Jimmy Koppen & Frank Scheelings1 — Vrijzinnig jeugdwerk

1. Inleiding

De aandacht van de (georganiseerde) vrijzinnigheid voor jeugdwerking ligt volledig in lijn met de initiële vertrekpunten van de beweging. Zo gingen de basisgedachten van het Humanistisch Verbond, ten tijde van haar stichting begin jaren 1950, al uit naar vorming en onderwijs. Haast automatisch vloeide hieruit een belangstelling voort voor alles wat met de ontwikkeling van kinderen en jongeren te maken had. De inrichting van de Lentefeesten en Feesten Vrijzinnige Jeugd was hiervan een voorbeeld, maar ook de belangstelling voor een waardevolle inhoudelijke invulling van de lessen niet-confessionele zedenleer. Wat de Feesten Vrijzinnige Jeugd betreft, maken we alvast een belangrijke opmerking. In bepaalde steden – zoals Antwerpen en Gent – gaat deze traditie terug tot vóór de Tweede Wereldoorlog, maar in het algemeen zijn de Feesten Vrijzinnige Jeugd, en in tweede instantie de Lentefeesten, vrij recente tradities. Ze zullen meestal vorm krijgen in de schoot van de plaatselijke afdelingen van de Oudervereniging voor de Moraal vanaf de jaren 1960. Hoe dan ook: de Feesten vallen buiten de focus van deze bijdrage, die zich toelegt op de vraag hoe en in welke mate de geschiedenis van het vrijzinnig jeugdwerk kan worden onderzocht en benaderd.

Wat wordt onder jeugdwerk verstaan? En wat is de relatie tussen jeugdwerk, de jeugdverenigingen en de jeugdbeweging? We gaan eerst even in op de begrippen en geven daarna een korte geschiedenis van het kader waarin de vrijzinnige jeugdverenigingen en het vrijzinnig jeugdwerk ontstaan.

2. Enkele begrippen

Wat is eigenlijk jeugdwerk en hoe verhoudt dit zich tot een jeugdvereniging of een jeugdbeweging?

Het begrip ‘jeugdwerk’ heeft in de loop van de geschiedenis diverse betekenissen gehad.2 Het is oorspronkelijk een paternalistisch gegeven, gegroeid uit de Oeuvres de Jeunesse (patronaten) rond 1800 en ondersteund door de in Vlaanderen snel verspreide pedagogische ideeën rond de zondagschool, o.m. van de Italiaanse priester Don Bosco.3 Doordat er bij diverse ideologisch geïnspireerde groepen aandacht groeit voor de mentale gezondheid van de jeugd, ontstaat een discussie over hoe de jeugd moet aangepakt worden om later te passen in de maatschappij. Opvoeding wordt daardoor een maatschappelijk onderwerp. Twee stromingen zijn hierin aanwezig: enerzijds de stroming die uitgaat van de beschermingsidee (de ziel van het jonge kind is een onbeschreven blad en moet beschermd worden) en anderzijds de stroming die gelooft in verandering, toekomst, groei en creativiteit, met de idee dat kinderen in de vrije tijd competenties kunnen ontwikkelen die anders niet ontdekt zouden worden.4 Daaruit ontstaat een tegenstelling. Het beschermende model is top-down geïnspireerd: volwassenen doen ‘aan jeugdwerk’. Het ontwikkelingsmodel is eerder bottom-up geïnspireerd: daarin staat het geven van ruimte en zelforganisatie centraal. In de 19de eeuw overheerst de eerste stroming. De morele bekommernis om de jeugd spreekt een aantal pedagogen op de scholen aan. Deze zien de (ideologisch geïnspireerde) jeugdbeweging als middel om aan jeugdwerk te doen. Vandaar dat de jeugdbewegingen ontstaan op de scholen en universiteiten. De jeugdbewegingen zullen, zeker tot het einde van de jaren 1950, een centrale rol spelen in het jeugdwerk.

Na de Tweede Wereldoorlog verandert het kader: de Belgische Staat is zich bewust van de opvoedkundige waarde van de jeugdbewegingen, maar zij ziet het ook als haar eigen overheidstaak om de jeugd te coachen. Ze wil een eigen beleid voeren en richt een jeugddienst op: de Nationale Dienst voor de Jeugd. De beleidsaandacht verschuift in Vlaanderen langzaam van de verzuilde jeugdbeweging naar het jeugdwerk voor niet-georganiseerde groepen jongeren. Dat gebeurt onder invloed van nieuwe jeugdfenomenen die buiten de jeugdbeweging vallen en waarop politici vanuit een bepaalde ideologie een antwoord wilden geven: nozemcultuur in de jaren 1950 (vaak verwoord als de problematiek van de laaggeschoolde ‘losgeslagen jeugd’) en de provocultuur in de jaren 1960 (zijnde de problematiek van de ‘kritische hooggeschoolde jeugd’). De jeugd emancipeert en dit vergt een nieuw beleid, waarin begrippen als vrijheid, openheid, democratisering, dialoog, toenadering tot het andere geslacht en hulpverlening aandacht krijgen.5 Sinds de jaren 1960 ontstaan daardoor nieuwe vormen van jeugdwerk, die totaal los staan van de jeugdbewegingen. Door het toegenomen vrijetijdsaanbod en de veranderingen in de maatschappij ondergaat het jeugdwerk specialisatie en differentiatie.6 Het ontstaan van de vele lokale jeugdclubs is hier een voorbeeld van. In 1975, met het decreet op het landelijk jeugdwerk, komt een subsidieregeling tot stand voor organisaties die over meer dan drie provincies heen werken. Het jeugdwerk neemt dan een behoorlijke vlucht en professionaliseert.7 Verschillende decreten hebben sedertdien de evolutie beïnvloed, omdat ze het kader vastleggen waaraan de verenigingen zich moeten houden, bijvoorbeeld de verplichting om op regelmatige basis beleidsplannen op te stellen en in te dienen.8

De Vlaamse overheid definieert jeugdwerk vandaag als volgt: “Jeugdwerk is sociaalcultureel werk op basis van niet-commerciële doelen voor of door de jeugd van drie tot en met dertig jaar, in de vrije tijd, onder educatieve begeleiding en ter bevordering van de algemene en integrale ontwikkeling van de jeugd die daaraan deelneemt op vrijwillige basis.9
Het Agentschap Sociaal Cultureel Werk voor Jeugd en Volwassenen stelt verder dat een jeugdvereniging “een privaatrechtelijke of feitelijke organisatie [is] die onder educatieve begeleiding sociaal-culturele initiatieven neemt met jeugd in de vrije tijd.” De meeste jeugdverenigingen vallen onder een koepelvereniging, die dan gezien kan worden als ‘de jeugdbeweging’. Een jeugdbeweging omvat dus een hele groep van lokale afdelingen, die telkens een grote mate van autonomie genieten en ressorteren onder een (federale) koepel. Hun autonomie is vaak bijzonder groot.
Een jeugdvereniging is niet hetzelfde als een studentenkring; die laatste heeft een specifieker doel.

3. De wortels van het jeugdwerk in Vlaanderen: de jeugdbewegingen

Zoals hierboven gezegd, ontstaan de jeugdverenigingen op de scholen en universiteiten op het einde van de 19de eeuw. Leerlingen, studenten en leidinggevenden worden gedreven door educatieve en politieke motieven: in eerste instantie een reactie tegen de dominantie van het Frans. In Vlaanderen speelt de romantiek, geïnspireerd door Conscience en later ook door Albrecht Rodenbach, een grote rol voor de jeugd om zich op de scholen te verenigen.10 Van bij de start verzeilen de jeugdbewegingen daardoor in het ideologische kader en de partijpolitieke structuren, iets wat zijn hoogtepunt zal bereiken tijdens het Interbellum. Ze kunnen dan nog functioneren zonder enige vorm van overheidsregelgeving of -controle.

