Gily Coene1 — De opleiding moraalwetenschap(pen): ontstaan en evoluties

1. Ontstaan

De opleiding moraalwetenschap (later moraalwetenschappen) ging van start aan de toenmalige Rijksuniversiteit Gent (R.U.G.) in het academiejaar 1963/1964, op initiatief van de professoren Leo Apostel en Jaap Kruithof. In dezelfde periode ontwikkelen zich gelijkaardige Franstalige en Nederlandstalige initiatieven aan de Université Libre de Bruxelles (ULB). Een zelfstandige opleiding moraalwetenschappen zal pas in de jaren 1970, na de splitsing van de ULB en de Vrije Universiteit Brussel (VUB), tot stand komen. Aan de R.U.G. daarentegen wordt de moraalwetenschap van meet af aan opgevat en uitgebouwd als een afzonderlijke richting, met een sterk en uniek interdisciplinair gericht programma. Tot op heden bestaat aan de Gentse Universiteit een afzonderlijke Bachelor en Master Moraalwetenschappen. Aan de VUB is de opleiding inmiddels terug geïntegreerd in een gezamenlijke Bachelor en Master Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen, met in de Masteropleiding een specifieke afstudeerrichting Moraalwetenschappen en Humanistiek.

De concrete aanleiding tot de inrichting van de opleiding was het schoolpact (1958-1959) en de dwingende nood die daardoor ontstond aan een professionele vorming voor leerkrachten niet-confessionele zedenleer (NCZ) in het hoger secundair onderwijs.2 Eerder werd wel al een cursus over de didactiek van het vak ingericht aan het Hoger Instituut voor Opvoedkundige Wetenschappen bij de Gentse Universiteit, gegeven door toenmalig inspecteur A.R. Van Cauwelaert, maar een wetenschappelijke onderbouw ontbrak.3

De benoeming van Apostel en Kruithof – twee vrijzinnige professoren – in de wijsbegeerte aan de R.U.G. legde het fundament voor de inrichting van de opleiding en de wetenschappelijke onderbouw van de moraalwetenschap en daarmee ook voor de niet-confessionele zedenleer.4 De toen nog zeer jonge Jaap Kruithof – assistent in de geschiedenis bij Jan Dhondt5 en gepromoveerd op een doctoraat over Hegels ontologie – volgde Edgar de Bruyne op na diens emeritaat in 1958. De Bruyne, halverwege de jaren 1920 aangenomen aan de Rijksuniversiteit, doceerde er de eerste Nederlandstalige variant in de moraalfilosofie: de grondige studie van vraagstukken uit de zedenleer. De Bruyne was gepromoveerd in 1922 aan de Katholieke Universiteit Leuven en was een bekend CVP-PSC politicus.6 Een dertigtal jaar lang doceerde hij de vakken zedenkunde en moraalfilosofie in diverse opleidingen aan de R.U.G. Op het einde van zijn loopbaan stond hij aan het hoofd van twee van drie seminaries in de filosofie: het seminarie voor algemene wijsbegeerte en het seminarie voor esthetica en metafysica.7

Kruithof, amper 29 jaar, nam bij het (vervroegde) emeritaat onder andere de cursus zedenkunde over die in verschillende kandidaturen in de letteren en wijsbegeerte (met inbegrip van de rechtenopleiding) werd gedoceerd.
In 1960/1961 kwam hij aan het hoofd te staan van een nieuw gevormd seminarie voor moraalfilosofie en metafysica. Aan dit seminarie (toen bestonden er nog geen vakgroepen) werden in de jaren 1960 nog Jos Van Ussel8 (1963/1964), Hugo Van Den Enden (1965/1966) en Jan Buelens (1968/1969) als assistent aangenomen. Allen zouden een fundamentele inbreng hebben in de uitbouw van de moraalwetenschappen met hun onderzoek en onderwijs op gebied van seksualiteit (Van Ussel), abortus en euthanasie (Van Den Enden) en moraalpedagogiek (Beulens).9 In 1962 publiceerde Kruithof met Jos Van Ussel, het ophefmakende ‘Jeugd voor de Muur’, een enquête – en eerste studie – over het (problematische) seksuele leven van studenten in het toenmalige conservatieve katholieke Vlaanderen.10

Jaap Kruithof werd in 1964 bevorderd tot hoogleraar en bleef tot zijn emeritaat in 1995 doceren aan de R.U.G.11 Hugo Van den Enden,12 Ronald Commers,13 Koen Raes14 en Freddy Mortier15 – allen gepromoveerd onder Jaap Kruithof – namen zijn cursussen over. Jaap Kruithof ontving in 2007 de Prijs Vrijzinnig Humanisme en overleed in 2009.16

Leo Apostel (1925-1995) werd in 1957 aangenomen aan de R.U.G. en was op dat ogenblik reeds docent aan de ULB, waar hij eerder promoveerde onder de Joodse hoogleraar Chaïm Perelman.17 Vanaf 1958-1959 werd hij directeur van het Seminarie voor Logica, waaraan Etienne Vermeersch in 1967 zou worden aangesteld.18 Apostel promoveerde tot hoogleraar aan de R.U.G. in 1960, maar bleef ook nog geruime tijd doceren aan de VUB. Apostel ging op vervroegd emeritaat in 197919 en werd opgevolgd door Dirk Batens, die het centrum voor Logica en Wetenschapsfilosofie oprichtte.20

