “een vereniging van vrije mensen die, onafhankelijk van elke politieke en kerkelijke organisatie, een ruime verstandhouding nastreeft in een gelukkige, harmonische en sociaal evenwichtige samenleving. Het betracht de erkenning van de waarheid langs de weg van het Vrij Onderzoek en steunt zijn werking op de eerbied voor de menselijke persoonlijkheid en waardigheid en op de erkenning van de mens als schepper en drager van morele waarden.22

De princiepsverklaring kon door haar algemeenheid op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Dit illustreerde de terughoudendheid van de HV-stichters om expliciete standpunten in te nemen, zeker wat religie betrof. Hun adogmatisch vertrekpunt kende als logisch gevolg dat ook het nauwgezet definiëren van de eigen, vrijzinnige levensbeschouwing als doctrinair kon worden beschouwd.23 Karel Cuypers zelf gaf er in 1961 een verklaring over. In tegenstelling tot de Nederlander debatteerde de Vlaming niet over geloofskwesties. In de vereenvoudigde voorstelling van Cuypers was iemand ofwel katholiek op alle vlakken ofwel vrijzinnig en dus ‘bevrijd’. De vrijzinnige humanist had bijgevolg geen boodschap aan een ‘surrogaat-religie’. Dat vrijheidsdenken werd verder onderstreept door de duidelijke apolitieke houding die het Humanistisch Verbond onder Cuypers aannam. Dat was ook een van de redenen waarom HV nooit in Franstalig België van de grond was geraakt, waar de relatie tussen politiek en vrijzinnige levensbeschouwing veel intenser was. Vlaamsvoelendheid stond volgens Cuypers gelijk aan progressief denken, dat zich boven politieke en syndicale kwesties plaatste. De Franstaligen daarentegen associeerden vrijzinnigheid eerder wel met politieke en sociale actie.24

2.2. Regionale afdelingen en stagnatie

Naast het oprichten van plaatselijke afdelingen nam het hoofdbestuur zich voor om te lande en op de radio voordrachten over vrijzinnig humanisme te houden en ook een jeugdwerking uit te bouwen. Intussen was het lidgeld in realiteit op 25 frank vastgelegd. Dit was een vrij hoog bedrag, waarmee de stichters zich ongetwijfeld tot een bepaald ‘ontwikkeld’ publiek richtten. Binnen enkele jaren verdubbelde het lidgeld naar 50 frank.25

Na Antwerpen verschenen de eerste regionale afdelingen. HV-Gent werd door Lucien De Coninck opgericht op 14 november 1952.26 Wiskundeleraar Maeckelberghe had in 1955 een HV-afdeling in Brugge opgericht, in feite pas de derde manifestatie op lokaal vlak na Antwerpen en Gent. In maart 1956 werd een afdeling in Brussel opgericht onder impuls van Richard Van Cauwelaert, inspecteur moraal wonend in Vilvoorde. Van Cauwelaert had twee jaar eerder het initiatief genomen tot de Werkgemeenschap Leraars voor Ethiek en leverde een bijdrage tot het eerste nummer van Diogenes.27 Andere HV-afdelingen ontstonden in Leuven, Blankenberge, Oostende, Mechelen en Boom. Rond 1960 volgden ook Kortrijk en Hasselt, maar echt dynamisch konden ook zij niet worden genoemd.28 In Limburg noteerden we de namen van Willy Claes, voorzitter van de Hasseltse BSP-afdeling, maar vooral van Herman Corijn, directeur van de Rijksnormaalschool van Tongeren.

Op nationaal vlak waren tegen dan al enkele structurele problemen aan de oppervlakte gekomen. De Beheerraad kwam nauwelijks samen en vergaderingen duurden eindeloos, zonder dat er echt concrete beslissingen werden genomen. In een brief aan voorzitter Cuypers schreef Lucien De Coninck in mei 1953 dat het Verbond “in een gevaarlijk slop” was geraakt. De Antwerpse en Gentse afdelingen functioneerden vrij behoorlijk, maar op nationaal vlak bewoog er nauwelijks iets.29 De organisatie van voordrachten en activiteiten slorpte veel energie op en vaak waren het ook de leden van het hoofdbestuur of de redacteurs van het eigen tijdschrift Diogenes die de lezingen voor hun rekening namen. De maatschappelijke zetel van HV veranderde in die jaren ook enkele keren en grootse plannen geraakten vaak niet verder dan de conceptfase. Op basis van de boekhouding van 1958 kunnen we afleiden dat HV in dat jaar 338 gewone en 100 steunende leden telde.30

Het net genoemde tijdschrift Diogenes loste de eigen verwachtingen trouwens niet geheel in. Met dit tijdschrift wou HV een onderbouwd maandblad op de markt brengen, dat zich richtte tot een intellectueel publiek. De artikels waren als essay opgevat of boden een verslag van congressen en andere vrijzinnig-humanistische bijeenkomsten. Maar het lukte niet om maandelijks een nieuw nummer te produceren. Naar het einde van de jaren 1950 toe werd de uitgave steeds onregelmatiger. Dezelfde auteurs bleven ook terugkeren, zoals Cuypers en De Coninck, maar ook schrijver en dichter Johan Daisne, Leo Apostel en Leopold Flam. Ook de jonge politici Karel Poma en Willy De Clercq schreven voor het tijdschrift.

Vanaf 1954 was Hein Picard de facto hoofdredacteur. De socialist en Vlaamsgezinde Hein was de zoon van Leo Picard, activist tijdens de Eerste Wereldoorlog en uitgeweken naar Nederland. De familie keerde na de Tweede Wereldoorlog terug. Hein Picard werd later professor statistiek aan de Rijksuniversiteit Gent.31 Met lede ogen zag Cuypers ook, mede door de laksheid van Picard, dat de publicatie van nieuwe nummers van Diogenes – “een prestige-politiek die boven onze krachten liep” – een ontoelaatbare vertraging had opgelopen.32 Het eerste nummer van 1958 zou pas een jaar later verschijnen.

De bestuurders van HV waren zo goed als altijd professioneel in het onderwijs actief, behoorden vaak tot een ‘inner circle’ van vrijzinnigen en stonden in de meeste gevallen in verbinding met vrijmetselaarsloges. Het gebrek aan interne democratie werd meer dan eens op de korrel genomen en invloedrijke liberale of socialistische politici verbonden hun naam (nog) niet aan HV.33 Aan het einde van de jaren 1950 trok het hoofdbestuur aan de alarmbel. “Het is onnodig en misschien zelfs niet wenselijk dat het HV, als vereniging, een massabeweging wordt,” stelde secretaris Roger Demeester, “maar indien we niet over meer actieve mensen kunnen beschikken en tevens niet meer geldmiddelen hebben, moet er een onvermijdelijke stagnatie komen, die achteruitgang is en voor een beweging als HV kan gaan tot volledige verbrokkeling.34

De statuten moesten gewijzigd worden, wat in januari 1959 gebeurde. Achterliggende gedachte van deze wijziging was om de organisatie van HV een meer democratisch gehalte te geven. De samenstelling van de Algemene Vergadering en Beheerraad, alsook van de besturen van de plaatselijke afdelingen, bleven trouwens in hoofdzaak een mannenaangelegenheid.35

Begin jaren 1960 was het duidelijk dat HV niet uit het slop geraakte. In de correspondentie en verslagen ontbrak vaak elk spoor van het maatschappelijk belang van het vrijzinnig humanisme – wat toch de achterliggende motivatie was van de stichting van HV – en ging het meestal over vormelijke en financiële kwesties. Subsidies werden ad hoc aangevraagd, onder andere aan de afdeling Volksopleiding van het Ministerie van Onderwijs. Van een structurele financiering was geen sprake. Bovendien slaagde HV er nooit in om alle vrijzinnigen op dezelfde lijn te krijgen. Dat kon ook moeilijk, gezien het belerend karakter van HV en de uitgesproken linkse profilering.36

De malaise zette zich in de jaren 1960 verder, in zulke mate dat er werd nagedacht over een grondige reorganisatie van HV. De eerste aanzet hiertoe werd gegeven door de Antwerpse afdeling, die in mei 1961 met een Humanistisch Manifest in het voetlicht trad. Hierin werd gepleit voor een positieve en breed gedragen vrijzinnigheid, met meer aandacht voor het maatschappelijk gebeuren.37 Naar aanleiding van de 10de verjaardag van HV, in 1962, werd de hele oefening van de Antwerpse afdeling nog eens overgedaan. Maar dit keer was de uitkomst veel praktischer van aard. Het document, dat op 12 mei 1962 op de academische zitting werd gepresenteerd, was de optelsom van de visies en beweegredenen van alle aan HV gekoppelde organisaties. Zodoende werden in deze verklaring de doelstellingen van het humanisme weergegeven, zoals respect voor mensenrechten en gelijkberechtiging, het verwerpen van discriminaties op basis van godsdienst, en werd er gepleit voor een positieve houding ten aanzien van echtscheidingen en gezinsplanning.38

Dit nam niet weg dat voorzitter De Coninck in 1967 moest vaststellen dat zowat alle afdelingen geconfronteerd werden met afnemende ledenaantallen en gebrek aan enthousiasme.39 Tegelijkertijd wierp het HV zich zowat op als ‘koepelorganisatie’ van de vrijzinnigen. Zowat iedere vrijzinnige vereniging en werkgroep was op een of andere manier via persoonlijke netwerken of institutionele verbanden aan HV verbonden.
Een unificatie van de vrijzinnige krachten werd, naar het einde van de jaren 1960 toe, steeds meer als een noodzaak gezien: enerzijds om effectiever de katholieke ‘guerrilla’ te kunnen counteren; anderzijds had dit voordelen inzake subsidies.40

Het gebrek aan vrijzinnige daadkracht lijkt enigszins tegenstrijdig. Retrospectief gezien zetten de jaren 1960 de ontkerkelijking en secularisatie ten volle in. Maar in die jaren was daarvan op het terrein maar weinig te merken. Meer nog: de Vlaamse humanisten zagen twee nieuwe bisdommen verschijnen – eerst in Antwerpen, dan in Hasselt – en de katholieke zuil met haar belangen bleef in alle lagen van de samenleving stevig overeind. In een aantal instanties, zoals de scholen, ziekenhuizen, gevangenissen en het leger bleef dit duidelijk.

