Jan Van den Brande — Rituelen en vrijzinnige plechtigheden

Antropologen en cultuurhistorici beschrijven rituelen als gestandaardiseerde, symbolische gebeurtenissen, waardoor een individu wordt opgenomen in de structuur van de maatschappij waarbinnen hij/zij leeft. Rituelen zijn handelingen die regelmatig en op voorspelbare wijze herhaald worden en die orde scheppen in een anders willekeurig tijdsverloop. Ze kunnen zowel religieus als seculier zijn. Een maatschappij zonder riten is ondenkbaar. Riten zijn noodzakelijke sociale symbolen die op drie manieren de samenleving onderbouwen: zij leveren een kader om de gedachten te structureren, zij ondersteunen het geheugen en zij regelen ervaringen. Wat geldt voor de samenleving, is ook van toepassing op de religie: een zuiver spirituele, volkomen innerlijke religie zonder uitwendige formele regels en gebruiken is ondenkbaar. Vele onderzoekers leggen de nadruk op het belang van ritueel handelen als een middel om het persoonlijk leven van een individu en het sociale leven van een gemeenschap te structureren. Rituele handelingen kunnen aldus een belangrijke rol spelen in het scheppen van evenwicht binnen de gemeenschap, binnen het persoonlijk leven van leden van de gemeenschap, en daarmee ook binnen een cultuur.

1. Betekenissen en kenmerken van rituelen

1.1. Vormelijk

Volgens een wijdverbreide antropologische opvatting wordt onder rituelen een serie geformaliseerde handelingen verstaan. Deze kunnen al dan niet verwijzen naar een bovennatuurlijke werkelijkheid. Het gaat dus om geformaliseerde handelingssequenties die, vanuit een bepaalde levensbeschouwing of wereldbeeld, door de leden van de groep hoog gewaardeerd worden.

1.2. Expressief en symbolisch

Een ritueel wordt in de literatuur dikwijls opgevat als een expressief handelen. Veel antropologen maken echter wel onderscheid tussen instrumentele en expressieve activiteit: instrumentele activiteit is gericht op een concreet doel of resultaat, op reële beïnvloeding. Men maakt bijvoorbeeld een stoel om hierop te kunnen zitten. Expressieve of symbolische activiteit daarentegen is een manier om iets uit te drukken of te zeggen. Het streeft niets anders na dan uitdrukking te geven aan een bepaald gevoel, een bepaalde gemoedstoestand, een bepaalde intentie. In die visie, die traditioneel overheerst in de sociale wetenschappen, zijn rituelen een soort alternatieve taal. Toch is de grens tussen instrumentaliteit en expressiviteit, tussen doel-handelen en uitdrukkings-handelen niet altijd gemakkelijk te trekken. Zo kunnen de formules, handelingen, gebaren en symbolen van bijvoorbeeld een genezingsritueel door sommige participanten als ondubbelzinnig instrumenteel worden ervaren en beoogt het in hun ogen niets anders dan de genezing van de deelnemers.

1.3. Ontlastend en kanaliserend

Het ritueel vangt een leemte op en voorkomt een blinde en ongerichte explosie van gevoelens. Het helpt bijvoorbeeld bij de dood van een dierbare om zinvol op deze situatie te reageren en handelend te antwoorden, zonder dat het tot de volledige desorganisatie van de persoon komt. Een ritueel maakt ons niet immuun voor angst, verdriet en vertwijfeling. Het gaat niet om de onderdrukking, maar om de verwerking en kanalisering van de emoties, om het sturen en vormen ervan. Dit alles raakt niet alleen aan gevoelens van smart, verdriet, woede, enzovoorts, maar evenzeer aan overweldigende gevoelens van geluk, vreugde, verwondering. Ook bij positieve gebeurtenissen kan het zijn dat mensen hun gevoelens niet kwijt kunnen of er geen raad mee weten, bijvoorbeeld de overweldigende gevoelens die men kan hebben bij de geboorte van een kind. Ook die gevoelens moeten worden verwerkt en gericht. Het ritueel maakt het mogelijk ze in het handelen op te nemen en te verdiepen. Rituelen zijn dus evenzeer van belang bij feestelijke gebeurtenissen: ook dan helpen zij ons bij het niet laten ontsporen van onze gevoelens en doen zij op humane wijze recht aan onze emotionaliteit.