Waar Kruithof de ethica en waardenfilosofie uitbouwde en een nieuw – vrijzinnig – élan bezorgde, deed Apostel hetzelfde voor de logica en wetenschapsfilosofie. Apostel had gestudeerd en gewerkt onder toonaangevende onderzoekers zoals Chaïm Perelman, Jean Piaget en Rudolf Carnap. Jaap Kruithof had aan de Sorbonne gestudeerd onder de invloedrijke fenomenologisch filosoof Maurice Merleau Ponty en de notoire Hegel-kenner Jean Hippolyte. Kruithof legde de basis voor een vrijzinnige ethiek, de bijdrage van Apostel tot het vrijzinnig denken spitste zich toe op het vrij onderzoek. Zij brachten hun domeinen en perspectieven samen in hun visie op wat moraalwetenschap behoorde te zijn: een wetenschappelijke benadering van morele fenomenen en vraagstukken. Zij kenden elkaar niet voor hun aanstelling, maar werden snel bevriend en zouden een succesvolle tandem gaan vormen in de uitbouw van de moraalwetenschap. Ook Lucien De Coninck21 speelde een belangrijke rol in de oprichting van de moraalwetenschap. Van 1964 tot 1970 was hij Nationaal Voorzitter van het Humanistisch Verbond en in het begin van de opleiding moraalwetenschap doceerde hij het vak ‘biologie en de menselijke gedragingen’.22

Op vraag van humanistische organisaties ontstonden er na de schoolpactwet van 1959 aan de R.U.G. plannen om een specifieke en wetenschappelijke opleiding voor de toekomstige leraars moraal in het hoger secundair in te richten. Een nieuwe afdeling moraalwetenschap werd opgericht bij KB van 19 december 1962 aan de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte van de R.U.G. met de officiële titel van ‘wetenschappelijke graad.’23 De opleiding bestond uit twee kandidaturen en licenties, maar vormde geen ‘academische graad’ en had dus toen niet hetzelfde statuut als andere opleidingen.

In de eerste en tweede kandidatuur moraalwetenschap werden algemene filosofische en menswetenschappelijke vakken gedoceerd, in de licenties meer specifieke en uitdiepende vakken ethiek en moraalfilosofie. Naast Kruithof en Apostel doceerden in de nieuwe opleiding: William De Coster (psychologie), Pierre Lambrechts (religie), Gerda De Bock (jeugddelinquentie), Willy Calewaert (rechtsleer), Henri Vander Eecken (neurologie), Lucien De Coninck (biologie en menselijk gedrag), Etienne Vermeersch i.s.m. Rudolph Boehm (geschiedenis van de wijsbegeerte), A.R. (Richard) Van Cauwelaert (moraalpedagogiek), Jos Van Ussel (encyclopedie van de wijsbegeerte, i.s.m. Jaap Kruithof), Herman Uyttersprot (geschiedenis van de letterkunde), Egied Strubbe (geschiedkundige kritiek) en Marcel Van Meerhaeghe (economie). Later doen Hugo Van den Enden, Jan Buelens en Bob Carlier24 hun intrede in het curriculum. Tot de eerste lichtingen studenten behoorden Rik Pinxten,25 Ronald Commers en Magda Michielsens. Over de jaren heen werden talrijke moralisten gevormd die vaak een prominente plaats in het maatschappelijke, politieke, culturele en wetenschappelijke domein zouden innemen, zoals Gie van den Berghe,26 Paula Burggraeve,27 Monica De Coninck28 en Sonja Eggerickx.29

In de eerste decennia stond de opleiding ondubbelzinnig bekend als progressief vrijzinnig en geëngageerd links. In de Canvas-documentaire Jaap Kruithof: Dwarsdenker getuigt Etienne Vermeersch dat studenten in het sterk verzuilde katholieke conservatieve Vlaanderen vaak werden verboden om de lessen bij te wonen. In de studentenrevoltes zou de opleiding uiteraard een belangrijke rol spelen. In 1969 bezetten de studenten de auditoria van de Blandijn na een verbod van de rector op het tonen van pornografisch materiaal tijdens een debat over pornografie. Zij werden gesteund door Jaap Kruithof en Rudolf Boehm.30 Via de opleiding moraalwetenschap (maar ook wijsbegeerte) werden uiteindelijk honderden studenten geconfronteerd met een kritische kijk op traditionele standpunten en geloofskwesties. Volgens Etienne Vermeersch was de bijdrage van Apostel en Kruithof van een onschatbare waarde voor de ontzuiling en secularisering van de Vlaamse samenleving: “Vlaanderen is het land [sic!] op wereldvlak, denk ik, waar de mentaliteitsverandering op het gebied van godsdienst en moraal het sterkst geweest is. […] ideologisch denk ik dat UGent een brandpunt was van die verandering.31 Ook aan de Université Libre de Bruxelles werd in 1967/1968 een afzonderlijke Nederlandstalige afdeling moraal met twee kandidaturen en twee licenties ingericht.32 In 1956 ‘verdubbelde’ de vakgroep filosofie aan de ULB door het organiseren van een opleiding en diploma in het Nederlands, naar analogie met het Franstalige programma. Rond diezelfde periode richt men eveneens een Certificat d’aptitude à l’enseignment morale in.33 Vanaf 1962/1963 is er in de Nederlandstalige programmaboekjes eveneens sprake van een getuigschrift van bevoegdheid in het onderwijs van de zedenleer, toegankelijk voor licentiaten in de letteren en wijsbegeerte.34 De vakken werden voor een groot deel gedoceerd door professoren die eveneens in Gent doceerden – met name Jaap Kruithof, Leo Apostel, A.R. Van Cauwelaert en William De Coster. Daarnaast gaven ook de professoren Leopold Flam,35 Jacques Ruytinckx36 en H. Bekaert les in de afdeling.37 Later zouden Maurice Weyembergh38 en Hubert Dethier centrale figuren worden in de opleiding. In 1966 worden er kandidaturen en licenties ‘Morale’ ingericht, maar deze verdwijnen vanaf 1970/1971.39 Intussen is de splitsing van de universiteit in ULB/VUB tot stand gekomen en worden vanaf 1969/1970 nog drie richtingen – geschiedenis van de filosofie, moraal en filosofie van de wetenschappen – in de kandidaturen aangeboden. In 1974/1975 ontstaat de wetenschappelijke graad van kandidatuur en licentie in de moraalwetenschappen, waardoor de afdelingen in de filosofie (tot 1981/1982) werden herleid tot ‘geschiedenis van de filosofie’ en ‘filosofie van de wetenschappen’. Samenwerking blijft bestaan tussen ULB en VUB, door het Interuniversitair instituut voor studie van renaissance en het humanisme.