Vanaf de Tweede Wereldoorlog ontwikkelen de jeugdbewegingen zich ten volle en heeft een massalisering plaats. Aan katholieke kant11 kent men – naast de scouts en gidsen – de Katholieke Arbeidersjeugd (KAJ voor de jongens en VKAJ voor de meisjes) voor de arbeiders,12 het Jeugdverbond Voor Katholieke Actie (JVKA) als koepel, de Boerenjeugdbond voor de boeren (°1937), de Chiro (°1941) voor de parochies, om van de studenten- en scholierengroeperingen (met de invloedrijke Katholieke Studenten Actie13) maar te zwijgen.

Voor de socialistische jeugdbeweging tot 1945 is onderzoek gedaan door Martine Vermandere,14 voor de periode erna moet men vooral terugvallen op afzonderlijke licentiaatsverhandelingen.15 In 1945 wordt het Socialistisch Jeugdverbond opgericht als koepel. De jeugdbeweging heeft diverse onderafdelingen: in 1955 maken de Jongsocialisten zich los uit de Socialistische Jeugd om zich uitsluitend op de politieke werking te concentreren. In 1965 wordt er opnieuw gereorganiseerd: het Socialistisch Kinder- en Valkenverbond (SKVV) onderscheidt voortaan de kindergroepen, de hobbyclubs en de Valken. In 1976 worden de Rode Valken en de Kernvalken twee aparte verenigingen.16 Diverse socialistische jeugdverenigingen hebben naast elkaar bestaan, soms vertrekkend vanuit een andere ideologie. Bijvoorbeeld de na de Tweede Wereldoorlog ontstane Socialistische Jeugd (aansluitend bij de socialistische partij) en de Socialistische Jonge Wacht, die zich al eerder van de partij heeft losgemaakt en in 1969 uiteindelijk voor een trotskistische koers kiest.
Vanaf 1946 komen ook de jeugddiensten van de mutualiteiten op. Vanaf die datum mogen de mutualiteiten een speciale bijdrage innen voor het organiseren van preventieve luchtkuren voor de kinderen van hun leden, waardoor ze de grootste organisatoren worden van vakantiekolonies. Na de Tweede Wereldoorlog hebben de Socialistische Vooruitziende Vrouwen dus geijverd voor vakantiemogelijkheden voor hun kinderen via de socialistische mutualiteit.17

De liberale jeugd groepeert zich na de Tweede Wereldoorlog in het Nationaal Verbond der Liberale Jeugd van België, dat de koepel vormt voor de vroegere Liberale Jonge Wachten (die al in 1872 ontstaan zijn en zich in 1961 zullen omvormen tot Jong VLD) en enkele liberale jeugdverenigingen.18 In 1958 ontstaat hieruit ook de Vrouwelijke Liberale Jeugd en in 1964 pakt de liberale mutualiteit uit met een jeugddienst.19 De socialistische en liberale jeugdbewegingen hebben echter veel minder aantrekkingskracht dan de katholieke. Ze voelen zich ook minder sterk verbonden met het antimoderne romantische discours, dat de katholieke en Vlaams-nationale jeugdbewegingen domineert.20

Het plaatje moet ten slotte aangevuld worden met de jeugdgroepen langs Vlaams-nationalistische kant. Net na de Tweede Wereldoorlog ontstaan lokale groepen als de Zilvermeeuwtjes (°1944, in Brussel) en het Sint-Arnoutvendel (°1946, Antwerpen), die uitmonden in het Jeugdverbond der Lage landen (°1947) en het daaruit voortgekomen Algemeen Diets Jeugdverbond (°1949) (later Blauwvoetjeugdverbond). In de periode na de oorlog leiden sommige van deze groepen een bijna clandestien bestaan.21

Naast al deze jeugdverenigingen zijn er natuurlijk de scouts. De scouts zijn in hun oorspronkelijke betekenis een ge├╝niformeerd en protestants geïnspireerd genootschap voor jongens, met typerende gebruiken en dito jargon, opgericht door Baden-Powell in 1907-1909. In de loop van de 20ste eeuw is de beweging in België gemodelleerd volgens de Belgische maatschappelijke structuren, wat resulteert in katholieke en niet-katholieke scouts, en Vlamingen en Franstaligen. De eerste scoutsgroep, die bovendien pluralistisch van aard is, wordt in 1910 in Brussel opgericht,22 wat ook de start inhoudt van de Boy-Scouts van België. Deze wordt in 1913 gevolgd door de Katholieke Scouts en in 1919 door de Girl-Guides van België. In het Interbellum splitsen de katholieke scouts zich in twee taalafdelingen. De pluralistische Belgische Open Gidsen- en Scoutsbeweging (een andere organisatie dan de katholieke scouts), versmelt in 1945 tot de Boy-Scouts en Girl-Guides van België of BSB-GGB. Door een conflict binnen deze koepelorganisatie verlaten enkele Antwerpse groepen haar in 1964. Ten gevolge hiervan ontstaan in 1966 eveneens twee autonome vleugels, een voor elke taalgroep. De BSB-GGB vormt zich om tot Fédération des Eclaireuses et Eclaireurs, vandaag Scouts et Guides pluralistes, en Federatie voor Open Scoutisme of FOS. In haar statuten wordt opgenomen dat het FOS “tot doel heeft, door de toepassing van het scoutisme en het guidisme volgens de methode van Baden-Powell, bij te dragen tot de opvoeding van de jeugd.23

Het is in de verzuilde naoorlogse context en tijdens de tweede Schoolstrijd (1950-1958) dat het Humanistisch Verbond in de jaren 1950 haar belangstelling voor het jeugdwerk laat blijken. Het is duidelijk dat het jeugdlandschap op dat moment al overvol is en dat het moeilijk zal zijn om een behoorlijk ‘marktaandeel’ te verwerven. De eerste humanistische jongerengroep, het Humanistisch Jeugdverbond (°1953; infra), is eigenlijk een voorbode van de provobeweging van de jaren 1960. Het is een progressieve groep die alle kenmerken heeft van de zich emanciperende jeugd, die kritisch staat ten opzichte van gevestigde waarden en oude normen. Dit soort jongerengroepen zullen in de loop van de jaren 1950 en 1960 steeds belangrijker worden, zeker in de studentenmilieus. Hun maatschappijkritisch discours is modern en non-conformistisch en dus totaal anders dan dat van de traditionele jeugdbewegingen. Het verklaart direct de aantrekkingskracht van de humanistische jongerengroepen. Tegelijk sluiten de opvattingen die deze groepen hebben gemakkelijk aan bij de veranderde opvattingen over wat jeugdwerk dient te zijn, waardoor de weg voor verdere ontwikkeling van de humanistische jongerenbeweging open ligt.

De jeugdverenigingen zelf maken zich immers sedert de jaren 1970 los van het verzuilde kader. Veel katholieke verenigingen profaniseren, hetzij in hun formele structuren (naamsveranderingen, bijvoorbeeld katholieke scouts die de K uit de naam haalden), hetzij in hun bestuurspraxis, waarbij ze zich in hun standpunten haaks opstellen tegenover het verzuilde hoofdkwartier en waarbij de vaak zeer jonge bestuursleden geen binding hebben met het zuilenkader. Het Vlaamse beleid speelt hierop in en tegen 2000 hebben de steunpunten en belangenverdedigers de plaats ingenomen van de klassieke ideologische koepels.