1.4. Bemiddelende functie tot het verleden en herhalend

Op een of andere wijze dragen rituelen altijd het verleden met zich mee, waaruit zij voortkomen. Ze gaan aan ons vooraf en spelen een belangrijke rol als bemiddelaars van het verleden. Zij herinneren ons op geheel eigen wijze aan onze herkomst en geven ons op basis daarvan vertrouwen in de toekomst. In de geschiedenis van de kerken zijn liturgieën altijd de meest duurzame en werkzame bemiddelaars van het geloof geweest. Zo waarborgen rituelen onze continuïteit met het verleden. Ongetwijfeld echter hangt het met deze eigenschap samen dat rituelen zich soms halsstarrig verzetten tegen vernieuwing. Vandaar dat rituelen een herhalend karakter hebben. Het eigene van het ritueel is dat de traditie wordt geaccentueerd. In het ritueel komen symbool, symboolhandeling en symbooltaal samen, maar dan zo dat de nadruk ligt op de voorgegevenheid ervan, op de ontlening, op de herhaling. Herhaling is wezenlijk voor alle rituelen.

1.5. Sociaal

Het ritueel is interactief, d.w.z. het heeft betrekking op interactie tussen mensen. Het is sociaal en dynamisch. Het is een levende, intermenselijke activiteit. Het is kenmerkend voor een omschreven groep of subcultuur en draagt bij tot de versterking van de identiteit van de groep. Het is traditioneel bepaald. Als gevolg daarvan is het ook bekend bij de participanten aan het ritueel. Die bekendheid geeft vertrouwdheid. Daarom is er dikwijls een weerstand tegen alle wijzigingen in een bekend ritueel, bijvoorbeeld door wijzigingen in de voorschriften, het rituaal.

1.6. Betekenisvol

Rituelen beïnvloeden en stileren de wijze waarop de mens omgaat met de wereld van de objecten, de materiële cultuur. Ook hier is minder sprake van een praktische en pragmatische wijze van handelen, dan van een meer gestileerde en ‘plechtige’ omgang met de dingen. Hierdoor wordt ook die materiële wereld opgenomen in een zinvol universum. Het ritueel is in staat te verwijzen naar een werkelijkheid achter de pragmatische werkelijkheid, naar een zinvol referentiekader dat betekenis geeft aan wat men doet. Daarom kan een ritueel omschreven worden als “een gestileerd handelingsgeheel waarmee mensen (meestal gezamenlijk) op symbolische wijze uiting geven aan hun betrokkenheid op een omvattend betekenisuniversum en zin geven aan belangrijke momenten en gebeurtenissen in hun leven.1

2. Drie hoofdtypen van rituelen

2.1. Het cyclisch ritueel

Cyclische rituelen drukken met grote kracht de wijze uit waarop de maatschappij aan de kwetsbaarheid van haar toekomst denkt en er het hoofd aan biedt. De tijd betekent bedreiging. De cyclische riten, die de kosmische tijd regelen, spelen zich meestal jaarlijks af, volgens een kalender die varieert van de ene maatschappij tot de andere. Maar deze kunnen zich ook uitstrekken over een veel langere periode. Zo plaatsten de oude Mexicanen het kritische moment van de fatale beslissende dag op het einde van een periode van 52 jaar; dan staken ze een nieuw vuur aan op de top van een berg, omdat ze bang waren voor het einde van de wereld.

2.2. Het magisch en offerritueel

Een ander type van riten vormt een aantal gevarieerde antwoorden op het uitbreken van ongeluk of ziekte. Hun doel is de volkomenheid van het wezen (individueel of collectief) te herstellen, zowel wanneer de agressiebron binnen de maatschappij ligt (vernietigende tovenarij) of daarbuiten (kwaadwilligheid der geesten of woede van de goden). Deze rituelen kunnen de vorm aannemen van een offer of magie.