3. Parallelle werelden: zuster- en dochterorganisaties

Het Humanistisch Verbond streefde ernaar om de beginselen van het vrijzinnig humanisme op drie terreinen te manifesteren: media, jeugdwerking en onderwijs. Vormingsactiviteiten, met aandacht voor wetenschap en cultuur, werden gehouden in de lokale afdelingen. Daarnaast werd er gestreefd naar de inrichting van consultatiebureaus en de instelling van diensten voor morele bijstand.41

3.1. Media

De nationale radio- en televisieomroep NIR kende een gedeelte van de zendtijd toe aan katholieke uitzendingen. Vanaf 1955 werden de vrijzinnige radio-uitzendingen vormgegeven door het Raadgevend Comité voor de uitzendingen van Lekenmoraal en -filosofie, voorgezeten door de Gentse hoogleraar en linguïst Emiel August Leemans en met Karel Cuypers als secretaris. Leden waren Hendrik – “Harry” – Elzendoorn (voorzitter van de Vrijdenkersunie), Karel De Pauw (Willemsfonds), Leo Magits (Instituut Emile Vandervelde) en Richard Van Cauwelaert.42 Om de twee weken, tussen 18.00 uur en 18.30 uur, kregen de vrijzinnigen zendtijd. Na drie jaar gelobby konden de vrijzinnigen vanaf 1958 rekenen op 18 televisie-uitzendingen.43

Sinds 1955 droomde Cuypers van een heuse vrijzinnige omroepstichting, met het Raadgevend Comité als springplank;44 en deze gedachte werd geuit nog vóór de eerste uitzending op 9 november 1955 op antenne ging. Drie dagen later bevestigde Cuypers aan voorzitter Leemans alvast de komst van het ‘tijdschrift voor lekenmoraal en -filosofie‘, dat aan de radio-uitzendingen was gekoppeld. Het tijdschrift zou de teksten van de radio-uitzendingen integraal opnemen en als bijlage aan Diogenes worden toegevoegd.45

Dat tijdschrift werd Het Vrije Woord, dat als tweewekelijks magazine ook de door de NIR geweigerde teksten zou opnemen.46 Hoofdredacteur werd Piet Kimzeke, secretaris van de Vlaamse Jeugdherbergencentrale en een oud-leerling van Cuypers. Na het opdoeken van Diogenes in 1959 fungeerde Het Vrije Woord als dé spreekbuis van HV.

Aan Franstalige zijde lagen de kaarten, wat media-participatie betrof, anders. Daar stond de vrijzinnigheid veel sterker. Sinds 1955 verzorgde La Pensée et Les Hommes de uitzendingen. Achter La Pensée et Les Hommes stond een hele reeks van vrijzinnighumanistische organisaties, stuk voor stuk sterker uitgebouwd dan HV en met een langere traditie en geschiedenis. Voorbeelden van deze organisaties waren de ULB, de Union rationaliste, het liberale Centre Paul Hymans en het socialistische Institut Emile Vandervelde, de maçonnieke federatie van Le Droit Humain en de Ligue de l’Enseignement. De positie van La Pensée et Les Hommes was ook veel sterker: toen de Franstalige beheerraad van de RTB-BRT in 1961-1962 het gelijkheidsprincipe doorvoerde betekende dat niet alleen een verhoging van de subsidies, maar ook een volledige autonomie voor de Franstalige vrijzinnigen op radio en TV. De Vlaamse vrijzinnigen zagen hun programma’s nog altijd gecontroleerd en gecensureerd door de nationale omroep.47 De Franstalige vrijzinnigen hadden ook wekelijks vijftig minuten radiozendtijd.

Intussen was de Organieke Wet van 1960 van kracht geworden, die aan de BRT strikte objectiviteit oplegde. Zich daarop baserend eisten de vertegenwoordigers van PVV en BSP in de Beheerraad van de omroep een gelijkschakeling van het aantal programma’s van Lekenmoraal met de katholieke gastuitzendingen. Maar dit kon slechts als een symbooldaad worden beschouwd. De vrijzinnige verenigingen, met het Humanistisch Verbond op kop, waren te klein om ook maar enig gewicht in de schaal te leggen.48 Later werd vanuit HV de Radio- en TV-Kring Het Vrije Woord opgericht. Deze ging van start op 1 januari 1963. De Kring stelde zich tot doel om de ontmoetingsplaats te worden van alle vrijzinnige partijen, wat betreft de aanwezigheid in de media. Daarbij wou HV vooral haar ongenoegen laten blijken met de systematische bevoordeling van de confessionele berichtgeving op de BRT.49 De Kring was een voorloper van het Humanistisch Instituut voor de Massamedia of HIMM, dat in 1975 van start ging als aparte vzw.

3.2. Jeugdwerking

Vanuit het Humanistisch Verbond werden de eerste aanzetten tot een vrijzinnig humanistische jeugdorganisatie in 1953 genomen, toen HV-Gent in 1953 een speciale afdeling oprichtte.50 Dat werd het Humanistisch Jeugdverbond of HJV: de leden van het hoofdbestuur van HV maakten ook deel uit van de Algemene Vergadering van het HJV.51 Het HJV richtte zich zowel tot jongeren als studenten, wat nogal logisch was gezien universiteitsstad Gent de thuisbasis was. Vanuit HJV werd spoedig de weg geëffend voor een echte vrijzinnige studentenkring: het Humanistisch Studentenverbond of HSV. De oprichting gebeurde in 1955 aan de Rijksuniversiteit onder impuls van leden van ‘t Zal wel Gaan. Uiteraard richtte het HSV zich tot de jongeren vanaf 18 jaar.52 Vanaf 1955 publiceerde HSV haar intellectueel hoogstaand bimensueel blad Pro en Contra. Het tijdschrift had aandacht voor de internationale samenwerking tussen vrijzinnig humanisten, bood een forum aan de Belgische Vereniging voor Seksuele Voorlichting en nam uitdrukkelijk stelling in tegen bijvoorbeeld het kolonialisme. Daarom was er ook terugkerende belangstelling voor de maatschappelijke ontwikkelingen in Congo, Vietnam, Cuba en Zuid-Afrika. Het tijdschrift had een onmiskenbaar links en atheïstisch profiel.

Vrij snel ontstonden regionale afdelingen van HSV buiten Gent, zoals Antwerpen, Mechelen, Brussel en een tweetalige afdeling in Ronse. In samenspraak met deze ‘debatclubs’53 werd op 12 februari in Gent een nieuwe organisatie opgericht: de Humanistische Jeugdbeweging of HJB.54 De verschillende HSV-afdelingen vormden zich vervolgens om tot HJB-afdelingen. De HJB richtte zich tot de leerlingen van het secundair onderwijs en vooral tot diegenen die in de officiële scholen zedenleer volgden. De oprichting gebeurde in volle Schoolstrijd en in de wetenschap dat het onderwijslandschap spoedig helemaal hertekend zou worden.55

In de zomer van 1958 werd een kleine, subtiele naamswijziging doorgevoerd. Voortaan heette de Humanistische Jeugdbeweging de Humanistische Jongerenbeweging. Ze ging er prat op dat zij de enige gemengde nationale jongerenbeweging was “die niet geleid wordt door ouderen” en benadrukte haar politieke onafhankelijkheid. Op zowat alle andere punten volgde zij letterlijk de princiepsverklaring van zowel het Humanistisch Verbond als de International Humanist and Ethical Union, waar zij lid van was.56

De HJB was bijzonder gedreven qua maatschappelijk engagement. Dat ging soms vrij ver: zo werd voorzitter Jacques – “Jackie” – Nagels in 1960 aan de Frans-Belgische grens opgepakt omdat hij propagandamateriaal van het Algerijnse Front de Libération nationale in zijn koffer had. Nagels verbleef vervolgens vijf maanden in een Franse cel.57 In 1963 was de HJB mede-inrichter van de breed gedragen en ideologieoverschrijdende Anti-Atoommars, toen er op 24 maart meerdere duizenden betogers door Brussel stapten, en die ook in de daarop volgende jaren werd georganiseerd.58