Hubert Dethier, assistent bij Leopold Flam en zijn latere opvolger, getuigde dat de opleiding in Gent een belangrijk voorbeeld vormde voor de VUB en dat er de eerste tien jaar een intense samenwerking was tussen beide opleidingen.40 Jaap Kruithof bleef niet lang doceren aan de VUB, Leo Apostel wel nog tot 1974 en ook bij de latere generaties – zoals Diderik Batens, Ronald Commers, Herman De Ley en Jean Paul Van Bendegem – was er heel wat uitwisseling of sprake van een gecombineerde aanstelling aan beide instellingen.

2. Visie

De opleiding moraalwetenschap was van het begin af zeer multidisciplinair opgebouwd, met een aanbod van vakken in de wijsbegeerte, de psychologie, de economie, de sociologie, de biologie, het recht, literatuur, geschiedenis, godsdienstwetenschappen en psychiatrie. In de openingsrede bij de start van de opleiding aan de R.U.G. gaat Apostel dieper in op de uitdagingen bij het creëren van een volwaardige nieuwe discipline: “De moraalwetenschap bestaat niet, georganiseerd. Ze bestaat fragmentair en verspreid in het werk van zeer velen: maar als discipline, zich bewust van haar eigen natuur, van haar eigen waarde en van haar eigen methoden moeten wij docenten en studenten van de eerste afdeling moraal-wetenschap die naar ons weten bestaat, deze moraalwetenschap werkelijk scheppen.41 Het uitgangspunt van de opleiding is de idee van een wetenschappelijke moraal waarvan zelfstandig empirisch onderzoek (historisch, etnologisch, sociologisch en psychologisch) de noodzakelijke basis vormt, maar die ook actiegericht onderzoek vereist dat maatschappelijke veranderingsprocessen op gang kan brengen: “Ethica is denken voor het handelen, tijdens het handelen, ter voorbereiding en controle van het handelen.42 Emile Durkheim had in de 19de eeuw al gepleit voor een ‘science des moeurs’ en een ‘éducation morale’ als grondslag voor een republikeinse lekenmoraal, maar net als zijn leermeester Piaget hekelde Apostel het zeer heteronome plichtskarakter van Durkheims ontwerp, ten voordele van een autonome moraal die ontstaat uit samenwerkingsrelaties tussen egalitaire individuen.43

In zijn openingsrede kaderde Kruithof het belang van de moraalwetenschap in een visie op de toekomstige universiteit, die vier met elkaar verbonden maatschappelijke functies zou moeten uitoefenen: een wetenschappelijke, beleidsmatige, pedagogische en ideologische functie.44 Met het laatste bedoelde Kruithof dat de universiteit de verschillende politieke, religieuze en wereldbeschouwelijke standpunten in een geest van openheid en verdraagzaamheid moest samenbrengen en met elkaar confronteren. De moraalwetenschap diende een antwoord te bieden op een maatschappelijke en wetenschappelijke behoefte aan onderzoek op gebied van ethische vraagstukken. Ze diende zich niet te beperken tot het bestuderen, beschrijven en analyseren van morele problemen, maar moest ook de wereld – in een positieve of emancipatorische betekenis – beïnvloeden en transformeren. Wat de pedagogische functie betreft, diende de opleiding de leerkracht niet alleen voor te bereiden op kennis- en waardenoverdracht, maar ook in staat te stellen leerlingen te begeleiden in hun groei naar volwassenheid en hen advies te geven in concrete probleemsituaties. Door hun persoonlijk voorbeeld moest de leraar “de leerling existentieel bewijzen hoe men op verantwoorde wijze de menigvuldige concrete situaties ondergaat, verwerkt en verandert.45 Met de visie op de opleiding werd ook een wetenschappelijk programma uitgetekend. Een lijst met maar liefst 211 thema’s van mogelijk onderzoek in de moraalwetenschap werd door de oprichters opgesteld om studenten te helpen zich te heroriënteren bij hun licentiaats -en/of doctoraatsverhandeling.46