2.3. Het crisis- of overgangsritueel

De onomkeerbare loop van het mensenleven wordt gemarkeerd door overgangsriten die de structuur vormen van de biologische tijd, van de geboorte tot aan de dood. Juister gezegd veranderen ze de biologische tijd in sociale categorieën, ze veranderen volgens vaste patronen de status van de persoon. Deze rituelen zijn verbonden aan zogenaamde ‘overgangsmomenten’ (‘rites de passage’),2 momenten van onzekerheid waarop de betrokken persoon een statusverandering ondergaat en wordt opgetild tot een ander niveau binnen de bestaande maatschappelijke orde. Volgens de theorie van Arnold van Gennep bestaat het ritueel uit drie fasen: ‘separation’ (afzondering), ‘transition’ (overgang) en ‘incorporation’ (inlijving). Van Genneps middelste fase, de transitiefase, werd door de antropoloog Victor Turner aan de hand van het begrip ‘liminaliteit’ verder uitgewerkt. Het gaat om een drempel, die genomen moet worden door degenen die het ritueel voltrekken.3

Volgens Rik Pinxten vertonen overgangsrituelen allemaal dezelfde drieledige basisstructuur:

  1. De depersonalisering of de decompositie: de persoon die een overgang zal maken wordt van zijn persoonlijke kenmerken ontdaan. Dat wil zeggen, hij of zij, moet uniforme kleding dragen en alle particuliere en onderscheidende kenmerken van schoonheid, rijkdom, intelligentie of kracht worden uitgeveegd of onbelangrijk gemaakt. Daardoor wordt de te initiëren persoon gelijk aan alle anderen en kan hij zich niet onderscheiden of gunstig voorstellen door een of andere kwaliteit of verdienste. Symbolisch wordt de persoon zo opnieuw een boreling.

  2. De liminale fase of grensfase. Tijdens dit tweede moment van het overgangsritueel wordt de persoon in een toestand van grensfiguur gehouden. Dat wil zeggen: hij of zij is niet meer de vroegere en nog niet de latere persoon. Men is dan als het ware niets. In deze fase van grensbestaan worden de ‘geheimen’ of de tekens en afspraken van de toekomstige status en persoonlijkheid getoond of uitgelegd. In de technische literatuur zegt men dat de ‘sacra’ getoond worden. Dat betekent vaak dat de subjecten een proef moeten doen (tonen dat ze iets bepaalds kunnen dat in hun toekomstige leven belangrijk zal zijn: een krachtproef een daad van moed) of een beproeving moeten ondergaan. Tijdens of onmiddellijk na de beproevingen worden dan de tekens, de geheimen of wat dan ook van de toekomstige status meegegeven. Vaak krijgt de geïnitieerde daarbij in deze fase ook een nieuwe naam.

  3. De recompositie van de persoon. In deze late fase van het overgangsritueel wordt de nieuwe persoonlijkheid opgebouwd. De geïnitieerde krijgt dan bv nieuwe kleding, typisch voor de status die hij of zij krijgt. Hij of zij wordt opgenomen in de groep van de geïnitieerde en neemt deel aan de taal en de handelingen van deze groep. Dat brengt mee dat de groep of status waaruit men komt definitief tot het verleden behoort: de initiatie is onomkeerbaar en construeert dus symbolische en nieuwe persoonlijkheid. In een pubertijdsritueel bv wordt een onzijdig iemand in en door het ritueel een seksuele persoon die vanaf dan tot de groep van seksuele partners en huwelijkspartners behoort. De overgang is ingrijpend en definitief.

Het laat zich gemakkelijk begrijpen dat het in scene zetten van overgangsrituelen vaak de diepgravende en vaak ook angstopwekkende veranderingen in een menselijk leven symbolisch kan doen beleven, zodat een harmonieuze en existentieel verwerkte overgang tussen levensfasen mogelijk en leefbaar wordt: groot verlies of grote veranderingen van lichamelijke en maatschappelijke aard kunnen zo begeleid worden, waar een rationele uitleg op zich nuttig, maar onvoldoende is.4