Lidmaatschap van HJB was mogelijk vanaf 15 jaar. Kinderen tussen 6 en 15 jaar konden deelnemen aan de buitenschoolse activiteiten van de Werkgemeenschap Moraal (WeMo). De Werkgemeenschap Moraal of WeMo had als jeugdorganisatie ruim 20 afdelingen met een totaal van meer dan 3.000 leden; nationaal coördinator was Luc Devuyst.59 De WeMo was voortgekomen uit de Oudervereniging voor de Moraal – waarover straks meer – en werd geleid door jongeren, hoewel de OVM een oogje in het zeil hield. Bovendien kon de OVM op die manier aanspraak maken op subsidies vanuit de Nationale Raad voor de Jeugd en het Nationaal Instituut voor Lichamelijke Opvoeding en Sport. Zodoende kon ook de invloed van de OVM verder worden uitgebreid.60 De voorbereidende nota’s lieten er ook geen twijfel over bestaan dat deze
twee redenen aan de basis lagen van de oprichting van de WeMo. Eigenlijk werd er een beetje gehoopt dat er een cyclische beweging zou ontstaan: de jongeren die deelnamen aan de activiteiten van de WeMo zouden in een volgende fase bestuursfuncties kunnen opnemen, en na hun 25ste aansluiting zoeken bij de OVM. Een derde, achterliggende motivatie werd uitdrukkelijk gesteld: de katholieke jeugdbewegingen waren intussen al dominant aanwezig op het veld en een vrijzinnige profilering op dat vlak was daarom nodig.61

HJB en WeMo werden eind jaren 1960 samengevoegd tot een nieuwe organisatie: de Humanistische Jongeren. Roepnaam werd Hajee. Op het gezamenlijk congres van HJB en WeMo in Boom, op 11 november 1968, werden Robert Moucheron en Luc Devuyst tot respectievelijk voorzitter en ondervoorzitter aangesteld, totdat het feitelijke eerste congres van Hajee, gepland voor april 1969, de definitieve bestuursfuncties zou invullen.62 Moucheron bleef nadien nog enige tijd in functie als nationaal gedetacheerde: met andere woorden, als leerkracht aangesteld door de Nationale Jeugdraad kreeg hij de pedagogische leiding over de organisatie.63

In haar statuten stelde Hajee dat zij zichzelf tot doel stelde om onafhankelijk “de vrijzinnige jeugd door discussie, ontspannings-, culturele en sport-activiteiten te ontplooien” en “de humanistische gedachte uit te bouwen en te verspreiden“.

Bovendien onderstreepten de statuten het belang van de democratische waarden, de afkeer van racisme en het streven naar wereldvrede.64 Gezien de internationale context van de late jaren 1960, waar de Vietnamoorlog en de Amerikaanse burgerrechtenbeweging het nieuws domineerden, was dit een begrijpelijk standpunt. In tegenstelling tot HV zou Hajee zich vaker wenden tot het groot publiek via persmededelingen. Meer nog, in 1970 werd de stemgerechtigde leeftijd van 21 naar 18 verlaagd, waardoor er met de gemeenteraadsverkiezingen van dat jaar ineens 700.000 kiezers bij kwamen. De jongeren moesten bijgevolg via de jeugdbeweging tot burgers worden opgeleid. Ook dat was de boodschap die Hajee wou uitdragen.

Tussen de regels van de correspondentie door was het duidelijk dat de samenvoeging ook nodig was om interne punten van discussie tussen de lokale afdelingen onderling enerzijds, en tussen de afdelingen en het nationaal bestuur anderzijds, te counteren. Zo hadden sommige afdelingen te weinig leden en/of activiteiten, werden administratieve gegevens niet altijd doorgegeven aan de hoofdzetel en was er debat over de afdracht van ledengelden aan het nationaal bestuur.65 Vanaf 1970 was het vooral Ghislain Cloosen, als nationaal secretaris, die het gezicht van de jongerenorganisatie was. Van meet af organiseerde Hajee filmvoorstellingen, congressen en reizen en werd het HJB-tijdschrift Pro en Contra overgenomen. Een kleine naamswijziging in Pro & Kontra – vanaf 1976 werd dit Pro of Kontra – introduceerde de alternatieve spelling en maakte enige jaargangen geen gebruik meer van hoofdletters. De aandachtspunten van het verleden bleven hetzelfde, alleen werden er nu nieuwe thema’s aangeraakt, zoals drugs, vrouwenemancipatie en muziek. Begin jaren 1970 telde Hajee een veertigtal lokale afdelingen.

3.3. Onderwijs

Van meet af was de interesse voor het onderwijs, en zeker wat de invulling van de cursus moraal betrof, een van de hoofdbekommernissen van HV. Op 2 december 1954 werd vanuit HV de Werkgemeenschap Leraars voor Ethiek, Groep Brussel opgericht. Oprichters waren Richard Van Cauwelaert, de latere directeur van de Stedelijke Normaalschool Antwerpen André Vanhassel en – zoals steeds aanwezig – Karel Cuypers. Voorzitter werd Albert Marissen, leraar moraal aan het atheneum van Vilvoorde, die twee jaar later en samen met Van Cauwelaert HV-Brussel zou oprichten. Deze organisatie was niet de eerste in haar soort: al in 1947 was er een Bond van de Leraren in de Zedenleer Middelbaar Onderwijs opgericht, waarvan het niet helemaal duidelijk is in welke mate er een connectie was met deze Werkgroep.66

De Werkgroep kreeg al snel de naam van Werkgroep Leraren Ethiek of WLE en er werd volledige autonomie aan toegekend, hoewel zij aan HV-nationaal verbonden bleef. De Werkgroep klaagde de minderwaardigheid van de cursus niet-confessionele zedenleer in het officieel onderwijs aan en pleitte voor de inrichting van de cursus in het lager onderwijs67 en voor een betere vorming van de leerkrachten. De cursus zedenleer bestond sinds 1924, maar van een echte opleiding zedenleer was nog steeds geen sprake.68

In de loop van 1955 werden ook in andere steden afdelingen van de Werkgroep opgericht, met name in Antwerpen, Brugge, Kortrijk, Mechelen en Gent. De connectie met HV was onmiskenbaar en ook logisch: Roger Van de Ven, initiatiefnemer HV-Mechelen, nam nu ook het voortouw in de plaatselijke afdeling van de Werkgroep. En in Gent werd de afdeling bestuurd door Marcel Bots.69

Vanaf september 1955 verscheen De Moralist, het tijdschrift van de WLE, dat grotendeels werd gedragen door het trio Van Cauwelaert-Vanhassel-Van Ussel. Jos Van Ussel, leraar aan het Koninklijk Atheneum van Kapellen, maakte vooral indruk met zijn humanistische benadering van seksualiteit en gezinsleven. De Moralist was een blad ter promotie en ondersteuning van de lessen niet-confessionele zedenleer, bood suggesties voor lesonderwerpen, formuleerde meningen over actuele thema’s zoals echtscheiding, opvoeding, ‘euthanasia’70 en mondiale problemen, en trachtte gemeenschapsvormend te werken.71 Regelmatige bijdragen kwamen uit de pen van Leopold Flam, Karel Cuypers, Leo Apostel en Jaap Kruithof.

De totstandkoming van de WLE en de uitgebreide aandacht van de vrijzinnigen voor onderwijskwesties, moest helemaal in de politieke context van de jaren 1950 worden begrepen.

De christendemocraten incasseerden klappen met de parlementsverkiezingen van 11 april 1954 en een nieuwe regering werd door de Bruggeling Achille Van Acker in het zadel geholpen, samengesteld uit socialisten en liberalen. Op onderwijsvlak hadden de voorafgaande katholieke regeringen al enige aanzetten tot hervorming gegeven. Zo werden de subsidies van het vrij middelbaar onderwijs door de overheid gelijkgesteld aan deze van de officiële scholen. Maar met de Franstalige socialist Léon Collard op Onderwijs was vanaf 1954 het hek van de dam. Collard wilde niet enkel de subsidies van de vrije – en dus in hoofdzaak katholieke – scholen terugschroeven, maar ook beleid voeren op het vlak van opleiding en benoeming van leerkrachten. Collards wetsontwerp van 1 februari 1955 lokte tal van protestbewegingen uit. Tientallen manifestaties met vele duizenden betogers werden in de komende maanden en jaren gehouden en bezegelden aan het slot van de legislatuur de toekomst van de paarse coalitie. In 1958 verloor Van Acker dan ook de verkiezingen en werd de Schoolstrijd afgesloten met een compromis: het Schoolpact.72

Het Schoolpact van 20 november 1958, in voege met de Schoolpactwet van 29 mei 1959, werd onder bezieling van de nieuwe premier Gaston Eyskens door de drie traditionele partijen bekrachtigd. Het Schoolpact voorzag in een hele reeks van maatregelen om het onderwijsstelsel te moderniseren en te democratiseren. In het lager en secundair officieel onderwijs – ook in het technisch en beroepsonderwijs – werden er wekelijks twee lesuren godsdienst of zedenleer geprogrammeerd, waarbij de ouders de vrije keuze hadden.73 Het officieel onderwijs was dus formeel neutraal en pluralistisch.