Zowel wetenschappelijk als maatschappelijk hadden Apostel en Kruithof dus zeer hoge ambities met de moraalwetenschap. Jacques De Visscher stelde in een kritische bijdrage over het filosofie-onderwijs in de jaren 1980 dat de wetenschappelijke ambities van de moraalwetenschap niet werden waargemaakt, maar dat het project vooral een marxistisch, sciëntistisch en antifenomenologisch karakter verkreeg.47 In de interviews die in 2009 naar aanleiding van het overlijden van Jaap Kruithof werden gepubliceerd in het tijdschrift Ethiek en Maatschappij werd gepeild naar de visie op het al dan niet slagen van het project van de moraalwetenschap. De waarderingen liepen uiteen. Over het cultuurhistorische belang – het introduceren van een alternatieve visie op het denken over morele problemen in een nog zeer sterk verzuild Vlaanderen – was weinig discussie. Rechtstreeks of onrechtstreeks wordt de moraalwetenschap in verband gebracht met de secularisering in Vlaanderen en met progressieve ethische wetgevingen rond bijvoorbeeld abortus, euthanasie en medisch geassisteerde voortplanting of rechten van holebi’s. Op wetenschappelijk vlak lopen de visies uiteen: volgens Johan Braeckman legde de moraalwetenschap de basis voor de empirische ethiek, die later uitmondde in internationaal gerenommeerd onderzoek in het kader van het Bioethics Institute of het Moral Brain project.48 Anderen zoals Ronald Commers betreurden net het sciëntisme, het specialisme-denken en de teloorgang van het denken over globale verbanden in de recentere opleiding. Ook Koen Raes was van oordeel dat er nog weinig rest van de oorspronkelijke plannen om aan de moraalwetenschap een bijzondere plaats binnen de universiteit toe te kennen.49

Hoewel er aan de opleiding moraalwetenschap wel een gedeelde visie ten grondslag lag, werd zij niettemin ook gekenmerkt door scherpe interne filosofische debatten en tegenstellingen – bijvoorbeeld over objectivisme (Kruithof, Apostel) en subjectivisme (Vermeersch, Van den Enden) en ecocentrisme (Kruithof) en antropocentrisme (Vermeersch). Het pluralisme dat Apostel en Kruithof voor ogen stond was volgens Koen Raes te kenmerken als een confronterend pluralisme: “waarbij verschillende opvattingen en verschillende visies met elkaar in discussie gaan, in dialoog gaan en geconfronteerd worden met elkaar, niet alleen in termen van belangen, maar ook in termen van waarden en normen.50 Constantijn Vermaut, studentenpraeses Kring Moraal Filosofie en samensteller van het Ethiek en Maatschappij-nummer met interviews naar aanleiding van het overlijden van Jaap Kruithof, verwoordde de impact van de moraalwetenschap als volgt: “Wanneer ik de Blandijn aanschouw, dan staat er niet alleen een lelijk, kaal en oud gebouw. Voor me staat het decor van een grootste strijd, waar eminente denkers samen voortbouwden aan een menselijke wereld, en een wetenschappelijk project.51

Ook binnen de opleiding wijsbegeerte, die afzonderlijk bleef bestaan, hadden Apostel en Kruithof een fundamentele invloed die door Dirk Batens werd getypeerd als een benadering “die vertrekt van en gericht is op concrete en reële empirische problemen.52 Zowel Apostel als Kruithof waren uiterst kritisch ten aanzien van de traditionele wijsbegeerte die zich richtte op het ontwikkelen en beoordelen van min of meer gesloten denksystemen, waarbij criteria als coherentie primeerden op maatschappelijke relevantie. Freddy Mortier merkte echter op dat bij de oprichting van de moraalwetenschap de klassieke filosofen wel iets te gemakkelijk in een kastje apart werden gezet: Apostel en Kruithof leken wel te zijn vergeten dat zij zelf eerst de klassiekers hadden bestudeerd, vooraleer zich met maatschappelijke vragen bezig te houden.53

Wat de opleiding moraalwetenschap aan de VUB betreft zijn er zowel gelijkenissen als verschillen. Hoewel ook Leopold Flam een vrijzinnige ethica zocht te ontwikkelen, werd de idee van een moraalwetenschap – en een specifieke opleiding voor leerkrachten niet-confessionele zedenleer – er minder enthousiast onthaald. Volgens Jean Paul Van Bendegem kan je het verschil tussen de opleiding aan de VUB en de R.U.G als volgt typeren: Kruithof en Apostel trachten een moraalwetenschap te ontwikkelen, een wetenschappelijk onderbouwde ethiek, terwijl aan de VUB de moraalwetenschappen – in meervoud – werden erkend als hulpinstrumenten voor de studie van ethische problemen, maar op zich geen basis konden bieden voor de ethiek.54 Ook qua onderzoek zijn er duidelijke verschillen. Zoals blijkt uit de opgerichte onderzoekscentra, de promotie-onderwerpen en publicaties van de docenten aan de opleiding, stond het historisch wijsgerige onderzoek er veel meer centraal. In lijn met de drie afdelingen in het voormalige ULB-programma werden later aan de VUB drie onderzoekscentra uitgebouwd: het Centrum voor Bio-Ethiek, het Centrum voor de Studie van de Verlichting en het Hedendaags Humanisme en het Centrum voor Logica en Wetenschapsfilosofie. Na de herintegratie van de moraalwetenschappen in de wijsbegeerte werden de eerste twee centra samengebracht in één onderzoekscentrum Ethiek en Humanisme.