4. Welke jeugdverenigingen kunnen ‘vrijzinnig’ genoemd worden?

Door het late ontstaan van het vrijzinnig jeugdwerk is het vrijzinnig humanisme slechts beperkt aanwezig in het diverse landschap van de jeugdwerking in Vlaanderen. Van de 60 landelijk erkende en gesubsidieerde jeugdverenigingen is er anno 2014 slechts eentje die zich een uitgesproken vrijzinnig profiel aanmeet, te weten hujo.be. Daarnaast neemt de meerderheid een pluralistische houding aan, maar meestal zonder dit expliciet te melden in bijvoorbeeld brochures of statuten. Zijn de pluralistische jeugdorganisaties vrijzinnig? Laten we JOETZ, Crejaksie, FOS Open Scouting en Jeugd Rode Kruis als voorbeeld nemen. JOETZ en Crejaksie zijn de jeugdorganisaties van respectievelijk de socialistische en liberale mutualiteiten, en ze hebben banden met respectievelijk de socialistische jeugdbeweging en de liberale jeugdbeweging. Crejaksie was bovendien ook een tijdlang lid van de Vrijzinnige Koepel. De vereniging vermeldt ook duidelijk in artikel 2 van haar statuten dat haar activiteiten kaderen in “het perspectief van een sociaal, maatschappij-kritisch engagement, gesteund op de principes van een geactualiseerd liberaal humanisme.24 Maar betekent dit automatisch dat Crejaksie een ‘vrijzinnig’ label mag worden opgekleefd?

Uit de missie en visie van FOS Open Scouting blijkt dan weer een humanistische insteek: er wordt verwezen naar ‘actief pluralisme’,25 een houding die de georganiseerde vrijzinnigheid over het algemeen uit wil dragen (hoewel mogelijk niet elke vrijzinnige het hiermee eens is).26 Wat onder ‘open’ scoutisme en actief pluralisme moet worden begrepen, legt het FOS uit op haar website: “Etnische en sociale afkomst, nationaliteit, geaardheid of fysieke omstandigheden mogen nooit een reden zijn om iemand te weigeren. Ook filosofische, godsdienstige of politieke overtuiging is geen reden om iemand niet welkom te heten, zolang deze overtuiging verenigbaar is met deze principes en die van scouting.27 Elementen die verder vermeld worden, zijn: omgaan met diversiteit, verbreding van de doelgroep, het doorbreken van barrières tussen mensen en groepen, bewustwording en sociale actie, zingeving en de houding die uit actief pluralisme voortvloeit. Het verschil tussen pluralistische en katholieke scouts is moeilijk zichtbaar, hoewel de pluralistische scouts in de minderheid zijn.28 Het jargon en de uiterlijke verschijningsvorm zijn grotendeels identiek. Het verschil is pas merkbaar op het tweede niveau, wanneer bijvoorbeeld de beleidsnota’s worden bekeken of wanneer de internationale correspondentie met betrekking tot de inhoudelijke boodschap van het scoutisme wordt gelezen. Zo wordt er bijvoorbeeld in Engeland, bakermat van de beweging, verwacht dat de verschillende nationale formaties verwijzen naar een opperwezen. Het FOS heeft deze ‘verplichting’ ontweken door niet expliciet de eer aan het opperwezen als grote motivatie van het wezen van het scoutisme te benoemen, maar wel de (vrij in te vullen) hogere idealen.
Het FOS kende in haar geschiedenis wel enkele vrijzinnige voorvechters, maar de afgelopen twee decennia speelt dit aspect geen rol van betekenis meer. Op cruciale momenten komt het pluralistische element wel nog aan de oppervlakte. Enkele jaren geleden bijvoorbeeld werd de beweging ingezet om tot een fusie met Scouts en Gidsen Vlaanderen – het voormalig Vlaams Verbond van Katholieke Scouts en Meisjesgilden – te komen. Deze fusie werd finaal afgewend op de Algemene Vergadering van FOS in 2014.

Bij andere verenigingen, zoals bijvoorbeeld Jeugd Rode Kruis, worden humanistische waarden als verdraagzaamheid en respect voor de menselijke waardigheid centraal gesteld vanuit het zorgperspectief,29 maar op basis hiervan kan men JRK moeilijk expliciet vrijzinnig noemen.

De onderzoeker kan deze pluralistische organisaties bijgevolg moeilijk tot het vrijzinnig jeugdwerk rekenen. Wanneer we dus spreken van expliciet ‘vrijzinnig jeugdwerk’ wordt dit de facto verengd tot hujo.be en de voorgangers. We moeten hierbij dan wel bedenken dat er een ruimer pluralistisch kader is waarin andere organisaties, zoals de jeugdbewegingen en de verenigingen die we zonet vermeld hebben, een rol spelen.

5. Uitgesproken vrijzinnige jeugdverenigingen

Aangezien hujo.be de enige expliciet vrijzinnige jeugdbeweging is, lijkt het evident om hier wat meer aandacht aan te besteden. De vereniging die vandaag bekend is onder de naam hujo.be heeft als vrijzinnige jeugdvereniging een lange en soms wat onoverzichtelijke geschiedenis. De eerste aanzetten tot een autonome jeugdvereniging ontstaan als het Humanistisch Verbond van Gent in 1953 een speciale afdeling opricht.30 Dit wordt het Humanistisch Jeugdverbond (HJV). Het HJV richt zich zowel tot jongeren als studenten, wat nogal logisch is gezien universiteitsstad Gent de thuisbasis is. Vanuit HJV wordt spoedig de weg geëffend voor een vrijzinnige studentenkring: het Humanistisch Studentenverbond (HSV).

Zodoende overlapt HSV met het Taalminnend Studentengenootschap ‘t Zal Wel Gaan. Dit is zeker geen jeugdvereniging as such – en deze opmerking geldt voor alle studentenkringen aan alle universiteiten en hogescholen (want ook in Brussel is er sedert 1949 de studiekring Vrij Onderzoek, als deel van het Brussels Studentengenootschap). De doelstellingen en activiteiten van een studentenvereniging zijn van een andere orde. HSV bevindt zich echter op de wip tussen een ‘echte’ studentenkring en een jeugdvereniging. ‘t Zal Wel Gaan staat alvast aan de wieg van het HSV in 1955 en haar initiatiefnemers – zoals de zonen van HV-medestichter Lucien De Coninck, Frank Roels, Jef Schell, Frans Snacken en Filip Polk – zijn tegelijk vrijzinnig geëngageerd én student.31 Gezien de context van de universiteit is lidmaatschap van HSV uiteraard pas mogelijk vanaf 18 jaar. Haast onmiddellijk lanceert HSV een eigen tijdschrift: het tweewekelijks blad Pro en Contra. Het heeft aandacht voor de internationale samenwerking tussen vrijzinnig humanisten, biedt een forum aan de Belgische Vereniging voor Seksuele Voorlichting en neemt uitdrukkelijk stelling in, bijvoorbeeld tegen het kolonialisme.