Vanaf 1959 was er in praktijk de keuze tussen rooms-katholieke, protestantse of joodse godsdienst of niet-confessionele zedenleer. De eerste drie waren op dat ogenblik de door de Staat erkende godsdiensten. Wat de cursus niet-confessionele zedenleer betrof werd deze, in het lager onderwijs, bij voorkeur gegeven door een geaggregeerde in de wijsbegeerte, afgestudeerd aan een niet-confessionele instelling.74 Met andere woorden: van een echte opleiding tot leerkracht niet-confessionele zedenleer was nog geen sprake. Het lokte bij Luc Devuyst en Richard Van Cauwelaert de opmerking uit dat de kinderen nog beter af waren indien ze katholieke godsdienst volgden, want daar was de leergang ten minste volledig uitgewerkt.75

Pas in 1962 werd een opleiding voor de leerkrachten zedenleer ingericht in de rijksnormaalscholen, in oktober 1963 gevolgd door de licentie moraalwetenschap aan de Rijksuniversiteit Gent.76

De vraag bleef echter welke inhoud aan de lessen niet-confessionele zedenleer moest worden gegeven. Moesten de grote filosofen en schrijvers uit het verleden het voorwerp uitmaken van de lessen of lag de klemtoon eerder bij etiquette en omgang met de medemens? Aan de lessen niet-confessionele zedenleer is onlosmakelijk de naam van Richard Van Cauwelaert verbonden. Hij was de eerste inspecteur niet-confessionele zedenleer en de inspectie van de cursus, zoals die aan het middelbaar en het normaalonderwijs werd gegeven, werd uitsluitend zijn bevoegdheid. Pas in november 1961 werd Louis Verheyen aangesteld als inspecteur zedenleer in het officieel lager onderwijs. In 1963 werd Michel Oukhow, leraar zedenleer aan het Koninklijk Atheneum van Hoboken, benoemd tot inspecteur moraal in het rijkstechnisch onderwijs.

De gebrekkige invulling van de lessen niet-confessionele zedenleer in de jaren onmiddellijk volgend op het Schoolpact deed de Werkgroep Leraren Ethiek overgaan tot actie. Er was door de liberale Onderwijsminister Charles Moureaux in 1961 een specifiek leerplan voor zedenleer uitgevaardigd, maar dit gold enkel maar voor het lager onderwijs.77 In de schoot van HV moest een tweede werkgroep worden opgericht, die nu de belangen zou verdedigen van de ouders die hun kinderen in de officiële (secundaire) scholen naar de les zedenleer stuurden. Die werkgroep werd de Oudervereniging voor de Moraal of OVM.

De aanzet tot deze nieuwe werkgroep werd in december 1960 door Van Cauwelaert gegeven tijdens een voordracht voor HV-Antwerpen. Oorspronkelijk bedoeld om de werking van de Werkgroep Leraren Ethiek toe te lichten, maakten de aanwezige ouders de spreker duidelijk wat hun bekommernissen waren.78 Vanaf dan ging het snel. Op 16 juni 1961 vond de feitelijke oprichting van de Werkgroep OVM plaats in de
leeszaal van het AMVC, het huidige Letterenhuis. In haar reglement lezen we dat de OVM “tot doel heeft in een gemeenschappelijke actie allen te verenigen die begaan zijn met de cursus niet-confessionele zedenleer“. Met ‘allen’ werden vooral leerkrachten en ouders van leerlingen bedoeld. De vereniging kon “alle actiemiddelen [gebruiken] die niet strijdig waren met het respect voor de menselijke waardigheid.79

Aangezien haar kernopdracht uit de promotie van niet-confessionele zedenleer bestond, mikte de werkgroep erop tegen de start van het komend schooljaar volledig actief te zijn. Net zoals HV een decennium eerder, was de Werkgroep OVM bij aanvang een Antwerps fenomeen: in september 1961 werden de eerste 150 lidmaatschappen genoteerd. De tweede afdeling ontstond haast ogenblikkelijk in het nabijgelegen Boom, met binnen het jaar 160 leden.80 Niet toevallig was dit de woonplaats van Luc Devuyst, één van de initiatiefnemers van de nieuwe werkgroep. Via de OVM zou Devuyst al snel in het bestuur van HV zetelen.

Het lidgeld werd bewust laag gehouden: 20 frank per jaar, abonnement op het Ouderblad inbegrepen, dat vanaf voorjaar 1963 als ledenblad van de OVM werd uitgegeven. Eerste voorzitter werd Juliaan Van Hoelandt, kabinetssecretaris van socialistisch Justitieminister Piet Vermeylen. Onvermijdelijk misschien zou de OVM als denkkader fungeren waarbinnen de Feesten Vrijzinnige Jeugd werden vormgegeven. Brachten de Feesten immers niet dezelfde, ethisch vormende boodschap over aan de kinderen als aan de leerlingen in de klas? De Boomse OVM-afdeling organiseerde in ieder geval al in mei 1962 het eerste ‘Vrijzinnig jeugdfeest‘ in de Rupelstreek.81 De relatie tussen het Feest Vrijzinnige Jeugd en de lessen zedenleer was niet toevallig en ook niet vrijblijvend. Zo deelde de Antwerpse organisatie van het Feest mee dat alle twaalfjarigen welkom waren, op absolute voorwaarde dat ze hun plechtige communie niet hadden gedaan (en ook niet zouden doen) en zedenleer hadden gevolgd.82 In Kortrijk was er een derde voorwaarde: de ouders moesten lid zijn van OVM.83 Meer nog: de OVM-afdelingen in de steden werden aangemoedigd om het Feest te organiseren, indien dat lokaal nog niet zou gebeuren.84 Het is inderdaad opvallend dat zowat binnen het jaar na het verschijnen van nieuwe OVM-afdelingen, in die gemeenten voor het eerst Feesten Vrijzinnige Jeugd werden gehouden. OVM-Schoten ging in 1964 nog een stap verder: daar werd het initiatief ‘Feest der Zevenjarigen‘ in het leven geroepen – vooral vanuit de bekommernis dat de ouders anders die kinderen godsdienstlessen zouden laten volgen, omwille van de pracht en praal van de eerste communie.85

Net zoals de Werkgroep Leraren Ethiek bleef de OVM onder HV functioneren, hoewel zij wel over een eigen nationaal bestuur beschikte en ook werd aangemoedigd om lokale afdelingen in het leven te roepen. Dat nationaal bestuur was trouwens pas actief met ingang van de Algemene Vergadering van 16 december 1962. Dat er een nationaal bestuur in het leven werd geroepen had vooral te maken met het onder controle houden van de groei van de OVM, die als oorspronkelijk Antwerpse werkgroep plots overal afdelingen zag verschijnen.86 In 1962 alleen al verschenen er afdelingen in Kapellen, Sint-Niklaas, Gent, Oostende en Merksem. Het jaar daarop volgden Brussel, Schoten, Brugge, Hoboken, Aarschot, Kontich en Kortrijk, of werden de gesprekken opgestart om deze afdelingen te stichten. In 1964 volgden Aalst, Leuven, Wilsele, Blankenberge, Hasselt, Leopoldsburg, Lier, Turnhout, Zottegem en Bree.

Tegen dan werd de omvorming van de werkgroep tot een vzw ernstig overwogen. Maar niet iedereen was het hiermee eens: niet alleen zou de OVM als vzw volledig onafhankelijk van HV functioneren, maar ook op het vlak van subsidies zou de vereniging zich op onbekend terrein begeven.87 De reden waarom de omvorming van de werkgroep tot vzw op de agenda werd geplaatst, had in de eerste plaats met patrimoniumbeheer
te maken. De Algemene Vergadering van de OVM ging op 27 november 1966 over tot de stichting van de vzw; de statuten werden op 20 april 1967 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Als feitelijke stichters werden Jef Grootaert, Luc Devuyst, Jan Verlinden, Edward De Proft en Roger Van de Ven genoteerd; deze vormden respectievelijk als voorzitter, ondervoorzitter, secretaris, penningmeester en redactiesecretaris het Dagelijks Bestuur. Medio 1966 telde de OVM 34 afdelingen: dertien in Antwerpen, zeven in West-Vlaanderen, zes in Brabant, vier in Oost-Vlaanderen en vier in Limburg.88

3.4. Lekenbijstand

Al in de jaren 1950 uitte HV haar ambitie om morele bijstand aan particulieren te organiseren en te officialiseren. Humanitas was oorspronkelijk een HV-werkgroep, die op 16 december 1958 als aparte vzw haar statuten ondertekende.89 Eerste voorzitter werd de Etterbeekse leerkracht Frans Vermeirre. Humanitas stelde zich tot doel om morele bijstand en praktisch maatschappelijk dienstbetoon te verlenen op vrijzinnighumanistische basis. In de loop van haar bestaan zouden onder meer Lydia Blontrock, leraar Jan Verlinden, dokter René Dierckx en Roger Van de Ven bestuursmandaten opnemen.