3. Vrijzinnige plechtigheden

Vrijzinnige plechtigheden onderscheiden zich van religieuze rituelen, omdat ze gericht zijn op een louter seculiere en humane zingeving. Tot vandaag bestaan er binnen de vrijzinnigheid verschillende, controversiële meningen omtrent vrijzinnige plechtigheden. Sommigen zijn van oordeel dat het hier slechts gaat om zinloze alternatieven voor de gekende kerkelijke rituelen. Volgens hen zouden deze leiden tot ‘heteronomie’ (het afhankelijk worden van weer andere regels of voorschriften) en tot overbodige ‘atheïstische religiositeit’. Anderen zien deze plechtigheden dan weer als creatieve, zinvolle omkaderingen van belangrijke levensmomenten. Hoe het ook zij, vanuit vrijzinnig standpunt moeten we erover waken dat hier geen nieuw taboe of dogma wordt gecreëerd, in de zin van “Een vrijzinnige heeft nu eenmaal geen behoefte aan dergelijke plechtigheden.” Laten we stellen dat vrijzinnige plechtigheden mogelijk moeten zijn voor hen die er behoefte aan hebben – maar dat ze nooit een verplichting mogen worden voor de anderen. Bij de vraag naar vrijzinnige plechtigheden moeten we nadenken over het specifieke, het eigene van zo’n gebeurtenissen. Met andere woorden, wat maakt een plechtigheid ‘vrijzinnig’?

Enerzijds kunnen we ons hiervoor beroepen op formele aspecten. De plechtigheid gaat bijvoorbeeld door in een vrijzinnig huis of ze wordt geleid door een vertegenwoordiger van de vrijzinnige gemeenschap, zoals een vrijzinnig-humanistisch consulent. Anderzijds kunnen we verwijzen naar inhoudelijke kenmerken. Indien we hierbij vertrekken vanuit een vrijzinnig-humanistische zienswijze, dan schuiven we de mens naar voor als enige zingever: hij alleen bepaalt de waarden en normen die de basis zullen vormen van zijn levenswijze. “Elke persoon is uniek”, zo luidt een andere stelling van het vrijzinnig humanisme. In deze optiek kunnen vrijzinnige plechtigheden slechts zinvol zijn als ze ten eerste plaatsvinden met de goedkeuring of op vraag van de betrokken persoon zelf, en als ze ten tweede rond deze persoon en diens individuele zingeving worden opgebouwd. Daarom heeft elke vrijzinnige plechtigheid – op enkele vormaspecten na – een zekere uniciteit. Dat geldt in mindere mate voor de Feesten Vrijzinnige Jeugd, omdat deze doorgaans een groepsgebeuren zijn. Maar ook hieraan wordt door de organiserende comités niet altijd eenzelfde invulling gegeven. Bovendien is er de jongste jaren bij de ouders ook een stijgende vraag naar vieringen met één of een beperkt aantal feestelingen.

Een eerste essentieel kenmerk van vrijzinnige plechtigheden is dat de betrokken persoon, de overledene bijvoorbeeld, centraal staat. Nemen we een uitvaartplechtigheid: hier moet de nadruk liggen op de overledene en het leven dat hij heeft geleid. Het gaat immers niet om de dood, maar om deze dood. Dan moet ook beklemtoond worden wat precies het bestaan van de afgestorvene zinvol maakte. Zo is het niet denkbeeldig dat de plechtigheid bij het overlijden van iemand die zielsveel van planten en bloemen hield, doorgaat in diens tuin. Voor plechtigheden kan het dus belangrijk zijn verder te gaan dan het brengen van een geïndividualiseerde afscheidsrede. Het woord blijft ontegensprekelijk een handig instrument, maar een goed gekozen gebaar of aanraking kan onmiddellijk de volledige persoon in het gebeuren betrekken.

Een tweede kenmerk van vrijzinnige plechtigheden is hun transparantie. Hiermee bedoelen we dat alles wat tijdens de plechtigheid gezegd of gedaan wordt, verstaanbaar moet zijn voor alle betrokkenen. Onbegrijpelijke handelingen leiden immers tot vervreemding.

Als derde en laatste eigenschap van vrijzinnige plechtigheden kunnen we hun anti-institutioneel karakter vermelden. Dit betekent dat zo’n plechtigheden nooit het monopolie mogen worden van één of andere vrijzinnige instelling. Zij moeten altijd weer vorm krijgen door nauw overleg tussen de betrokkenen en de coördinator (de vrijzinnig-humanistisch consulent bijvoorbeeld) op wie ze een beroep kunnen doen. Ideaal echter is dat de betrokken personen zelf de plechtigheid inrichten en leiden. De coördinator, die zowel als individu als als vertegenwoordiger van de vrijzinnige gemeenschap optreedt, moet steeds zijn eigen overbodigheid nastreven, om de autonomie van de betrokkenen en de authenticiteit van de plechtigheid zo groot mogelijk te maken. Of een vrijzinnige plechtigheid zinvol is, hangt dus rechtstreeks af van de drie vernoemde kenmerken: individualisering, transparantie en anti-institutionalisme. Als men deze aspecten verwaarloost, worden de plechtigheden in kwestie uitgehold en worden ze stereotiepe kaders rond vage schilderijen.