De vage profilering van HSV – half studentenkring, half jeugdbeweging – wordt verder onderstreept door de oprichting van ‘debatclubs’ of regionale afdelingen in Antwerpen, Mechelen en Brussel. Maar bijvoorbeeld ook in Ronse, waar de prefect van het atheneum, Walter Debrock, lid van ‘t Zal in 1930 en later voorzitter van de VUB, in de jaren 1950 een centrale rol speelt in de vrijzinnige gemeenschap.32 Het geheel van deze HSV-afdelingen hervormt zich in 1956 tot de Humanistische Jeugdbeweging (HJB). De HJB neemt een breder profiel aan dan HSV, dat trouwens als studentenkring aan de Rijksuniversiteit Gent en onder dezelfde naam, blijft verder bestaan. De HJB richt zich tot de leerlingen van het secundair onderwijs en vooral tot diegenen die in de officiële scholen zedenleer volgen. In de zomer van 1958 wordt een kleine, subtiele naamswijziging doorgevoerd. Voortaan heet de Humanistische Jeugdbeweging de Humanistische Jongerenbeweging. Ze gaat er prat op dat zij de enige gemengde nationale jongerenbeweging is “die niet geleid wordt door ouderen” en benadrukt haar politieke onafhankelijkheid.33

Het tijdschrift Pro en Contra is tegelijk een uitgave van HSV als het “orgaan van de Humanistische Jongerenbeweging“. Daarnaast verschijnt er een nieuw ledenblad, Ad Valvas, gericht op de Gentse studenten. Ook de HJB-afdelingen starten zowat allemaal met een eigen periodiek. In veel gevallen gaat het hierbij om een bundel van stencils, samengehouden met nietjes, met een minimale aandacht voor lay-out en met zo goed als geen illustraties. De Antwerpse afdeling heeft Taboe; Brussel Poging; Gent Spiraal; Oostende Havenhumanist; Geraardsbergen Mistral; Leuven Paraat; Neerpelt Phoenix; Sint-Niklaas Echo; en Ronse Dixi.34 Eigenlijk kent alleen Pro en Contra een zekere professionele uitstraling. Het ziet, als nationaal tijdschrift, tussen 1962 en 1965 haar oplage toenemen van 1.600 naar 5.000 exemplaren en claimt daarmee het grootste jongerenblad van het land te zijn.35 Het verschijnt naast het gestencild gratis maandblad Humanistische Jongerenbeweging, dat eigenlijk niet veel meer is dan een weergave van de Raden van Bestuur en een opsomming van activiteiten.

De HJB is bijzonder gedreven in maatschappelijk engagement. Zo is de organisatie mee verantwoordelijk voor de Anti-Atoommarsen in Brussel in de jaren 1960. Ook besteedt de vereniging aandacht aan onderwerpen als seksuele opvoeding (toen nog nauwelijks bespreekbaar) en ontwikkelingshulp.36 Lidmaatschap van HJB is mogelijk vanaf 15 jaar.

Voor jongere kinderen bestaat er tot het begin van de jaren 1960 niets en dat wordt door veel vrijzinnigen aangevoeld als een lacune. Hiervoor wordt de Werkgemeenschap Moraal (WeMo) opgericht. De WeMo (ontstaan rond 1964)37 kent een heel andere geschiedenis dan de HJB. Haar ontstaan moet in de toenmalige context worden begrepen: het moet een vrijzinnig alternatief vormen in een veld waar tal van katholieke jeugdverenigingen dominant aanwezig zijn. Kinderen tussen 6 en 15 jaar kunnen deelnemen aan de buitenschoolse activiteiten van WeMo. Gezien de leeftijd van het doelpubliek kan deze jeugd natuurlijk niet zelf instaan voor de werking van haar eigen jeugdvereniging. Bijgevolg wordt deze vooral geleid door ouders en leerkrachten uit het rijksonderwijs. Daarboven fungeert de Oudervereniging voor de Moraal als initiatiefnemer van de WeMo. Daar ziet men de Werkgemeenschap ook als kweekvijver voor de OVM: de jongeren die aan haar activiteiten deelnemen zullen in een volgende fase bestuursfuncties kunnen opnemen, om – na hun 25ste – aansluiting te zoeken bij de OVM. Binnen enkele jaren telt de jeugdorganisatie ruim 20 afdelingen met een totaal van meer dan 3.000 leden.38

Samenwerking tussen WeMo – met leden tot 15 jaar – en HJB – met leden vanaf 15 jaar – is evident. Dit vertaalt zich in de eerste plaats naar de organisatie van gezamenlijke jongerencongressen. De programma’s verraden een vrij ‘volwassen’ invulling: zo zijn terugkerende thema’s vrijzinnigheid, cultuur en seksualiteit. In de slotverklaringen wordt vaak uitdrukkelijk de steun uitgesproken voor het rijksonderwijs en de cursus niet-confessionele zedenleer.

Door de samenwerking is het de logische gang van zaken dat HJB en WeMo binnen afzienbare termijn samensmelten. Aldus worden beide in 1968 ondergebracht in de Humanistische Jongeren of HJ, met als roepnaam Hajee. De inspecteurs Robert Moucheron en Luc Devuyst bepalen de eerste richting.39 In haar statuten stelt Hajee zichzelf tot doel om onafhankelijk “de vrijzinnige jeugd door discussie, ontspannings-, culturele en sportactiviteiten te ontplooien” en “de humanistische gedachte uit te bouwen en te verspreiden“. Bovendien onderstrepen de statuten het belang van de democratische waarden, de afkeer van racisme en het streven naar wereldvrede.40 Gezien de internationale context van de late jaren 1960, waar de Vietnamoorlog en de Amerikaanse burgerrechtenbeweging het nieuws domineren, is dit een begrijpelijk standpunt. In tegenstelling tot HV zal Hajee zich vaker met persmededelingen tot het grote publiek wenden.

Vanaf 1969 wordt Hajee geleid door voorzitter Jaak Vliegen; vanaf 1970 is vooral Ghislain Cloosen, als nationaal secretaris, het gezicht van de jongerenorganisatie. Van meet af aan organiseert Hajee filmvoorstellingen, congressen en reizen en wordt het HJB-tijdschrift Pro en Contra overgenomen. De aandachtspunten van het verleden blijven hetzelfde, alleen worden er nu nieuwe thema’s aangeraakt, zoals drugs, vrouwenemancipatie en muziek. Binnen de afdelingen is er aandacht voor de thema’s van de eigen tijd, zoals ontwikkelingshulp en de derdewereldproblematiek in het algemeen.

Begin jaren 1970 telt Hajee een veertigtal lokale afdelingen. Tal van nieuwe afdelingen zijn opgericht, maar ook bestaande verenigingen worden aan HJ gekoppeld, zoals de Limburgse afdeling van de Werkgroep Moraal (Liwemo) en de OVM-werkgroep Socrates uit Vilvoorde. Wie de historiek van het vrijzinnig jeugdwerk wil achterhalen dient zich bijgevolg niet tot het nationaal niveau te beperken, maar moet ook op zoek gaan naar relevante informatie in de lokale afdelingen. Dit is best een uitdaging. Vaak zijn de afdelingen verdwenen, zonder rechtstreekse archiefsporen achter te laten. Eén echt opvallende organisatie verdient apart vermeld te worden: de HJ-afdeling van Leopoldsburg neemt in 1985 het initiatief tot het muziekfestival Pukkelpop, wat zal uitgroeien tot één van de bekendste popfestivals in Vlaanderen.

De dienstverlening, zoals het organiseren van reizen, tekenwedstrijden, dagen vrijzinnige jeugd, vorming vakantiemonitoren,… neemt een steeds groter deel van de werking van HJ in, waardoor het inhoudelijke dreigt verloren te gaan. Om dit tegen te gaan wordt de Humanistische Jongerenservice (Humjos) opgericht om de dienstverlening over te nemen. Humjos wordt, omwille van haar uitstappen naar het buitenland, een erkende reisorganisatie met een touroperatornummer. HJ spitst zich toe op het ideologische werk. Om zelfstandiger te kunnen functioneren van de volwassenwerking in Antwerpen verhuizen HJ en Humjos naar Brussel.41 In 1979 zijn Humjos en HJ uit elkaar gegroeid en volgt er een breuk. HJ ontwikkelt vervolgens weer een eigen dienstverlening.42 Zo organiseren zowel HJ (voor hun leden) als Humjos (als erkend reisbureau) reizen.43

HJ blijft actief op verschillende terreinen. In 1985 lanceert HJ bij het bezoek van de Paus aan ons land, de paussticker “Pope is dope! Le Châteauneuf-du-pape est arrivé“. De sticker wordt in Veurne in beslag genomen en leidt tot een proces-verbaal wegens smaad aan de paus.44