Humanitas presenteerde zichzelf als moreel consultatiebureau avant la lettre. Van meet af aan werd de wens geuit om morele consultatie ook in de gevangenissen toe te passen, temeer omdat de Kerk daar het monopolie had.90 De overheid erkende er intussen het werk van de aalmoezeniers. Als gevolg stelde de socialistische Justitieminister Piet Vermeylen in 1962 daarom vier moreel consulenten aan, die in de gevangenissen van Nijvel en Leuven werden ingezet. De moreel consulenten waren niet bevoegd om juridische, noch om sociale bijstand te verlenen.91

Hieruit vloeide in 1964 de oprichting van de Stichting Morele Bijstand voor Gevangenen of SMBG voort. Het initiatief werd gedragen door meerdere instanties, over de taalgrens heen. De inrichtende machten waren, naast HV, Humanitas, La Pensée et Les Hommes, de Union rationaliste de Belgique en het Grootoosten van België. Elk van hen liet zich door drie leden vertegenwoordigen in de Beheerraad van de SMBG.

Later zou La Pensée et Les Hommes vervangen worden door de Vereniging Ernest De Craene, nauw verbonden aan de Belgische Federatie van Le Droit Humain.92 De erkenning van de SMBG als instelling van openbaar nut gebeurde per Koninklijk Besluit van 6 oktober 1964. Eerste voorzitter werd advocaat Marcel Windey.

Het initiatief van minister Vermeylen leek aan vrijzinnige zijde unaniem te worden toegejuicht. Maar uiteindelijk was dit maar een druppel op een hete plaat, wetende dat België een zestigtal strafinstellingen telde. In 1970 waren 40 moreel consulenten aangesteld, maar dit was nog te weinig om in alle gevangenissen aanwezig te kunnen zijn. Charleroi, Merksplas en Hoogstraten-Wortel bijvoorbeeld moesten het zonder stellen. En wat de 40 actieve consulenten betreft, was de kwaliteit ongelijk verdeeld.93

Niet alleen het gevangeniswezen werd geconfronteerd met katholieke aalmoezeniers als gesprekspartners van de internen. Hetzelfde gold ook voor de ziekenhuizen en het leger. Ieder jaar vervulden immers ongeveer 45.000 jongemannen hun dienstplicht gedurende 12 maanden. Net zoals in de gevangenissen waren de financiële middelen nagenoeg onbestaand om de werking van de moreel consulenten in het leger uit te bouwen.

Intussen werd in 1968 aan het Rijksuniversitair Centrum Antwerpen de symbolische functie van moreel consulent ingericht om het pluralisme ten aanzien van de katholieke studentenparochie te garanderen. Hiervoor was eigenlijk geen vraag, noch van de Antwerpse studentengemeenschap, noch van HV. De functie werd waargenomen door Michel Oukhow.94 Wat de ziekenhuizen betrof, werd voorlopig niets concreets ondernomen.

4. De consolidatie van het vrijzinnig humanisme

4.1. De veranderende samenleving

Zoals we al zagen, trad HV meerdere keren op als initiatiefnemer van spin-offs, die zich telkens op bepaalde vrijzinnig-humanistische strijdpunten toelegden. De Oudervereniging voor de Moraal was erbij gekomen, de Humanistische Jongerenbeweging en de Werkgemeenschappen Moraal hadden zich omgevormd tot Humanistische Jongeren en vanuit Humanitas werd de lekenconsulentie gestimuleerd. De verwevenheid binnen de humanistische familie wordt duidelijk bij de doorlichting van de Beheerraad van HV. Terwijl de stichters – zijnde Karel Cuypers, Robert Dille, Lucien De Coninck en Jan Broeckx – nog stevig op de voorgrond van de vereniging stonden, zagen we namen zoals die van inspecteurs Richard Van Cauwelaert en Walter Matthijs opduiken, waarmee de belangstelling voor het onderwijs en de cursus niet-confessionele zedenleer werd onderstreept; Piet Kimzeke droeg zowel de petjes van Het Vrije Woord als de Belgische Vereniging voor Seksuele Opvoeding; Jaap Kruithof werd zowel met OVM als met de Rijksuniversiteit Gent geassocieerd, wat trouwens ook van Lucien De Coninck moest worden gezegd; de aanwezigheid van Adriaan Verhulst haalde de banden met het Willemsfonds aan en die van Frans Vermeirre die met Humanitas.95 De lijst met effectieve leden, opgenomen in de Algemene Vergadering, las als een staalkaart van het vrijzinnig humanisme. Naast genoemde namen vonden we hier ook bijvoorbeeld Leo Apostel, Raymond Maeckelberghe, André Vanhassel, Jan Engelen, Roger Van de Ven, Juliaan Van Hoeylandt, Willy Calewaert, Herman Corijn, André Denys, Robert Moucheron, Jos Van Ussel, Luc Devuyst en Michel Oukhow terug.96 Vrouwen ontbraken volledig.

Toch slaagde HV er nauwelijks in om in het brede maatschappelijk debat haar stem te laten horen. Dat had enerzijds te maken met een gebrek aan professionalisering. Anderzijds leek de schijnbare secularisatie van de samenleving zich te voltrekken, zonder dat HV hier enige rol van betekenis in speelde. Op 11 oktober 1962 had paus Johannes XXIII het Tweede Vaticaans Concilie geopend, dat op 8 december 1965 door Paulus VI werd afgesloten. Het Concilie had tot doel de katholieke samenleving beter te laten aansluiten bij de eigen tijd. De bekende advocaat Piet Van Eeckhaut, die op dat moment verbonden was aan HJB, merkte terecht op dat het Concilie onrechtstreeks een crisis bij de vrijzinnigen veroorzaakte: progressieve katholieken wensten nu de dialoog aan te gaan, wat de vrijzinnige strijdvaardigheid ondermijnde.97 Economie en productie beleefden intussen hoogdagen, waardoor de reële lonen omhoog gingen en een echte consumptiemaatschappij haar intrede deed. Dit had tot gevolg dat de doorsnee burger zich meer kon permitteren dan ooit voordien, waarmee ook het gezag van traditionele instanties, zoals de Kerk, in het gedrang kwam. Tegelijk werd het isolement van de rurale samenlevingen doorbroken, gingen steeds meer vrouwen buitenshuis werken en werden media en vrijetijdsbeleving steeds belangrijker.98

Dit was het kader waarbinnen het vrijzinnig humanisme zichzelf als alternatieve levenshouding kon presenteren. Er was slechts een, niet onbelangrijk probleem: in tegenstelling tot de katholieken konden de vrijzinnigen zich nooit, en ook niet einde jaren 1960, aanbieden als één blok. Vandaar dat er op 24 januari 1968 met veel klaroengeschal het Humanistisch Manifest werd aangekondigd, waarbij initiatiefnemer HV pretendeerde dat zij namens het geheel van de vrijzinnigheid sprak. Dit was trouwens de tweede keer, op slechts enkele jaren tijd, dat zo een document werd geopenbaard.

In dit Humanistisch Manifest eiste het Humanistisch Verbond de afschaffing van de eedformule “Zo helpe mij God” op de rechtbank, de uitbouw van het inspectiekorps niet-confessionele zedenleer, het waarborgen van de werkelijke neutraliteit van het officieel onderwijs en de verruiming van de wetgeving aangaande anticonceptiva en uitvaarten. HV bekritiseerde daarnaast het gebrek aan pluralisme in de algemene programmatie van de BRT; de verplichting aan miliciens om deel te nemen aan katholieke plechtigheden; en de afwezigheid van moreel consulenten in de gezondheidszorg.99

4.2. De Unie Vrijzinnige Verenigingen

Vooral de aanhoudende discussies met de publieke omroep bleven de verdeelde vrijzinnige verenigingen zorgen baren. Vanaf 1965 werd er nagedacht over een vrijzinnig beleid dienaangaande, dat niet enkel door de schouders van het Humanistisch Verbond moest worden gedragen. Zodoende werd er op 18 november 1965 in het Brussels hotel Plaza een meeting gehouden met vertegenwoordigers van een twintigtal vrijzinnige verenigingen en organisaties. Deze Staten-Generaal der Vrijzinnigheid in Vlaanderen kwam er op initiatief van Julien Kuypers en Albert Maertens, respectievelijk voorzitter en ondervoorzitter van de BRT-Beheerraad, en waarbij vooral werd gekeken hoe de Franstalige tegenhanger – zijnde La Pensée et Les Hommes – de praktische en inhoudelijke invulling van de televisie- en radio-uitzendingen organiseerde.

Op 9 juni 1966 kwamen de vrijzinnige verenigingen opnieuw samen in Brussel, deze keer in de Graaf van Egmont, tegenover de KVS in de Lakensestraat. Deze bijeenkomst lanceerde formeel de Unie Vrijzinnige Verenigingen of UVV, onder het gezamenlijk voorzitterschap van Kuypers en Maertens.