Tot zover enkele kenmerken, afgeleid uit de vrijzinnig-humanistische levensbeschouwing, die de grote verscheidenheid aan concrete gestalten van de vrijzinnige plechtigheden karakteriseren. Maar wat is nu het belang van die plechtigheden? De volgende punten zijn essentieel.

Allereerst biedt de plechtigheid de mogelijkheid om emoties te uiten. Nemen we nogmaals de uitvaartplechtigheid als voorbeeld. Onze samenleving heeft de dood verdrongen; we weten niet meer hoe we moeten omgaan met ziekte, sterven en dood. Voor verdriet en rouw maken we geen plaats meer. Het leven – zo wordt gesteld – moet verder gaan. Hierbij vergeten we wel dat de dood onlosmakelijk deel uitmaakt van het leven… Nu biedt een uitvaartplechtigheid ons de kans om even stil te staan bij het overlijden. Tijdens de organisatie en het voeren van de plechtigheid zelf kunnen we terugdenken aan de overledene en krijgen onze gevoelens de vrije loop.

Ofschoon we deze eerste functie van de vrijzinnige plechtigheden heel belangrijk vinden, pleiten we ook voor de uiting van onze gevoelens na de plechtigheid zelf. Al te vaak beschouwt men deze immers als een soort van ‘afsluiting’ van het ganse gebeuren rond de dood. Laat ons hierbij niet vergeten dat het gemis en de eenzaamheid van de ‘naastbestaanden’ pas goed ervaren worden na de afloop van de volledige uitvaartprocedure, die veel sociaal contact met zich meebrengt.

Vervolgens ligt het belang van een vrijzinnige plechtigheid in de groepsbeleving. Alle vrienden, familieleden en bekenden worden samengeroepen om deel te nemen. De gezamenlijke beleving van een voor de betrokken persoon of personen belangrijke gebeurtenis benadrukt de onderlinge verbondenheid tussen de leden van de groep. Deze is, net zoals elk individu, uniek. Hij wordt immers speciaal gevormd rond de betrokkene(n). Bij sommige plechtigheden kan dit groepsaspect een bijkomende emotionele steun verlenen: denken we maar aan de hulp bij rouwverwerking. Bij andere plechtigheden kan het dan weer een erkenning betekenen, zoals bij een relatievorming. De aspecten die we hier vermelden, geven aan waarom een vrijzinnige plechtigheid voor de betrokkene een (speciale) betekenis kan hebben. Daarnaast zijn deze plechtigheden echter ook waardevol in een ruimer maatschappelijk kader. Zo bieden ze – op onnavolgbare wijze – een uitstraling aan de vrijzinnige gemeenschap. Aan de vrijzinnigen bieden ze immers de kans om naar buiten te komen als individu én als groep. Ze dragen ook bij tot de bekendmaking van de vrijzinnig-humanistische levensbeschouwing: ook niet-vrijzinnigen nemen immers aan deze gebeurtenissen deel. Bovendien kunnen deze plechtigheden emanciperend werken. Zo kunnen ze georganiseerd worden om alternatieve samenlevingsvormen te vieren (om een homoseksuele relatie te bevestigen, bijvoorbeeld). Hierdoor kunnen vrijzinnige plechtigheden bijdragen tot een praktisch humanisme, waarin ‘tolerantie’ en ‘solidariteit’ geleidelijk evolueren van waarde tot norm. Ten slotte kunnen deze ‘vieringen’ ook de levensbeschouwelijke verscheidenheid van de vrijzinnigheid helpen veruitwendigen.