De subsidiërende overheid vindt de splitsing in HJ en Humjos maar niets en vraagt opnieuw een samengaan. Ondanks het gezamenlijk beleidsplan van HJ en Humjos vallen beide in 2004 zonder subsidies. Doordat hun activiteiten verspreid zijn over verschillende decreten, vallen ze tussen twee stoelen. Om het voortbestaan te verzekeren wordt er voluit voor het jeugdwerk gekozen en wordt Humjos weer afgesplitst. Met de wijziging van de afkorting van HJ naar het huidige HUJO wordt een nieuwe koers uitgezet.45 De operatie slaagt en vanaf 2007 wordt HUJO erkend en gesubsidieerd als landelijk georganiseerd jeugdwerk. HUJO kent een nieuwe bloei en zal vanaf dan de belangrijkste speler zijn voor het vrijzinnig jeugdwerk. Humjos wordt in september 2005 ontbonden.46

6. Bronnen en onderzoekspistes voor een verdere verkenning van de vrijzinnige jeugdverenigingen en de jeugdwerking

Wie de geschiedenis van het vrijzinnig jeugdwerk wil analyseren wordt met een aantal hindernissen geconfronteerd. Welke jeugdverenigingen hebben bestaan? Waar is het archief? Als een vereniging ophoudt te bestaan, verdwijnt het archief vaak in stilte. Welke bronnen zijn belangrijk om interessante informatie te vinden? Het gebrek aan kennis van de eigen geschiedenis bij de verenigingen en de herhaaldelijke naams- en statutenwijzigingen maken het moeilijk om gegevens terug te vinden, bijvoorbeeld om sleutelfiguren uit de besturen te detecteren. We gaan hieronder wat dieper op de problemen in en proberen enkele oplossingen aan te reiken die verder onderzoek mogelijk maken.

6.1. Op zoek naar verenigingen

Jeugdverenigingen veranderen regelmatig hun naam en/of statuten. De naam van de plaatselijke jeugdvereniging verwijst niet altijd naar de koepel. Concreet voorbeeld: de Kortrijkse vzw Polyfinario is een afdeling van hujo.be. Dit is niet onmiddellijk duidelijk en dat heeft tot gevolg dat het reconstrueren van de geschiedenis van de jeugdverenigingen vaak geen sinecure is. Via o.a. de Bijlagen tot het Belgisch Staatsblad kan je snel al heel wat informatie terugvinden.47

6.2. Wisselende besturen

Het bestuur van een jeugdorganisatie blijft in de meeste gevallen maar voor een relatief korte periode in functie. Dit is ook vrij logisch, gezien de doelstellingen van de instantie. Kennis over het verleden van de organisatie vervaagt dus snel. Toch kan het wel gebeuren dat professionele beleidsmedewerkers gedurende meerdere jaren op hun post blijven en zo een soort van ‘levend geheugen’ van de jeugdvereniging worden. Twee voorbeelden zijn Ghislain Cloosen (Humjos) en Carry De Paepe (later voorzitter van HVV Waregem), althans wat de vrijzinnige jeugdbeweging betreft. Soms zijn personen in meerdere verenigingen actief en kan er een persoonsgebonden link worden waargenomen. Frans Snacken48 bijvoorbeeld zal in de jaren 1960 ook zijn schouders onder het FOS plaatsen.
Het tekort aan handen is in het verleden soms opgelost door beroep te doen op gewetensbezwaarden, die aanmerkelijk langer in dienst moeten blijven dan dienstplichtigen. De wet van 3 juni 196449 wordt in 1969 ruimer geïnterpreteerd, waardoor gewetensbezwaarden, in plaats van hun burgerdienst bij de Civiele Bescherming te doen, ook aan een medische, sociale of culturele organisatie verbonden kunnen worden.50 De jeugdverenigingen hebben ook de mogelijkheid om beroep te doen op gedetacheerden. Het gaat daarbij om vast benoemde leerkrachten, die voor een bepaalde periode als administratieve kracht worden tewerkgesteld door bijvoorbeeld Hajee.
Meer nog dan bij andere verenigingen misschien moet ook de rol van de vrijwilliger niet worden onderschat. Het is wel niet altijd evident om de juiste impact van de vrijwilliger te meten, althans niet aan de hand van archiefstukken. Persoonlijk contact in de vorm van interviews kan enig soelaas bieden.

6.3. Gebrek aan kennis van de eigen geschiedenis

Vaak kent de huidige generatie van bestuurders enkel de grote lijnen uit haar eigen geschiedenis. Bij verenigingen bestaat er soms wel een historisch overzicht naar aanleiding van een jubileum, maar dat is niet altijd van grote kwaliteit. In de hoop de geschiedenis te reconstrueren, kan men de vroegere jaargangen van de eigen tijdschriften doornemen, maar deze werkwijze garandeert geen succes. Dat heeft te maken met het doel van deze periodieken. Ze willen vooral kinderen en jongeren informeren over de activiteiten van de eigen jeugdbeweging of vereniging. Wel is het mogelijk dat een vrijzinnige of pluralistische jeugdvereniging in het verleden bepaalde maatschappelijke problemen onder de aandacht bracht en een houding propageerde. Een jeugdvereniging kon via haar tijdschrift bijvoorbeeld oproepen om te betogen tegen de plaatsing van kruisraketten. Op die manier kan enig maatschappelijk engagement worden waargenomen. De geïnteresseerde onderzoeker moet echter oppassen om dit soort activiteiten automatisch als kenmerk van vrijzinnig humanisme te interpreteren.

Wat de Humanistische Jongeren en haar voorgangers en opvolgers betreft, bestaat er geen enkel werk als dusdanig, behalve de in dit artikel aangehaalde bronnen. De scouts van het FOS zijn op dat vlak iets beter bedeeld.51 Via internetinitiatieven als een wiki kan historische informatie worden aangebracht, maar deze is niet geverifieerd. De tijdschriften van de lokale afdelingen van OVM of HV, die vaak de taak op zich nemen om ‘hun’ jeugdvereniging te ondersteunen, geven eveneens informatie over de activiteiten van lokale jeugdverenigingen.

6.4. De specificiteit van de archieven

Het vrijzinnig jeugdwerk en de vrijzinnig-humanistische jongerenverenigingen nemen zich bij de oprichting voor om de vrijzinnig-humanistische waarden via naschoolse activiteiten over te brengen. In de loop der tijden is dit verbreed: ze organiseren een heel scala aan activiteiten. Dit heeft tot gevolg dat hun archieven de weerslag zijn van enerzijds jeugdevenementen zoals bijvoorbeeld uitstappen, kampen of filmvoorstellingen, en anderzijds van acties waarmee men het sociaal engagement wil stimuleren (en die zich vaak ook tot een volwassen publiek richten), zoals themavoordrachten of deelname aan maatschappelijke acties. Daarnaast getuigen de archieven van het beleid en het bestuur in verslagen en van opkomende professionalisering door dossiers over vormingssessies van personeel en vrijwilligers.

6.5. Verspreiding van de archieven

Er zijn verschillende redenen waarom het archief van een jeugdvereniging verspreid raakt:

  • Verloop van bestuursleden: Vanaf een bepaalde leeftijd, meestal vóór 35, verlaten de meeste geëngageerden de jeugdbeweging. Personen verdwijnen en nemen archiefstukken mee – deze kunnen voor hen bijvoorbeeld een sentimentele waarde hebben – of gooien ze weg.
  • Verhuizingen: Ook verbouwingen en verhuizingen van de hoofdzetel kunnen hun gevolg hebben voor het archiefbeheer.52 Men laat zaken achter of verspreidt de archieven. De hoofdzetel van een jeugdvereniging is ook niet automatisch de bewaarplaats van de archieven.53 Soms zijn er meerdere bewaarplaatsen en wanneer er lokale afdelingen zijn, hebben die hun eigen archief.
  • Onwetendheid: Geëngageerden in een jeugdbeweging zijn vooral bezig met de organisatie van praktische gebeurtenissen, zoals fuiven, uitstappen of reizen. Eens deze evenementen zijn afgesloten, zien ze niet altijd de noodzaak of zin om de documenten hierover te archiveren. In principe moeten de verenigingen hun facturen, rekeninguittreksels en bestuursnotulen bijhouden voor een bepaalde, wettelijk vastgelegde periode. Al de rest wordt eigenlijk vanuit een bepaalde goodwill bewaard.