3. Neutraal en/of vrijzinnig?

Zowel Kruithof als Apostel beklemtoonde dat de moraal als wetenschap neutraal was en behoorde te zijn, wat gezien de inbedding in de Gentse Rijksuniversiteit ook moeilijk anders kon. De cursus moraal in het secundair onderwijs zou voor Apostel een “moraal voor allen” moeten zijn: “Voor ons juist die hier verdedigen dat de moraalwetenschap een cultuur-historische noodzakelijkheid en een beginnende wetenschappelijke werkelijkheid is, kan er geen ogenblik twijfel bestaan dat de huidige tegenstelling tussen moraal (antireligieus?) en godsdienst (immoreel?) een onding moet genoemd worden. De moraal als wetenschap is een cursus voor allen.55 Dit betekende uiteraard niet dat de moraal of de moralist neutraal is: “[…] de moraal als wetenschap maakt voor bepaalde vraagstukken overduidelijk dat ze in een bepaalde richting moeten opgelost worden. Als zulk wetenschappelijk resultaat bereikt is, dan mag de moralist als wetenschapsmens geen ogenblik aarzelen duidelijk die delen van ideologieën af te wijzen die met zijn resultaten in strijd zijn. De wiskundige die gevraagd wordt of er imaginaire getallen bestaan mag zich niet onthouden uit vrees iemand te kwetsen die aan het niet-bestaan ervan zou geloven. Maar de moralist moet en kan neutraal zijn waar de wetenschap zich tot heden niet uitspreekt.56

De moraalwetenschap kaderde in de ontzuilingsstrijd in Vlaanderen en zowel Apostel als Kruithof zagen de cursus NCZ in het middelbaar onderwijs ook als een neutrale cursus. Daarnaast opperde Apostel wel dat, naar analogie van de godsdienstige vakken, er een afzonderlijk wereldbeschouwelijk vak voor niet-gelovigen of vrijzinnigen zou kunnen worden ingericht: “Naast deze moraal, als wetenschap voor allen bestemd zou dan inderdaad moeten gesteld worden een cursus ‘vrijzinnige ideologie’ voor de niet-gelovigen. Dit zou eindelijk aan een duidelijk verwarde en tot allerlei betwisting leidende toestand een einde maken waarin door sommigen de cursus moraal verdekt als vrijzinnig propaganda-instrument wordt gezien, terwijl anderen door hun extreme neutraliteit in ideologische zaken aan vrijzinnige kinderen de inspiratiebron van een werkelijke wereldbeschouwing onthouden.57

De opleiding Moraalwetenschap had binnen de R.U.G. een sterk vrijzinnige signatuur, met een aanbod van cursussen zoals ‘vrijzinnig denken’ en met prominente vrijzinnige professoren – naast Apostel en Kruithof – als Etienne Vermeersch, Bob Carlier, Hugo Van den Enden, Lucien De Coninck, Ronald Commers, Koen Raes en Freddy Mortier. Allen vervulden een onmiskenbare prominente rol in het articuleren van vrijzinnige standpunten in maatschappelijke en ethische debatten over thema’s als seksualiteit, abortus, nieuwe reproductietechnieken, euthanasie, maar ook over milieuproblemen, globalisering en migratie.

Toen in de jaren 1990 de organisatie van het vak niet-confessionele zedenleer werd toevertrouwd aan de vrijzinnige gemeenschap verkreeg de niet-confessionele zedenleer (NCZ) een uitgesproken levensbeschouwelijk karakter. Hiertegen kwam heel wat verzet vanuit de Gentse afdeling moraalwetenschap. Naar aanleiding van het arrest-Versluys (14 mei 1985) en het arrest-Vermeersch (19 juli 1990) werd in een circulaire van de minister van Onderwijs, Daniël Coens, de cursus NCZ opgevat als een levensbeschouwelijke cursus. In een reactie van het bestuur van de Oudstudenten Wijsbegeerte en Moraalwetenschap (OWMG) werd hiertegen uitdrukkelijk standpunt genomen. Het OWMG wijst er op dat de Raad van State en de minister ten onrechte het woord ‘vrijzinnige duiding’ in het leerplan interpreteren als een specifieke wijsgerige leer, terwijl het in wezen slaat op de houding van vrij onderzoek, wars van een geloofsbelijdenis, van dogma en van een confessioneel standpunt.58 In een latere nota van Hugo Van den Enden wordt vanuit de opleiding ook standpunt ingenomen tegen de ambitie van de Unie Vrijzinnige Verenigingen (UVV) om de inrichtende macht voor de cursus niet-confessionele zedenleer te worden.59 Daarin wordt geargumenteerd dat vrijzinnigheid geïnterpreteerd moet worden als een methodologische ingesteldheid en niet als een uitgewerkte levens- of wereldbeschouwing. Tevens wordt betoogd dat er onder vrijzinnig humanisme een veelheid van levens- en wereldbeschouwingen schuilgaat die onmogelijk door een organisatie als UVV kan gerepresenteerd worden. In de nota wordt ook uitdrukkelijk standpunt ingenomen tegen de idee dat de Gentse licentie Moraalwetenschap voor kandidaat-leerkrachten NCZ niet langer aanvaardbaar zou zijn, omdat ze in een officiële en dus neutrale en niet in een levensbeschouwelijk geëngageerde instelling wordt georganiseerd.60 Tot op vandaag profileert de opleiding moraalwetenschappen aan de UGent zich als levensbeschouwelijk neutraal en blijft ze nog steeds instaan voor vorming en opleiding van de leerkrachten niet-confessionele zedenleer.