Binnen de georganiseerde vrijzinnigheid zijn de meest voorkomende plechtigheden de afscheidsceremonies, de relatie- of huwelijksplechtigheden, de geboorte- of adoptieplechtheden, de Lentefeesten en de Feesten Vrijzinnige Jeugd. Deze opsomming is zeker niet exhaustief. Want in principe kunnen ook andere gebeurtenissen worden aangegrepen om een plechtigheid in te richten of te vieren, zoals onder meer een jubileum (bijvoorbeeld 25 of 50 jaar huwelijk), de herdenking van een dierbare die jaren geleden is gestorven of die van de slachtoffers van een ramp. Zo bestaat er bijvoorbeeld in Brussel een interlevensbeschouwelijke ceremonie, waarin de straatdoden worden herdacht die het voorbije jaar zijn overleden. Het is een plechtigheid die jaarlijks wordt opgevoerd in het stadhuis te Brussel. Naast vertegenwoordigers van andere religies, neemt hier ook een vrijzinnig-humanistisch consulent aan deel. Maar ook in andere
provincies bestaan er gelijkaardige ceremonies. In Oostende vindt er bijvoorbeeld jaarlijks een vrijzinnige zeeliedenhulde plaats, waarbij de aanwezigen stilstaan bij alle mensen die hun leven op zee verloren hebben.

4. Bronnen om vrijzinnige plechtigheden te onderzoeken zijn erg afhankelijk van de plechtigheid zelf

Buiten de Lentefeesten (LF) en de Feesten Vrijzinnige Jeugd (FVJ) wordt het grootste deel van de vrijzinnige plechtigheden georganiseerd door de huizenvandeMens en uitgevoerd door vrijwillige of professionele vrijzinnig-humanistisch consulenten. Volgens het moreel verslag, dat ieder jaar door deMens.nu wordt uitgegeven, werden er in 2016 in Vlaanderen en Brussel 1.779 vrijzinnige plechtigheden geregistreerd. Relatieplechtigheden en individuele Lentefeesten/Feesten Vrijzinnige Jeugd zitten nog steeds in de lift, maar er werd in vergelijking met vorige jaren wel een daling van de afscheidsplechtigheden vastgesteld. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het feit dat steeds meer begrafenisondernemers zelf accommodatie aanbieden waar plechtigheden kunnen gehouden worden.

Tabel van het aantal uitgevoerde vrijzinnige plechtigheden in Brussel en Vlaanderen
Aantal in 2014 Aantal in 2016
Geboorte 57 70
Relatie 503 745
Afscheid 864 768
Lentefeest 79 118
FVJ 42 60
Andere 36 18
Totaal 1.581 1.779

Wie meer wil weten over vrijzinnige plechtigheden, kan zich het best richten tot een huisvandeMens. Hier worden niet alleen alle gedane plechtigheden geregistreerd en bewaard, maar men kan er ook terecht wanneer men inhoudelijk meer wil leren over de betekenis en de functie van rituelen. Ieder huisvandeMens beschikt over een bibliotheek, waar men zich over dit onderwerp uitgebreid kan informeren. Bovendien zijn er ook mensen die liever de plechtigheid zelf uitvoeren en naar het huisvandeMens komen om zich in te lichten over hoe ze dit het best aanpakken. Deze mensen kunnen dan geholpen worden bij het uitschrijven van het scenario, het uitkiezen van gepaste teksten, muziek, symboliek, enz.

Wat de bronnen voor het onderzoek naar Lentefeesten en Feesten Vrijzinnige Jeugd betreft, deze komen zowel voor op het lokale niveau als het nationale niveau.5

Lokaal vindt de onderzoeker bronnen in archieven van leerkrachten zedenleer of bestuursleden van lokale afdelingen van de Oudervereniging voor de Moraal (OVM), in archieven van de lokale afdelingen van de OVM/HV(V)/Humanistische Jongeren (afhankelijk van wie het LF of FVJ organiseert), in de archieven van de speciale comités die ter plekke werden opgericht om het LF/FVJ te organiseren en in de vrijzinnige tijdschriften van de lokale afdelingen. Welke soorten documenten en dossiers komen voor en waarvoor kunnen ze gebruikt worden?