7. Slotbeschouwing: enkele onderzoekspistes54

Het historisch overzicht in dit artikel is slechts een ruwe schets. Een diepgaande studie over de geschiedenis van het vrijzinnig jeugdwerk moet nog ondernomen worden. Dat moet rekening houden met verschillende andere maatschappelijke evoluties. De vrijzinnige jeugdbeweging en het vrijzinnig jeugdwerk zijn – in de Vlaamse context – relatief recente fenomenen, tenzij men de veel oudere jeugdbewegingen van de socialistische en liberale partijen en de scoutsbeweging hiertoe zou rekenen. Die kenmerken zichzelf echter eerder als pluralistisch dan als vrijzinnig. Het is waarschijnlijk dat het vrijzinnig jeugdwerk zich verder ontwikkeld heeft parallel met de toenemende secularisering en het succes van de Feesten Vrijzinnige Jeugd. De band tussen deze factoren dient verder onderzocht te worden. Ook moet de geschiedenis van het vrijzinnig jeugdwerk natuurlijk gekaderd worden in de evolutie van de georganiseerde vrijzinnigheid en in de algemene en stormachtige evolutie die het jeugdwerk ondergaat vanaf de jaren 1950. Tegelijk moet het worden vergeleken met het jeugdwerk in de andere zuilen en worden bekeken tegen die achtergrond.

Een vraag die daarbij opkomt is: in hoeverre is het vrijzinnig jeugdwerk een uitzondering? Terwijl andere ideologische jeugdbewegingen sterk seculariseren in het laatste kwart van de 20ste eeuw, heeft het vrijzinnig jeugdwerk lang vastgehouden aan zijn levensbeschouwelijke identiteit. Hoe lang (nog)?

Is het een late volger van de klassieke verzuilde jeugdbewegingen of is het een voorbode van een nieuw soort jeugdbeweging, die zich heel bewust en militant afzet tegen een wat vage ‘levensbeschouwelijke neutraliteit’? Langs katholieke kant manifesteert zich immers de afgelopen tien jaar Jeugdpastoraal Vlaanderen, ontstaan uit de pluswerkingen (catechesegroepen). Het richt zich op zingeving vanuit het katholieke geloof en bouwt mee aan een katholieke identiteit. Hoewel Hujo daar moeilijk mee te vergelijken is, houdt het wel vast aan een expliciete ideologie55 en manifesteert het zich als lid van deMens.nu wel als deel van de georganiseerde vrijzinnigheid. Het militante karakter van de vereniging dient zeker verder historisch bestudeerd te worden.

Het onderzoek naar het ideologische debat in dergelijke verenigingen is dan ook uiterst interessant. We koppelen ideologie hier even los van de verzuiling. Als andere jeugdbewegingen zich steeds meer als pluralistisch en neutraal omschrijven, gaan ze doorgaans een discussie over de ideologie uit de weg. Is de pluralistische of neutrale insteek sterk genoeg om waarden en normen te vestigen en over te brengen? Uiteraard zullen de jeugdbewegingen aanvoeren dat ze diverse methodes gebruiken om de verantwoordelijkheid van jonge mensen te stimuleren, onder meer door het spelen. Dat klopt, maar methodes zijn niet de essentie van een waardensysteem. Voegt men daar een ideologische discussie aan toe, kan dat dan niet juist zeer verrijkend zijn? Dit debat heeft uiteraard meer een morele en pedagogische dimensie, dan een historische.

Een ander onderzoeksveld ligt op het lokale vlak. We weten nog te weinig over de lokale vrijzinnige jeugdverenigingen. Hoe en wanneer zijn ze ontstaan? Zijn ze talrijk (geweest) of niet? Welke instellingen (OVM? HV?…) en personen hebben een rol gespeeld bij dat ontstaan of bij verdwijnen?

Ten slotte weten we ook nog veel te weinig over het inhoudelijke. Voor welke maatschappelijke debatten interesseerden de vrijzinnige jeugdbeweging en jeugdverenigingen zich? Waarmee sprak men de jongeren aan? Hoe werden waarden tijdens de laatste halve eeuw overgebracht? Het is eigenlijk verbazend dat vrijzinnige jongerentijdschriften nog nauwelijks het voorwerp werden van inhoudsanalyses. We hebben hier slechts een tip van de sluier opgelicht en enkele suggesties gedaan voor verder onderzoek. We hopen dat verschillende studenten en onderzoekers deze problematiek in de toekomst willen bestuderen, ondanks het feit dat de bronnen soms fragmentarisch zijn en er soms op indirecte manier gezocht moet worden.