Veel stelde UVV als feitelijke vereniging eigenlijk niet voor. Pas vanaf 1970 begon de noodzaak van een vrijzinnige koepelorganisatie echt door te dringen. In dat jaar zou de Eerste Staatshervorming overgaan tot de stichting van Gewesten en Gemeenschappen, waarbij cultuur en onderwijs van het nationaal niveau werden overgeheveld. In welke mate zou het ‘katholiek Vlaanderen’ de werking van de vrijzinnige cultuurverenigingen kunnen belemmeren? Bovendien werd de autonome Vrije Universiteit Brussel boven de doopvont gehouden en werd, eveneens in 1970, het stemrecht verlaagd van 21 naar 18 jaar. UVV werd omgevormd tot een vzw met HV als een van de lidorganisaties. In tegenstelling tot wat HV enkele jaren eerder voorzag was zijzelf er niet in geslaagd om alle vrijzinnige organisaties te verenigen.

4.3. De verbreding van de radius: het vrijzinnig-humanistisch vormingswerk

In de jaren 1970 veranderde het sociocultureel veld ingrijpend, wat uiteraard ook gevolgen had voor de vrijzinnig-humanistische organisaties. Dit had niet alleen te maken met de Eerste Staatshervorming, maar vooral met het Cultuurpact. De kern van dit akkoord van 1972 bestond erin dat de verschillende ideologische en filosofische strekkingen in het Vlaamse cultuurbeleid betrokken moesten worden. Vlaanderen telde op dat ogenblik een hele reeks van socioculturele organisaties, vaak met een eigen kleur of levensbeschouwing, en de overheid wenste hierin meer overzicht te krijgen. Het Cultuurpact werd gevolgd door een reeks van Vlaamse decreten, met betrekking tot de verenigingen (1975), de instellingen (1978), de amateurkunsten (1980) en de politieke vormingsinstellingen (1985).

Per decreet van 15 juli 1975 erkende het ministerie van Nederlandse Cultuur zowel HV en OVM als instellingen van sociocultureel vormingswerk. Beide waren de enige, uitgesproken vrijzinnige instanties in Vlaanderen die aan hun doelpubliek een ontmoetingsruimte aanboden met een specifiek sociocultureel programma. Missie en visie van HV en OVM konden al eens in elkaar overvloeien, temeer wanneer er bijvoorbeeld op lokaal vlak geen HV-afdeling bestond en de wel aanwezige OVM-afdeling een gelijkaardig profiel aannam. Zowel HV als OVM organiseerden allerhande culturele activiteiten, gaande van voordrachten, toneelstukken en filmavonden tot uitstappen en rondleidingen.100 Met andere woorden: zowel het ‘deelnemen aan’ als het ‘vormen van’ waren basiselementen van de activiteiten van HV en OVM.

En hierin zat de adder onder het gras van het decreet op het sociocultureel vormingswerk voor volwassenen. Het liet niet toe dat verenigingen zoals HV en OVM zich langer met andere zaken bezighielden dan juist dat vormingswerk. Daarom waren zij verplicht om beide autonome verenigingen in te bedden in een nieuwe organisatie: het Humanistisch Vrijzinnig Vormingswerk of HVV. Ze functioneerden voortaan als HV/HVV en OVM/HVV.

Omwille van de decretale bepalingen moest HV ook haar radio- en televisie-activiteiten afstoten wegens niet-sociocultureel vormend. Deze werden ondergebracht in een aparte vzw: het Humanistisch Instituut voor Massamedia of HIMM. De transcripties van de radio-uitzendingen, vroeger opgenomen in Het Vrije Woord, verschenen voortaan in het HIMM-tijdschrift De Vrije Micro.

4.4. De Vrijzinnige Koepel als sociocultureel steunpunt

Hoewel de culturele instanties per definitie pluralistisch hoorden te zijn en er via allerhande advies- en overlegorganen zoals gemeentelijke cultuurraden over werd gewaakt, werd er aan vrijzinnige zijde voor marginalisering gevreesd. De niet-vrijzinnige ideologieën namen alvast de vlucht vooruit en groepeerden hun socioculturele verenigingen in koepelorganisaties. In 1971 zou het Centrum voor Sociaal-Cultureel Werk (CSCW), van katholieke signatuur, ontstaan. Dit werd datzelfde jaar gevolgd door de pluralistische Bond voor Vormings- en Ontwikkelingsorganisaties (BVVO). Niet veel later volgde het Centrum voor Arbeidsvorming en Cultuurbeleid (Centravoc), in november 1973 opgericht als koepel van de vormingsorganisaties van de christelijke arbeidersbeweging en onderdeel van het ACW.101 Het decreet op de koepelorganisatie van 2 januari 1976 verankerde hun werking.

Andere koepels waren het Coördinatiecentrum voor Liberaal Socio-Cultureel Beleid (CLSB),102 de Centrale voor Socialistisch Cultuurbeleid (CSC),103 de pluralistische Vlaamse Culturele Koepel (VCK) en de Vlaamse Akademie voor Kulturele Belangen (vakbel). Samengesteld uit de vertegenwoordigers van de verschillende zuilen, trachtten de koepels te wegen op het cultuurbeleid.104

Na een drie jaar durende voorbereiding werd de vzw Vrijzinnige Koepel voor Niet-Confessionele en Humanistische Verenigingen en Instellingen op 30 juni 1983 opgericht. Negen socioculturele organisaties vormden de kern: naast HV/HVV vonden we hier ook het liberale Willemsfonds terug en de Uitstraling Vrije Universiteit Brussel.105 Eerste voorzitter werd Luc Devuyst vanuit HVV; ondervoorzitter was Leo Ponteur
namens het Willemsfonds. Vanaf einde 1983 ontving de Vrijzinnige Koepel al een werkingssubsidie; per 1 januari 1984 volgde de formele erkenning door Gemeenschapsminister voor Cultuur Karel Poma,106 die vervolgens per 1 april 1985 vijf personeelsleden toekende aan de Vrijzinnige Koepel, mede dankzij enig gelobby door voorzitter en ondervoorzitter.107 Eerste directeur werd Marcel Bulckaert, die in feite al in functie was vóór de toekenning van personeelskosten.

De Vrijzinnige Koepel was een vrij diffuse constructie. Alle initiële lidverenigingen waren aangesloten bij UVV, met uitzondering van de in 1980 opgerichte Humanistische Werkgroep voor Conflictstudies of HUWECO; het Willemsfonds behoorde ook tot de liberale koepel CLSB. Het Vermeylenfonds daarentegen werd niet in de Vrijzinnige Koepel opgenomen, ondanks haar lidmaatschap van UVV; ze ressorteerde wel onder de socialistische koepel CSC. Het aantal effectieve en geassocieerde leden werd later uitgebreid, nadat deze een uitdrukkelijke verklaring van filosofische verwantschap hadden ondertekend. Zodoende werd in de loop der jaren de Vrijzinnige Koepel verder uitgebreid.

In de praktijk organiseerde de Vrijzinnige Koepel studiedagen en congressen over beleidsmateries, debatten over culturele en maatschappelijke thema’s, contactvergaderingen en kadervorming voor personeelsleden – onder andere wat betreft informaticabeheer – van de aangesloten organisaties. Verder nam de Koepel zich voor om lokale samenwerkingsverbanden tussen de socioculturele organisaties te stimuleren, om de nieuwe decreten – bijvoorbeeld aangaande media en bibliotheken – op te volgen en om de schouders te zetten onder een nieuwe vrijzinnige documentatie- en archiefdienst. Dat zou in 1986 het Vrijzinnig Studie-, Archief- en Documentatiecentrum worden, dat genoemd werd naar de kort voordien overleden Karel Cuypers.108

Gezien haar laattijdige lancering, haar beperkte omvang en haar bescheiden werkingsterrein slaagde de Vrijzinnige Koepel er vrij goed in enige bedrijvigheid aan de dag te leggen: in 1989 alleen al werden er 26 studiedagen ingericht, meestal in Brussel of Antwerpen. Tijdens andere jaren was de frequentie lager. Over het bereik van deze activiteiten is er discussie: zo werden in 1992 hoop en al 200 deelnemers bereikt.109

De Vrijzinnige Koepel bleef wel ondergeschikt aan de dominante aanwezigheid van de andere koepels in het cultuurveld. De Vrijzinnige Koepel zag zich hierdoor verplicht om zich “in te kapselen in eigen structuren” en via de struggle for life te streven naar een pluralistische samenleving, precies zoals de geest van het Cultuurpact dat voorschreef.110 Bovendien waren alle koepels al snel verworden tot logge instanties, die zich als zuilen bleven profileren op een moment dat de ontzuiling zich al volop had ingezet en die via bureaucratische overlegorganen zoals de Hoge Raad voor de Volksopleiding, het Vlaams Centrum voor Volksontwikkeling en het Nederlands-Vlaams Contactcentrum voor de Volksontwikkeling tot compromisvoorstellen kwamen, die vervolgens aan de bevoegde minister werden meegedeeld.