  • – notulen van het organiserend comité: geven vaak naast informatie over de lokale organisatie en de betrokken persoonlijkheden ook de contacten met centrale instellingen en informatie over de inhoud van het feest;
  • – correspondentie om iedereen op de hoogte te brengen en uit te nodigen: geeft vaak informatie over de achtergrond en de bedoelingen van het feest (visie van de tijdgenoot);
  • – correspondentie inzake logistieke problemen (historisch minder belangrijk);
  • – lijsten met inschrijvingen: geeft informatie over de feestelingen;
  • – feestprogramma: uiteraard varieert de inhoud van alle brochures met feestprogramma’s nogal eens. Vaak is de brochure echter een zeer rijke bron, die zowel de leden van het organiserend comité als de lokale personaliteiten van het steuncomité vermeldt, hetgeen een zicht geeft op de banden van de vrijzinnige beweging met de lokale politici; de namen van de feestelingen, waaruit men dus ook het aantal voor dat jaar kan afleiden; het verloop van het feest en de activiteiten zelf, waaruit men, bij analyse van verschillende decennia, de inhoudelijke evolutie van de feesten kan afleiden;
  • – uitgeschreven scenario van de viering, eveneens interessant voor de inhoudelijke evolutie en geeft soms een betere kijk op de rituelen;
  • – foto’s en video’s, die allerlei aspecten kunnen blootleggen, zoals vestimentaire gebruiken, gezichten van persoonlijkheden, beleving van de kinderen, enz.;
  • – aankondiging en verslag in een lokaal vrijzinnig tijdschrift, de lokale kranten, enz.: soms rijk gedocumenteerd en ingaand op allerlei aspecten die hierboven genoemd staan, soms alleen een emotionele beoordeling;
  • – blanco attesten voor deelname aan LF/FVJ;
  • – jaarverslag van de organiserende instantie;
  • – aandenken: kan verwijzen naar de vrijzinnige symboliek;
  • – enquête bij leerkrachten naar interesse bij leerlingen voor het LF: geeft vaak informatie over de context van het feest.

Op ‘nationaal’ of overkoepelend niveau zijn diverse archieven belangrijk. Ten eerste bevatten de afdelingsdossiers in het archief van HVV, OVM, HV en HJ o.a. activiteitenverslagen, tijdschriften, bewijsstukken, enz. Het archief van UVV/deMens.nu bevat subsidiedossiers die ingediend worden bij UVV om een tegemoetkoming te krijgen voor de organisatie van de LF/FVJ. Deze dossiers bevatten onder andere bewijsstukken (soms programmaboekjes en brieven). Hierbij zitten ook lijsten met overzichten van welke afdelingen welke toelage gekregen hebben. Dit toont wie wat organiseert en ook het aantal feestelingen.

Ten tweede is ook het archief van OVM van belang. OVM leverde wat het LF en FVJ betreft vooral ondersteuning en begeleiding aan de afdelingen. Dit levert fragmentarisch een aantal programmabrochures op en een aantal dossiers. In het archief van OVM zit ook een dossier waarbij een enquête wordt afgenomen bij de afdelingen over de organisatie van het LF/FVJ (1994).

Ten derde getuigt het archief van HVV van een kadervorming die door de provinciale afdelingen van HVV werd georganiseerd in 1997: “Afdeling op het podium: Het FVJ en andere rituelen”. Daarbij werd een documentatiemap uitgegeven, die achtergrondinformatie en een aantal voorbeelden van programma’s, tekstjes, inleidingen, enz. bevat.6

Tot slot gaan diverse vrijzinnige tijdschriften in op de Lentefeesten en de Feesten Vrijzinnige Jeugd. Kampioen is hier natuurlijk OVM Kaderblad, omdat OVM als een spil moet gezien worden van de feesten.

5. Besluit

Onze Westerse samenleving wordt beheerst door een economisch denken, waarin materialisme en rendement centraal staan. De 21ste eeuw is die van de informatica, de communicatie en de automatisering – maar het is vooral de eeuw van de snelheid. Alles gaat heel vlug en we hebben amper nog de tijd om na te denken over het leven en het levenspad dat we bewandelen. Volgens de Nederlandse filosofe Joke Hermsen hebben mensen behoefte aan momenten waarin ze zich kunnen bevrijden van de jachtige kloktijd. Naast de tijd van Chronos, is er ook nood aan de juiste of passende tijd (Kairos), die ons toelaat het leven te verstillen en te vertragen. Het zijn precies die Kairosmomenten van rust die de (zelf)reflectie kunnen stimuleren en verdiepen. Daarom kunnen rituelen en vrijzinnige plechtigheden worden aangegrepen als momenten waarin ons de tijd en de ruimte wordt gegeven om stil te staan bij belangrijke levensmomenten en -keuzes. Ze zetten ons aan tot reflectie over belangrijke levensmomenten én over onze eigen levensbeschouwing. Want ontkerkelijking betekent niet dat mensen geen behoefte meer hebben aan rituelen.