Voetnoten

  1. De auteurs willen prof. dr. Guy Redig (VUB) hartelijk danken voor de waardevolle reflecties die hij bij een eerste versie van dit artikel gaf. Dit liet ons toe het artikel met verschillende suggesties te verrijken. De auteurs verwijzen in dit artikel geregeld naar archiefstukken die bewaard worden bij CAVA. Deze archieven werden inmiddels geïnventariseerd. De inventarissen kunnen online geraadpleegd worden via www.cavavub.be.
  2. F. Coussée, De pedagogiek van het jeugdwerk, Gent, 2006, p. 84-85.
  3. F. Coussée, De pedagogiek…, p. 46 e.v.
  4. G. Redig, Jeugd, jeugdwerk, jeugdbeleid in en van Vlaanderen, Brussel, VUB, 2016, p. 5-6.
  5. F. Coussée, De pedagogiek…, p. 132-201.
  6. K. Seynaeve, L. Bral, Jeugdbeweging vandaag, in L. Bral (red.), Jeugdbeweging vandaag. Identiteit en plaats in de samenleving, Deurne, 1987, p. 17-28.
  7. K. De Backer, E. Van Effelterre, Historisch-pedagogische schets. Ooievaars en bloemkolen, in B. Van Bouchaute, I. Van de Walle en D. Verbist, Strax. Jeugdwerk verkent de toekomst, Leuven/Apeldoorn, Garant, 2001, p. 18-19.
  8. Voor verdere overzichten in verband met het jeugdwerk verwijzen we naar de publicaties van VUB-professor Guy Redig sinds 1985. Hij gaat regelmatig in op de historische context, maar zijn werken zelf getuigen ook van de evolutie. G. Redig, Jeugd(welzijns)beleid: een proeve tot inzichtelijk kader, een momentopname in Vlaanderen, een toetsing aan het gemeentelijk niveau, Brussel (onuitgegeven proefschrift), 1985; G. Redig, Jeugdwerk en jeugdwerkbeleid in en van Vlaanderen, in Gids sociaal-cultureel en educatief werk, 68 (2013), p. 9-106 en de hiervoor reeds aangehaalde publicaties.
  9. Decreet houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid van 20 januari 2012, zie: codex.vlaanderen.be/Portals/Codex/documenten/1021316.html (geraadpleegd op 15 juli 2017).
  10. L. Gevers, Bewogen jeugd. Ontstaan en ontwikkeling van de katholieke Vlaamse jeugdbeweging (1830-1894), Leuven, 1987, p. 91-104.
  11. L. Gevers en L. Vos, Jeugdbewegingen in Vlaanderen. Een historisch overzicht, in M. D’hoker en M. Depaepe (red.), Op eigen vleugels, Liber amicorum prof. An Hermans, Antwerpen, Garant, 2004, p. 59-70, online te raadplegen via www.canonsociaalwerk.eu/1925_cardijn/Jeugdbewegingen%20in%20Vlaanderen_historisch%20overzicht.pdf.
  12. L. Alaerts, Door eigen werk sterk. Geschiedenis van de kajotters en de kajotsters in Vlaanderen, 1924-1967, Leuven, Kadoc, 2004.
  13. L. Vos, Traditie als bron van vernieuwing. De katholieke studentenactie in Vlaanderen, 1955-1975, in Bijdragen tot de eigentijdse geschiedenis, 8 (2001), p. 133-179.
  14. M. Vermandere, Door gelijke drang bewogen? De socialistische partij en haar jeugdbeweging, 1886-1944, in Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis (30/60), Brussel, SOMA, 8 (2001), p. 225-256, elektronisch gepubliceerd op biblio.ugent.be/publication/1162939/file/1167647.
  15. Bijvoorbeeld: S. Blommaert, De Socialistische Jonge Wacht tussen 1945 en 1969. Van sociaal-demokratische tot revolutionair-socialistische jeugdorganisatie, Brussel, VUB (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1980; F. Vanden Abbeele, De socialistische jeugdbeweging in Vlaanderen: ontwikkeling, organisatie en werking: bijdrage tot een vergelijkende studie, Leuven, KULeuven (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1979; L. Vandenberghe, De socialistische jeugd: voorlopig rapport (Historiek en situering van het jeugdwerk in Vlaanderen), Leuven, Studiecentrum voor Jeugdproblematiek, 1968; T. Van Cleven, 1945-1995: 50 jaar Socialistisch Jeugdverbond, Brussel, SJV, 1995; A. Wouters, Vrijheid is verantwoordelijkheid. Geschiedenis van de Socialistische Jeugd (1944-1958), Brussel, VUB (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1988.
  16. P. Creve, De socialistische sociaal culturele organisaties, in P. Van den Eeckhout en G. Vanthemsche, Bronnen voor de studie van het hedendaagse België, 19de-20ste eeuw, Brussel, Koninklijke Commissie voor Geschiedenis, 2009, p. 1071-1072; www.kcgeschiedenis.be/pdf/bronnen/31_2_SocialistischeSociaalcultureleOrganisaties.pdf.
  17. Vandaar loopt de evolutie over Zonnige Uren vzw, dat opgevolgd wordt door Factor 10 en dat in 2007 wordt ontbonden, naar JOETZ als jeugddienst van de socialistische mutualiteit. De inrichting van speciale jeugddiensten binnen het groter geheel van het ziekenfonds is aanwezig bij zowat alle ideologieën. In de meeste gevallen gaat het hierbij om organisaties die juridisch onafhankelijk zijn (of waren), maar wel medegefinancierd werden door de mutualiteiten. Vaak waren deze laatsten ook vertegenwoordigd in de bestuursorganen van de jeugdorganisaties. K. Van Acker, P. Verbruggen, De ziekenfondsen, in P. Van den Eeckhout, G. Vanthemsche (red.), Bronnen voor de studie van het hedendaags België…, p. 954.
  18. J. F. Abbeloos, Een huis voor de zuil of van de jeugd? Analyse van de zuilgebonden coördinatie en legitimatie van de jeugdhuiswerking binnen de Belgische verzorgingsstaat voor de periode 1958-1973, Gent, UGent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 2003, gepubliceerd op www.ethesis.net/jeugdhuiswerking/jeugdhuis_hfst_4.htm.
  19. Met name het Nationaal Verbond van de jonge PVV-Mutualisten. Na verschillende naamsveranderingen (Nationaal Verbond van de Liberale Jonge Mutualisten (vanaf 1983) en de Liberale Jongerenservice (vanaf 1992)) zou de dienst uitmonden in Crejaksie. Zie: www.crejaksie.be/overons#historiek.
  20. M. Vermandere, Door gelijke drang bewogen? De socialistische partij en haar jeugdbeweging, 1886-1944, in Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis (30/60), Brussel, SOMA, 8 (2001), p. 254-255, elektronisch gepubliceerd op biblio.ugent.be/publication/1162939/file/1167647; M. Beyen, Op wacht bij het erf. Jeugdbewegingen en historisch besef in Vlaanderen, 1920-1965, in Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis (30/60), Brussel, SOMA, 8 (2001), p. 39-42 en 66-68.
  21. M. Van Hoorebeeck, Oranje dassen, 1944-1961, Antwerpen, 1986, p. 19-47.
  22. Scouting in België. Geschiedenis, nl.scoutwiki.org/Scouting_in_Belgi%C3%AB; Histoire du scoutisme et du guidisme belges – Thèmes: 100 ans des BSB, www.chbs.be/flashback_bsb.php.
  23. K. De Cock, Archiefbeheer bij verenigingen. De Federatie voor Open Scoutisme vzw, Brussel, VUB (onuitgegeven verhandeling), 2003, p. 9. Raadpleegbaar bij CAVA en in het FOS-archief, Kortrijksesteenweg 639, 9000 Gent.
  24. B.S. 13 mei 2005.
  25. www.fosopenscouting.be/nl/over-ons/lid-worden/actief-pluralisme.
  26. Voor meer info verwijzen we naar het Dossier Actief Pluralisme van HVV op www.h-vv.be/docs/dossier-actief-pluralisme.pdf.
  27. www.fosopenscouting.be/nl/over-ons/lid-worden/actief-pluralisme.
  28. In Vlaanderen zijn er meerdere organisaties die zichzelf de scouts noemen. Het FOS staat met ruim 8.000 leden op de vierde plaats van de vijf. Ter vergelijking: de katholieke scouts zijn in Vlaanderen vandaag met 80.000; de Franstalige met 50.000.
  29. www.jeugdrodekruis.be/JRK/index/JRK_Over_JRK/JRK_Missie.html (geraadpleegd op 20 juni 2017).
  30. Diogenes, 2 (1954), 1, p. 32.
  31. F. Roels, En toen kwam het Humanistisch Verbond, in De Geus, 46 (2012), 9, p. 7; F. Roels, Lucien de Coninck en het Humanistisch Verbond, p. 4-5, fondsluciendeconinck.files.wordpress.com/2015/04/lucien-de-coninck-en-het-humanistisch-verbond.pdf.
  32. Getuigenis van W. Kerckhove op de verhalenavond in Ronse op 25 juni 2013, audiofragment op www.cavavub.be/activiteit/?event=34; ook bij: 170 jaar Gemeenschapsonderwijs in Ronse, 1843-2013, in Gazet, 1 (2013), 12, p. 16-17.