Eigenlijk traden de koepels op als steunpunten voor de aangesloten organisaties, die zo ook praktische informatie kregen meegedeeld, bijvoorbeeld wat betreft BTW-verplichtingen, juridische zaken of publicaties. Dat was ook de reden waarom de koepels behoorden tot de culturele commissie van de Vereniging voor Belgische Steden en Gemeenten, of de Studiegroep vzw’s. Met uitzondering van haar uitgesproken participatie aan het sociocultureel gebeuren leek er echter niet veel verschil te zijn tussen de Vrijzinnige Koepel en UVV.

Daarnaast verschenen er al vrij snel twee eigen tijdschriften, Bindteken en Starter, die respectievelijk tien en vier nummers per jaar telden, en waarin de lidverenigingen hun werking, programma en standpunten aan elkaar konden bekendmaken. Het aantal abonnementen was bijzonder beperkt. Starter telde in het jaar van haar lancering (1985) nauwelijks 24 abonnees, terwijl Bindteken de driehonderd niet overschreed.111 Cijfers voor andere jaren ontbreken in de verslagen. Naar het einde van de jaren 1990 toe trad een opmerkelijke dynamiek in. Het aantal vormingsactiviteiten werd opgedreven en de Vrijzinnige Koepel toonde een opvallende participatie in allerhande overlegorganen op beleidsniveau.

Met het aantreden van de paars-groene regeringen in 1999 werden de betekenis en opdracht van de koepels door Vlaams Cultuurminister Bert Anciaux onder de loep genomen. De acht koepels toonden hun bezorgdheid: de nieuwe minister liet alvast weten te zullen snijden in hun budget.112 De beleidsverklaring van Anciaux ging in 2000 nog een stap verder: het decreet op de koepels zou in 2001 worden afgeschaft,
wat de facto het einde van deze organisaties zou inhouden. Al het personeel van de Vrijzinnige Koepel vloeide in de loop van 2000 en 2001 af. In haar laatste werkingsjaar werd de maatschappelijke zetel van de vzw overgebracht naar het thuisadres van voorzitter Suzy Mommaerts in Antwerpen; de vzw werd tot dusver nog niet formeel ontbonden.