Bibliografie

  • Apostel Leo, Atheïstische spiritualiteit, Brussel, ASP editions, 2013, 216 p.
  • Blontrock Lydia, Zin en onzin van Vrijzinnige Plechtigheden, in De Vrije Micro, 9 (1984), p. 1-6.
  • Carton Ann, Het feest van de vrijzinnige jeugd? Een humanistisch Overgangsritueel, in Dobbelaere Karel, Leijssen Lambert & Cloet Michel (red.), Levensrituelen: het Vormsel, Leuven, Universitaire Pers Leuven (KADOC-studies 12), 1991, p. 107-134.
  • Coene Gily (red.), De kunst buiten het zelf te treden. Naar een spiritueel atheïsme, Brussel, VUBPress, 2008, 247 p.
  • Hermans Ivan, Vrijzinnige rituelen en plechtigheden, in De morele consulent in een pluralistisch Vlaanderen, Brussel, UVV, 1985, p. 289-378.
  • Hermsen Joke J., Kairos. Een nieuwe bevlogenheid, Amsterdam, Singel Uitgeverijen, 2014, 272 p.
  • Hermsen Joke J., Stil de tijd, Amsterdam, Singel Uitgeverijen, 2011, 272 p.
  • Kennis Sarah, Groeien door rituelen, Brussel, VUB (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 2000, 63 p.
  • Lukken G., Rituelen in overvloed, Gooi & Sticht, 2003, 399 p.
  • Mahy Evelyne, De betekenis van vrijzinnige rituelen, Brussel, VUB (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 2004, 99 p.
  • Mooren J.H.M., Verbeelding en bestaansoriëntatie, Utrecht, Uitgeverij de Graaff, 2011, 288 p.
  • Tielman Rob, Hoe denken humanisten over rituelen?, in Rekenschap, 2 (1991), p. 76-79.
  • Van Dam Jaap, Meijer Willem S. & Treffers Jan W. (red.), Levende rituelen, Purmerend, Maçonnieke Uitgeverij Fama, 2006, 128 p.
  • Van der Hart Onno (red.), Afscheidsrituelen, Amsterdam, Swets en Zeitlinger, 2003, 245 p.
  • Van Kerckhove Christian & Vens Eva (red.), Overgangsrituelen, Antwerpen, Standaard uitgeverij, 2010, 429 p.
  • Van Praag J.P., Humanisme en religie, in Rekenschap, maart 1981, p. 2-7.
  • Antenne: themanummer Plechtigheden, Antwerpen, UVV, september 2002.
  • Antenne: themanummer Vrijzinnig Humanisme, Antwerpen, UVV, juni 2010.
  • Durf te denken, De Sikkel, 1996.

Voetnoten

  1. J. H. M. Mooren, Verbeelding en bestaansoriëntatie, Utrecht, Uitgeverij de Graaff, 2011, p. 161.
  2. A. Van Gennep, Les rites de passage, Parijs, Editions E. Nourry, 1981 (origineel uit 1909).
  3. Victor Turner, The Ritual Process. Structure and antistructure, Hawthorne New York, de Gruyter, 1969.
  4. Rik Pinxten, Rituelen en mythen in diverse culturen en bij ons: een korte inleiding, in Chr. Van Kerckhove & E. Vens (red.), Overgangsrituelen: een brug tussen het andere en het gelijke, Antwerpen, Standaard Uitgeverij, 2010, p. 15-16.
  5. Veel van de hierna genoemde soorten bronnen worden op CAVA bewaard.
  6. CAVA, archief HVV, HVV96.


Verwijzen naar dit artikel kan als volgt: Van den Brande Jan, Rituelen en vrijzinnige plechtigheden, in Op zoek… De evolutie van het vrijzinnig humanisme in Vlaanderen sinds de Tweede Wereldoorlog, Brussel, Centrum voor Academische en Vrijzinnige Archieven, 2018, pp. 197-209.

Deze pagina werd voor het laatst geüpdatet op 12 april 2018.

Reacties gesloten