4. Evoluties

In 1992/1993 werden alle wetenschappelijke graden omgezet naar academische graden, waardoor de opleiding moraalwetenschap een academische graad verkreeg en zo op het zelfde niveau werd geplaatst als andere opleidingen. In de plaats van seminaries werden vakgroepen gevormd. Etienne Vermeersch werd de eerste vakgroepvoorzitter aan de Universiteit Gent, opgevolgd bij zijn emeritaat in 1996/1997 door Diderik Batens, in 1999/2000 door Hugo Van den Enden en in 2003/2004 door Freddy Mortier. Tot op vandaag bestaat de opleiding nog afzonderlijk aan de UGent, terwijl ze aan de VUB in 2004 werd geïntegreerd in de opleiding wijsbegeerte.

Hoewel de inbedding van de opleiding aan de Vrije Universiteit Brussel haar een vanzelfsprekend vrijzinnig élan verleende, miste de opleiding de kritische uitstraling en de grote aantrekkingskracht van de Gentse opleiding. Ondanks alle filosofische tegenstellingen (en persoonlijke conflicten) bestond er aan de UGent een zeer groot engagement rond de moraalwetenschap, zowel van docenten als studenten. In de beginperiode was het enthousiasme aan de VUB voor de opleiding zeer groot, en in de jaren 1980 volgden nog initiatieven in verband met de lekenbegeleiding (zie infra) maar door haar positie als kleine universiteit in Vlaanderen en financiële beperkingen bleef de moraalwetenschap aan de VUB veeleer in de schaduw staan van de wijsbegeerte. Na de visitatie van beide opleidingen in 2002 werd aan de VUB besloten tot het opheffen van de afzonderlijke opleiding. In het betreffende visitatierapport lezen we: “De Commissie heeft in Gent kennisgemaakt met een zelfbewuste opleiding die haar identiteit niet ontleent aan de filosofie waarmee zij overigens nauw verbonden is (in de vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschap hebben de docenten hun thuisbasis). Het ‘wij-gevoel’ van de docenten die in Brussel werkzaam zijn bij Moraalwetenschappen, heeft daarentegen wel betrekking op de opleiding Wijsbegeerte. Anders dan in Gent het geval is, richten de Brusselse docenten hun zorg en aandacht dan ook vooral op de wijsbegeerte, en niet op de moraalwetenschap, hetgeen dat programma benadeelt, zelfs zozeer dat de Commissie somber gestemd is over de toekomst van de Brusselse opleiding.61 Met tussenkomt van de vrijzinnige gemeenschap – die voorzag in een tijdelijke financiering van een leerstoel humanistiek – werd geopteerd voor een integratie van de moraalwetenschappen in de opleiding wijsbegeerte. In de Master Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen werd een specialisatie aangeboden, in de vorm van een afstudeerrichting moraalwetenschappen en humanistiek, die geldt als bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leraar niet-confessionele zedenleer in de derde graad.

Doorheen de jaren vonden, onder meer door de emeritaten, verschillende verschuivingen in het curriculum van beide opleidingen plaats.62 Vandaag bestaat aan de UGent de bacheloropleiding uit vier pakketten algemene opleidingsonderdelen, met name een faculteitsbrede vorming, wijsgerige opleidingsonderdelen, ethiek en moraal en ten slotte mens- en hulpwetenschappen. Daarnaast kunnen studenten kiezen uit verschillende minoren. De bacheloropleiding wijsbegeerte en moraalwetenschappen aan de VUB bestaat uit drie verplichte modules algemene, specificerende en verdiepende wijsgerige ethische onderdelen en drie keuzepakketten algemene, onderbouwende en verdiepende studiedelen wetenschappen. De master wijsbegeerte en moraalwetenschappen aan de VUB omvat drie studierichtingen, waaronder de afstudeerrichting moraalwetenschappen en humanistiek.

5. Van lekenconsult en morele begeleiding naar humanistiek

Begin jaren 1980 werden ook de licenties in de lekenbegeleiding en morele begeleiding opgestart aan beide universiteiten.