  33. Interview van Jimmy Koppen met Peter en Willem De Coninck, 30 maart 2015.
  34. Deze regionale tijdschriften bleven niet onafgebroken in omloop: van sommige verschenen slechts enkele nummers, terwijl andere verschillende jaargangen kenden. Ook de fysieke en inhoudelijke kwaliteit verschilde. Taboe en Spiraal bijvoorbeeld bestonden enkel uit enkele zijden getypt en gestencild papier, samengehouden met nietjes. Verschillende van deze tijdschriften worden bewaard bij CAVA.
  35. CAVA, archief Hugo Wilri – Lydia Mulkens, stuk 1, wervingsbrief Pro & Contra, s.d.
  36. F. Roels, En toen kwam het Humanistisch Verbond, in De Geus, 46 (2012), 9, p. 7.
  37. Opgericht tussen 1963 en 1965. Er werden al lokale WEMO-kernen (bv. Welemo in Brussel, 1963) gesticht alvorens er een nationale overkoepeling vanuit OVM kwam in november 1965. Zie: Ouderblad. Mededelingenblad voor de oudervereniging voor de moraal, 2 (1963), 1, p. 16. Zie ook M. Vermandere, Plaatsingslijst van het Archief van Oukhow Michel, 1950-1991, p. 3, online te raadplegen via ftp://digital.amsab.be/finding_aids/finding_aid_BE_AMSAB_523.pdf.
  38. CAVA, Archief WeMo, WEMO1, samenstelling nationaal bestuur, s.d.
  39. CAVA, Archief HJB, HJB2, verslag samenkomst HJB-WeMo, 11 november 1968.
  40. CAVA, Archief HJB, HJB2, voorstel statuten van HJ, s.d.
  41. CAVA, Archief Humanistische Jongeren Vilvoorde, HJV28, Vademecum en persmap ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van Humjos (humjos 1971-1996, samenstelling Carry De Paepe en Marc Godesar).
  42. CAVA, Archief Humanistische Jongeren Vilvoorde, HJV28, Vademecum en persmap ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van Humjos (humjos 1971-1996, samenstelling Carry De Paepe en Marc Godesar).
  43. CAVA, Archief Luc Desmedt, LDT86, Dossier inzake overleg over de uitbouw van een vrijzinnige jongerenwerking, 1989-1990.
  44. CAVA, Archief Humanistische Jongeren, HJ279, Persmededeling van 25 april 1985, nr. 360.
  45. CAVA, Archief Humanistische Jongeren, HJ632, Onderzoeks- en adviesrapport voor HUJO, februari 2009, p. 5.
  46. Humjos fuseert in 2004 nog met het Studie- en servicebureau voor Kind en Kreativiteit (KK) en het Vrijzinnig Ontmoetingscentrum, die alle in de Moretusstraat in Anderlecht gevestigd zijn, tot Vrijzinnig Jeugdcentrum (VJC). Het VJC verandert in maart 2007 (B.S. 17 september 2007) nog van naam in Multiculturele Jeugd Vlaanderen en ontvangt in 2008 nog een bescheiden subsidie, maar daarna lijkt de activiteit tot een minimum te zijn herleid.
  47. Informatie over jeugdbewegingen met een vzw-statuut kan je achterhalen via twee online databanken van de FOD Justitie: de Referentiedatabank Rechtspersonen (gegevens van ondernemingen vanaf 1983; tekst en beeld van de gepubliceerde akten van de ondernemingen vanaf 01/01/1997 en de gepubliceerde akten van de verenigingen vanaf 01/07/2003) en de Referentiedatabank VZW (gegevens van verenigingen voor de periode 1981 tot 30/06/2003; tekst en beeld van de gepubliceerde akten van 12/1998 tot 30/06/2003). Beide databanken kunnen geraadpleegd worden via volgende link: www.ejustice.just.fgov.be/tsv_pub/index_n.htm. Wanneer je het ondernemingsnummer als zoekterm gebruikt, krijg je vanzelfsprekend het meest volledige overzicht. Je kan echter ook zoeken op naam, gemeente, publicatiedatum, en – althans in het geval van de Referentiedatabank VZW – zelfs op een willekeurig woord in de tekst. Wie niet over een ondernemingsnummer beschikt en/of niet zeker is van de officiële naam van de vereniging, begint zijn zoektocht best bij de Kruispuntbank van Ondernemingen van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie, online te raadplegen via volgende link: kbopub.economie.fgov.be. In deze databank kan je niet alleen zoeken op ondernemingsnummer, maar ook op naam (huidige en oude), op activiteit, op toelating en op adres (huidige en voormalige maatschappelijke zetels en vestigingseenheden). Je kan online dus heel wat informatie over verenigingen terugvinden. Wie de historiek (althans vanaf 1981 tot heden) van een bepaalde vzw wil reconstrueren, dient beide databanken van de FOD Justitie te bevragen en telkens de gekoppelde Bijlage tot het Belgisch Staatsblad door te nemen. Voor de inhoud van de akten gepubliceerd vóór 1997, zal je er in een bibliotheek de papieren versie van het Belgisch Staatsblad op moeten naslaan. Hou er hierbij rekening mee dat de publicatiedatum van bv. een statutenwijziging niet dezelfde datum is als die van de akte zelf.
  48. Frans Snacken (1920-2016) was hoogleraar Aardrijkskunde aan de UGent en oprichter van de zeescoutsgroep de Wilde Eend. Hij was in de jaren 1960 hoofdcommissaris voor de Vlaamse taalsectie van de BSB-GGB en speelde een belangrijke rol in de overgang naar en de oprichting van het FOS (1964-1966).
  49. B.S. 19 juni 1964.
  50. Dit werd bij een herziening van de wet in 1974 ook bevestigd. J.L. Vander Heyden, Historisch overzicht van gewetensbezwaren tegen de dienstplicht, zie tumult.be/sites/default/files/bijlagen/historisch_overzicht_van_het_statuut_van_gewetensbezwaarde.pdf.
  51. Een zeer summier overzicht wordt gegeven in de verhandeling Archivistiek en Hedendaags Documentbeheer van Katrien De Cock, Archiefbeheer bij verenigingen. De Federatie voor Open Scoutisme vzw, neergelegd aan de Vrije Universiteit Brussel in 2003. Daarnaast is er een eindverhandeling in de Geschiedenis, ingediend door Stijn Calmeyn, De federatie voor open scoutisme: pluralistische jeugdbeweging in Vlaanderen van 1966 tot 1980, Gent, UGent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1994, raadpleegbaar in de Universiteitsbibliotheek UGent en in het FOS-archief. Eveneens aan de Vakgroep Geschiedenis van de UGent schreef Vincent De Meyer de eindverhandeling Sea Scouting: scheiding en re-integratie, 1960-1983, Gent, UGent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 2007. We blijven uiteraard in het ongewisse over meer recente ontwikkelingen. Ook de voorgeschiedenis van het FOS, voorafgaand aan 1966, blijft grotendeels onbelicht. Jean-Luc Herrin had een aanvang genomen tot een groot overzichtswerk, maar dat werd uiteindelijk niet afgewerkt. We hebben wel van zijn hand Histoire du scoutisme ouvert et pluraliste en Belgique, met de tweede versie uit 1993. Hierin belicht hij de periode 1857 (geboortejaar van Baden-Powell) tot 1920.
  52. Wat de Humanistische Jongeren betreft werd het archief lange tijd bewaard op de zetel in de Moretusstraat in Brussel. Verhuis naar een andere locatie hield de overdracht van het archief naar CAVA in, maar garantie is er uiteraard niet dat dit archief nu in haar volledigheid werd overgedragen, omdat er mogelijk vroegere verhuizingen hebben plaatsgehad.
  53. In het geval van het FOS bevinden de archieven zich op twee verschillende adressen: er is een kelder in het gebouw aan de Kortrijksesteenweg in Gent, waar de briefwisseling, personeelsdossiers, notulen, facturen en tijdschriften worden bewaard. Gadgets daarentegen, en materiaal dat met de praktijk van het scoutisme heeft te maken, worden opgeborgen in een depot in Laarne.
  54. We willen Guy Redig hier nogmaals uitdrukkelijk bedanken voor zijn reflecties die we in de onderzoeksvragen verwerkten.
  55. Bijvoorbeeld in haar missie, te raadplegen via www.hujo.be/missie-en-visie.


Verwijzen naar dit artikel kan als volgt: Koppen Jimmy en Scheelings Frank, Vrijzinnig Jeugdwerk, in Op zoek… De evolutie van het vrijzinnig humanisme in Vlaanderen sinds de Tweede Wereldoorlog, Brussel, Centrum voor Academische en Vrijzinnige Archieven, 2018, pp. 165-184.

Deze pagina werd voor het laatst geüpdatet op 10 april 2018.

Reacties gesloten