Voetnoten

  1. De auteur verwijst in dit artikel geregeld naar archiefstukken die bewaard worden bij CAVA. Deze archieven werden inmiddels geïnventariseerd. De inventarissen kunnen online geraadpleegd worden via www.cavavub.be.
  2. E. Witte, De Belgische vrijdenkersorganisaties (1854-1914). Ontstaan, ontwikkeling en rol, in Tijdschrift voor de Studie van de Verlichting, 5 (1977), 2-3, p. 127-286.
  3. J. Lory, Libéralisme et instruction primaire 1842-1879. Tome I, Leuven, Nauwelaerts, 1979, p. 303-309.
  4. B. Gasenbeek & J. Nabuurs, Op zoek naar het ware, het goede en het schone. 150 jaar vrijdenkersbeweging in Nederland (1856-2006), in B. Gasenbeek & P. Derkx (red.), Georganiseerd humanisme in Nederland. Geschiedenis, visies en praktijken, Utrecht, Humanistisch Archief/Amsterdam, SWP, 2006, p. 10-11.
  5. J. Fransen, Het Humanistisch Verbond. Ontstaan, uitbreiding en crisis (1951-1961), in BTNG/RBHC, XXVIII (1998), 3-4, p. 499-500.
  6. A.L. Constandse, Geschiedenis van het humanisme in Nederland, Den Haag, Kruseman, 1978, p. 174.
  7. H.R. Hoetink, Het humanisme in deze tijd, in Vrij Nederland, 6 (23 februari 1946), p. 26.
  8. H. Bonger, Bouwstenen tot de geschiedenis van het Humanistisch Verbond, in H. Bonger (red.), 10 jaar Humanistisch Verbond, Utrecht, HV, 1956, p. 4.
  9. Beginselverklaring van 24 april 1955, in Mens en Wereld, 10 (1955), p. 10.
  10. Het Humanistisch Verbond leverde van meet af aan twee stemgerechtigde afgevaardigden in de Raad van Beheer van de IHEU, en was daarmee een van de zes lidverenigingen die hiertoe de mogelijkheid hadden. Zie E. Liukku, Het fonds van de H-groep: een onderzoek naar de ordeningen aangetroffen in het fonds van archieven van humanistische verenigingen, bewaard in het Vrijzinnig Ontmoetingscentrum te Antwerpen, Brussel, VUB (onuitgegeven eindverhandeling archivistiek en hedendaags documentbeheer), 2001, p. 6.
  11. Voor een overzicht, zie De stem van het Humanistisch Verbond, 1946-1965, Utrecht, HV, 1966, p. 45-50.
  12. R. Peeters, Een boegbeeld…, in W. Matthijs, F. Moerkerke & I. Van Hoof (red.), Liber Amicorum Robert Dille, Antwerpen, Humanistisch Verbond, 1992, p. 69.
  13. Kaderblad van het Humanistisch Verbond, 1965, p. 5.
  14. J. Fransen, Het Humanistisch Verbond, p. 504-505.
  15. In alle andere correspondentie wordt 2 december 1951 als stichtingsdatum vermeld, terwijl het Staatsblad het wel degelijk heeft over 1 december.
  16. W. Matthijs, Vanzelfsprekend. 35 jaar Humanistisch Verbond, Antwerpen, HIMM, 1988, p. 34.
  17. CAVA, archief R. Dille, A.D. chronologisch, document Contactvergadering voor de oprichting van een Vlaams Humanistisch Verbond.
  18. CAVA, archief HV/HVV, jaren 50, map 1952.
  19. CAVA, archief R. Dille, A.D. chronologisch, document Contactvergadering voor de oprichting van een Vlaams Humanistisch Verbond.
  20. CAVA, archief HV/HVV, jaren 50, map 1952, brief van W. De Coster aan R. Dille, 7 maart 1952.
  21. CAVA, archief HV/HVV, verslag van de vergadering van de Beheerraad van 20 december 1952.
  22. CAVA, archief R. Dille, A.D. chronologisch, brochure Humanistisch Verbond vzwo.
  23. E. Borms, Hebben ongelovigen dan toch een levensbeschouwing? Het levensbeschouwelijk vak niet-confessionele zedenleer in Vlaanderen, in Ethiek en Maatschappij, 11 (2008), 3, p. 42.
  24. Het Vrije Woord, 6 (1961), 4, p. 55-56.
  25. CAVA, archief HV, doos 6, briefwisseling 1956-1959, brief van penningmeester Marcel Van Lancker aan Robert Dille, april 1959.
  26. F. Roels, En toen kwam het Humanistisch Verbond, in De Geus, 46 (2012), 9, p. 5-6.
  27. R. Van Cauwelaert, Onze geestelijke Vrijheid, in Diogenes, maandschrift voor ethische cultuur, 1 (januari 1958), 1, p. 11-17.
  28. J. Fransen, Het Humanistisch Verbond, p. 509-513.
  29. CAVA, archief HV/HVV, doos jaren 50, map 1953, brief van L. De Coninck aan K. Cuypers, 25 mei 1953.
  30. CAVA, archief HV, doos 6, briefwisseling 1956-1959, balans op 3 juli 1958.
  31. A. Verhulst, Zoon van een ‘foute’ Vlaming, Kapellen, Pelckmans, 2000, p. 99.
  32. CAVA, archief HV, doos 6, briefwisseling 1956-1959, brief van Karel Cuypers aan Hein Picard, 1 september 1958.
  33. Hoewel Willy Calewaert, vóór hij politiek actief werd, al eens optrad als spreker bij HV-Antwerpen. Zie Diogenes, 1 (1954), 5, p. 152.
  34. CAVA, archief HV, doos 6, briefwisseling 1956-1959, verslag van de secretaris van de Algemene Vergadering, 27 december 1958, p. 2.
  35. De evolutie van de vrouwelijke aanwezigheid in de Algemene Vergadering en de Beheerraad van HV (en of er ook vrouwen deel uitmaakten van de besturen van de plaatselijke afdelingen), dient nog nader onderzocht te worden.
  36. W. Prevenier & G. Declercq, Lucien De Coninck en de structurering van de vrijzinnigheid in Vlaanderen, in Lucien De Coninck (1909-1988): bioloog, humanist, ‘t zaller, Gent, ‘t Zal wel Gaan, 1990, p. 37.
  37. Het Vrije Woord, 6 (1961), 11, p. 161-163.
  38. Het Vrije Woord, 7 (1962), 11/12, p. 189.
  39. Kaderblad van het Humanistisch Verbond, 11 (1967), p. 4-5.
  40. CAVA, archief Hugo Wilri – Lydia Mulkens, stuk 2, Kongres Vrijzinnige Jeugd, 1966, ontwerp van slotresoluties.
  41. Diogenes, 3 (1955), 3, p. 83-84.
  42. CAVA, archief HV, doos jaren 50, verslag van de eerste vergadering van het raadgevend Comité voor de Uitzendingen van Lekenmoraal en -filosofie, 4 mei 1955.
  43. CAVA, archief HV, doos 6, briefwisseling 1956-1959, brief van Roger Demeester aan Michel Tiberghien, 12 november 1957.
  44. CAVA, archief HV, doos jaren 50, brief van Karel Cuypers aan Lucien De Coninck, 23 oktober 1955.
  45. CAVA, archief HV, doos jaren 50, brief van Karel Cuypers aan Emiel Leemans, 12 november 1955.
  46. CAVA, archief HV, doos jaren 50, brief van Karel Cuypers aan de leden van het Raadgevend Comité, 23 november 1955.
  47. J. Fransen, Het Humanistisch Verbond, p. 514-515.
  48. Het Vrije Woord, 8 (1963), p. 261.
  49. CAVA, archief HV, nr. 160, Huishoudelijk reglement Radio- en Televisiekring, s.d.
  50. Diogenes, 2 (1954), 1, p. 32.
  51. CAVA, archief HV, doos 6, briefwisseling 1956-1959, verslag der vergadering van 17 november 1956.
  52. HSV verdween na het academiejaar 1967/1968.
  53. Ad Valvas, 1 (1961), 1, p. 2.
  54. Pro en Contra, 2 (1956), 1, p. 1.
  55. CAVA, archief HJB, stuk 3, brochure Kongres van de Humanistische Jongerenbeweging, 1965, p. 2.
  56. Pro en Contra, 6 (1961), 2/3, p. 16.
  57. CAVA, archief Hugo Wilri – Lydia Mulkens, stuk 1, persmededeling HJB, 3 december 1960.
  58. CAVA, archief Hugo Wilri – Lydia Mulkens, stuk 1, brochure.
  59. CAVA, archief WeMo, stuk 1, samenstelling nationaal bestuur, s.d.
  60. CAVA, archief WeMo, stuk 1, verslag organisatie jeugdbeweging, s.d.
  61. CAVA, archief WeMo, stuk 1, nota van enkele leraars zedenleer met betrekking tot het oprichten van een jeugdbeweging, s.d.
  62. CAVA, archief HJB, stuk 2, verslag samenkomst HJB-WeMo, 11 november 1968.
  63. Pro & Contra, 14 (1970), 1, p. 1.
  64. CAVA, archief HJB, stuk 2, voorstel statuten van HJ, s.d.
  65. CAVA, archief HJB, stuk 2, rondschrijven van algemeen secretaris Freddy Sonnemans aan de HJB/WeMo-afdelingen, 3 maart 1969.
  66. E. Liukku, Het fonds van de H-groep, p. 8.
  67. In tegenstelling tot het middelbaar onderwijs was het in het lager onderwijs niet mogelijk om de keuze tussen godsdienst en zedenleer te maken om de simpele reden dat er geen leergang zedenleer bestond. Wel konden de ouders, op uitdrukkelijk verzoek, hun kinderen vrijstellen van het volgen van godsdienstles. (CAVA, archief HV, doos jaren 50, brief van Robert Dille aan De Standaard, 31 januari 1955.)
  68. Ouderblad, 1 (1963), 1, p. 5.
  69. Diogenes, 3 (1955), 1, p. 28.
  70. De Moralist, 3 (1958), 3, p. 26-36.
  71. De Moralist, 4 (1958), 1, p. 5.
  72. V. Dujardin, M. Beyen & Ph. Destatte, Nieuwe geschiedenis van België. III. 1950 – heden, Tielt, Lannoo, 2009, p. 1389-1415.
  73. J. De Groof, Het Schoolpact van 1958. Algemeen kader. Enkele specifieke beschouwingen, in E. Witte, J. De Groof, J. Tyssens (red.), Het Schoolpact van 1958. Ontstaan, grondlijnen en toepassing van een
    Belgisch compromis/Le Pacte scolaire de 1958. Origines, principes et application d’un compromis belge
    , Brussel, VUBPress, 1999, p. 632.
  74. A. Laridon & J. Mertens, Schoolstrijd en Schoolpact, Oostende, August Vermeylenfonds, 1988, p. 61.
  75. Kern van de boodschap die Devuyst en Van Cauwelaert samen met ULB-prorector Janne overbrachten aan de Senaatscommissie Onderwijs, in Het Vrije Woord, 6 (1961), 15, p. 238.
  76. De Moralist, 8 (1963), 3, p. 49.
  77. Ministerieel Besluit van 8 maart 1961.
  78. De Moralist, 6 (1961), 26, p. 159.
  79. CAVA, archief OVM, stuk 43, reglement OVM, s.d., 1961.
  80. CAVA, archief OVM, stuk 565, activiteitsverslag OVM, Algemene Vergadering, 14 december 1962.
  81. OVM Mededelingen, 1 (1962), 3, p. 4.
  82. Ouderblad, 1 (1963), 1, p. 11.
  83. Ouderblad, 2 (1964), 4, p. 13.
  84. Ouderblad, 1 (1963), 2, p. 11.
  85. Ouderblad, 2 (1964), 5, p. 12.
  86. D. Vrydag, Het verhaal van de moraal. 40 jaar OVM, 1961-2001, Antwerpen, OVM, 2001, p. 11.
  87. CAVA, archief OVM, stuk 46, brief van Jan Verlinden aan Lucien De Coninck, 22 januari 1967.
  88. CAVA, archief WeMo, stuk 1, OVM, lijst van bestaande afdelingen en hun nummers, toestand in juni 1966.
  89. B.S. 31 januari 1959, p. 124.
  90. Het Vrije Woord, 3 (1959), 5, p. 71.
  91. CAVA, archief R. Dille, A.D. chronologisch, map z.d., document Humanitas vzw, informatienota voor de morele consulenten nr. 1.
  92. Achter de muren. Vijftigste verjaardag van de Stichting voor Morele Bijstand aan Gevangenen/Derrière les murs de la prison. Cinquantième anniversaire de la Fondation pour l’Assistance morale aux détenus, Brussel, SMBG, 2014, p. 9.
  93. Humanistisch Verbond 20 jaar, in Het Vrije Woord, 17 (1971), 9bis, p. 48-49.
  94. Kaderblad van het Humanistisch Verbond, 5 (1968), 20, p. 8.
  95. Kaderblad van het Humanistisch Verbond, 1 (1964), 1.
  96. Kaderblad van het Humanistisch Verbond, 1 (1964), 1 & 3.
  97. Kaderblad van het Humanistisch Verbond, 5 (1968), 17, p. 8.
  98. E. Witte, Dechristianisering en secularisering in België, in R. Willemyns (red.), Actuele facetten van vrijzinnigheid in Vlaanderen, Brussel, 1983, p. 32-33.
  99. Kaderblad van het Humanistisch Verbond, 5 (1968), 16, p. 3.
  100. CAVA, archief R. Dille, dossier A.D. 027, werknota uitbouw HVV, p. 4.
  101. L. Schokkaert, De sociaalculturele organisaties, in P. Van den Eeckhout & G. Vanthemsche (red.), Bronnen voor de studie van het hedendaags België, 19e-21e eeuw, Brussel, Koninklijke commissie voor geschiedenis, 2009, p. 1033.
  102. Een kwarteeuw Liberale Cultuurkoepel 1972-1997, themanummer van Liberaal Reflex, 1997, p. 2.
  103. P. Creve, De socialistische sociaalculturele organisaties, in P. Van den Eeckhout, G. Vanthemsche (red.), Bronnen voor de studie van het hedendaags België, p. 1067.
  104. H. Hinnekint & R. Roels, Sociaal-cultureel werk in de Vlaamse Gemeenschap: functies en toekomst van het jeugdwerk, het openbaar bibliotheekwerk en het ontwikkelingswerk, Leuven, Acco, 1994.
  105. Vandaag is dit Uitstraling Permanente Vorming vzw, de wetenschap-populariserende dienst aan de Vrije Universiteit Brussel.
  106. Dit werd met terugkerende werking pas bekrachtigd door het Ministerieel Besluit van 15 januari 1987 (B.S. 14 maart 1987).
  107. CAVA, archief Vrijzinnige Koepel, 46, brief van Leo Ponteur en Luc Devuyst aan Karel Poma, 6 februari 1985.
  108. CAVA, archief Vrijzinnige Koepel, 18, werkingsprogramma’s 1983 tot 1986. In 2014 ging dit centrum samen met het Universiteitsarchief van de VUB op in CAVA, het Centrum voor Academische en Vrijzinnige Archieven.
  109. CAVA, archief Vrijzinnige Koepel, 19, werkingsverslag 1992.
  110. CAVA, archief Vrijzinnige Koepel, 18, werkingsprogramma 1987/1988.
  111. CAVA, archief Vrijzinnige Koepel, 19, werkingsverslag 1987.
  112. CAVA, archief Vrijzinnige Koepel, 19, jaarverslag 1999.


Verwijzen naar dit artikel kan als volgt: Koppen Jimmy, Historisch overzicht van het vrijzinnig humanisme in Vlaanderen en Brussel van de Tweede Wereldoorlog tot in de jaren 1980, in Op zoek… De evolutie van het vrijzinnig humanisme in Vlaanderen sinds de Tweede Wereldoorlog, Brussel, Centrum voor Academische en Vrijzinnige Archieven, 2018, pp. 25-55.

Deze pagina werd voor het laatst geüpdatet op 9 april 2018.

Reacties gesloten