Sinds 1980 richtte de VUB een bijzondere licentie/getuigschrift lekenbegeleiding in, waartoe houders van diverse diploma’s werden toegelaten. Deze opleiding werd ingericht door een interfacultair centrum waarin vier faculteiten samenwerken: Letteren en Wijsbegeerte, Rechten, Geneeskunde en Psychologie en Opvoedkunde. Tony Van Loon en Jaak Vanlandschoot werden aangesteld als wetenschappelijke medewerkers.63 Vanaf 1988 transformeert de bijzondere licentie/getuigschrift tot de afdeling ‘morele begeleiding’ van de licentie moraalwetenschappen. Er werd ook samenwerking gezocht met de Universiteit voor Humanistiek te Utrecht, opgericht in 1989, waartoe tussen beide instellingen een overeenkomst werd afgesloten.64

Bij de inrichting van de morele begeleiding aan de Gentse Universiteit ontstond enige beroering betreffende haar levensbeschouwelijk karakter. Tijdens de bespreking in de onderwijscommissie meenden sommigen dat de Gentse Universiteit daarmee het ‘Groot Seminarie van het Humanistisch Verbond’65 zou organiseren. In antwoord daarop werd benadrukt dat de consulenten geen wereldbeschouwelijke visie hoeven uit te dragen of op te leggen, maar een niet-directieve en objectieve ethische en morele begeleiding op basis van een wetenschappelijke en wijsgerige vorming moeten aanbieden.66 Morele consulenten worden in de praktijk echter aangeduid en tewerkgesteld door de Unie Vrijzinnige Verenigingen die bij aanstelling peilt naar de vrijzinnige visie van de sollicitant.

In 1983/1984 startte de morele begeleiding als volledige licentie-opleiding aan de UGent. De opleiding omvatte een basisvorming in de ethiek, ideologisch-wijsgerige vorming, toegepaste ethiek en ethiek van de hulpverlening, menswetenschappelijke vakken en een stage in ziekenhuizen en verpleegtehuizen, leger, gevangenissen enz. De morele begeleiding sloot aan bij het studieprogramma van de moraalwetenschap, maar spitste zich meer toe op de psychologische en agogische dimensie en op het ondersteunen van personen in probleemsituaties. De licentie morele begeleiding aan de UGent – die zeer weinig studenten had – werd met ingang van het academiejaar 1999/2000 geïntegreerd als optie binnen de moraalwetenschappen.67

De onderwijsvisitatie moraalwetenschappen/humanistiek van 2002 uitte haar grote bezorgdheid over de opleiding morele begeleiding aan beide instellingen en wees daarbij op de zeer lage studentenaantallen, waarvoor de weinige intrinsieke belangstelling van de instellingen voor deze opleiding mee verantwoordelijk werd geacht. Aan de UGent werd de optie morele begeleiding uiteindelijk opgeheven, aan de VUB werd ze gedeeltelijk en onder een nieuwe titulatuur in een nieuwe structuur opgenomen, die samenging met de integratie van de moraalwetenschappen en de wijsbegeerte. Vanaf 2005 wordt dus aan de VUB een Bachelor en Master in de Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen ingericht, met drie afstudeerrichtingen in de master.68 De afstudeerrichting moraalwetenschappen en humanistiek bereidt er via een aanbod humanistiek en stage voor op de professionele vorming van morele consulenten en – met de lerarenopleiding – leerkrachten niet-confessionele zedenleer.

In navolging van Nederland werd bij deze hervorming ook voor de naamgeving humanistiek in plaats van morele begeleiding gekozen. Harry Kunneman situeert de humanistiek als een menswetenschap op het kruispunt van het geesteswetenschappelijke Bildungsmotief en de sociaalwetenschappelijke gerichtheid op rationele theorievorming en emancipatorische veranderingsprocessen.69 Het eerste refereert aan de humanistische historische traditie waarin verhalen en teksten een vormende en zingevende activiteit belichamen en stelt hermeneutiek, discussie en vorming centraal. Het tweede betreft een eerder typische moderne gerichtheid om via rationele en wetenschappelijk gefundeerde inzichten en kennis de vooruitgang en emancipatie van het menselijk bestaan te bevorderen, waarbij de nadruk ligt op rationele theorievorming en onderzoek. De achterliggende filosofie van de humanistiek sluit aan bij die van de moraalwetenschap, maar de eerste legt meer nadruk op het belang van hermeneutische en interpretatieve benaderingswijzen, op vraagstukken van zingeving en levensbeschouwing en op individuele begeleiding.

De Universiteit voor Humanistiek in Nederland staat in voor de opleiding van humanistische raadswerkers, die een gelijkaardige functie uitoefenen als moreel consulenten. Van bij haar oprichting kort na de Tweede Wereldoorlog zag het Humanistisch Verbond in Nederland de geestelijke begeleiding aan buitenkerkelijken in instellingen – zoals het leger, de gevangenissen of de ziekenhuizen – als een belangrijke maatschappelijke opdracht. In de jaren 1960 werd daartoe al het Humanistische Opleidingsinstituut (HOI) opgericht, dat een aanvankelijk tweejarige, vervolgens driejarige en vierjarige opleiding verzorgde voor geestelijke werkers. Om tegemoet te kunnen komen aan de maatschappelijke ontwikkelingen en de behoefte aan een wetenschappelijke vorming werd in de loop van de jaren 1980 gewerkt aan een wetenschappelijke beroepsopleiding. Dit resulteerde in 1987 in de oprichting van de Universiteit voor Humanistiek, die instaat voor een ambtsopleiding van de humanistische geestelijke begeleiders, uitgezonden door het Nederlandse Humanistisch Verbond. Binnen het academische veld is de Universiteit voor Humanistiek een ‘bijzonder aangewezen universiteit op levensbeschouwelijke grondslag’, naar het model van de theologische faculteiten. Deze ‘aanwijzing’ werd in 1991 van kracht. Vandaag wordt er een Bachelor en een Master Humanistiek aangeboden die voorbereidt op de praktijk van het geestelijke raadswerk, het levensbeschouwelijke onderwijs, het beleidsadvieswerk en het wetenschappelijke onderzoek. De studie profileert zich als een multidisciplinaire wetenschappelijke beroepsopleiding die onderdelen bevat uit de filosofie, psychologie, sociologie, religie- en cultuurwetenschappen en wetenschapstheorie en methodologie.

6. Slotbeschouwingen: is er een toekomst voor de moraalwetenschappen?

In deze bijdrage heb ik een breed overzicht gegeven van het ontstaan van de opleiding, de betrokken actoren en de achterliggende visie, zonder hierbij volledig te kunnen zijn. De verwevenheid van wetenschappelijke, ideologische, maatschappelijke en institutionele logica’s maakt deze opleiding uniek en complex. Op de achtergrond spelen maatschappelijke evoluties met betrekking tot verzuiling en ontzuiling en – vooral van belang voor de VUB – de communautarisering.

De klemtoon in deze bijdrage ligt op het initiatief aan de UGent, omdat zij als eerste de opleiding zelfstandig inrichtte en dit als enige instelling in Vlaanderen en België tot op heden doet. Gezien het levensbeschouwelijke karakter van de opleiding is dit evenwel een merkwaardige vaststelling. Hoewel de opleiding zich nog steeds profileert als neutraal, is ze het resultaat van vrijzinnige strijd. Zonder de invloed van vrijzinnigen en vrijzinnige organisaties zou ze nooit ontstaan zijn. Bovendien leidt ze nog steeds op tot het beroep van leerkracht niet-confessionele zedenleer. Apostel en Kruithof beoogden met de moraalwetenschap bij te dragen aan de secularisering en ontzuiling van de Vlaamse samenleving en de ontwikkeling van een kritisch pluralisme. De institutionele verankering van de niet-confessionele zedenleer als een levensbeschouwelijke cursus ging in tegen deze ontzuilingslogica maar was tegelijkertijd een essentiële voorwaarde voor de ontwikkeling van het kritisch pluralisme dat ze voorstonden. De ontkerkelijking mag zich dan de voorbije 50 jaar sterk hebben doorgezet, debatten over religie, levensbeschouwing en moraal zijn vandaag – in een andere maatschappelijke constellatie – opnieuw brandend actueel. Toch is de cultuurhistorische rol van de moraalwetenschappen de voorbije jaren afgenomen en vinden de hoge studentenaantallen niet langer de weg naar de opleiding.

De Gentse afdeling bracht een traditie van professoren en kritische intellectuelen voort die een onmiskenbare invloed uitoefenden op het maatschappelijke debat en op verschillende wijzen hebben bijgedragen tot de secularisering van de Vlaamse samenleving. Dit is – met uitzondering van Leopold Flam en Hubert Dethier – in mindere mate het geval geweest voor de kleinere afdeling aan de VUB. Toch was er van het begin af een sterke uitwisseling tussen beide opleidingen, gezien heel wat docenten aan beide instellingen werkzaam waren. Met Jaap Kruithof en Leo Apostel ontwikkelde zich een uitgesproken visie op moraalwetenschap en een onderzoekstraditie die een sterke gerichtheid had op maatschappelijke vragen en interdisciplinair onderzoek. Dit laatste wordt aan de VUB vandaag verdergezet in het Centrum Leo Apostel (CLEA) dat echter weinig binding heeft met de opleiding. Het onderzoek op gebied van empirische en toegepaste ethiek vindt onderdak in een breder opgezet Centrum voor Ethiek en Humanisme. Aan de UGent vindt het kruispunt tussen ethiek en wetenschap onder meer een neerslag in het onderzoek op gebied van de bio-ethiek, dat als een specialisme ook op zekere wijze haaks staat op de oorspronkelijke idee van een moraalwetenschap: de grondige interdisciplinaire studie van ethische problemen met oog voor bredere maatschappelijke verbanden.

Als academische opleidingen kunnen de moraalwetenschappen ook niet weerstaan aan recentere tendensen binnen de academische wereld. Hoewel ze omwille van hun levensbeschouwelijke karakter niet aan de algemene normen inzake studentenaantallen dienen te voldoen, dwingen de beperktere middelen en dalende studentenaantallen tot een verdergaande rationalisatie. Gezien het unieke karakter van de opleiding bemoeilijkt de internationaliseringstrend haar verdere uitbouw: er zijn – met uitzondering van de Nederlandse opleiding Humanistiek – in het buitenland geen aanverwante opleidingen. Toch staat internationaal zowel het onderzoek op gebied van religie en secularisme als ethiek en moraal – in de vorm van toegepaste en empirische ethiek of als moral anthropology of anthropology of moralities – hoog op de wetenschappelijke agenda.
In dat opzicht is er geen gebrek aan toekomst voor de moraalwetenschappen en is de maatschappelijke en wetenschappelijke actualisering ervan wellicht interessanter dan de pogingen die worden ondernomen om haar te begraven als een restant van een verleden levensbeschouwelijke strijd.

7. Bronnen en suggesties voor verder onderzoek

Over de maatschappelijke voorwaarden en betrokken actoren bij de totstandkoming van de opleiding, de filosofische en wetenschappelijke grondslagen ervan, de inhoudelijke discussies en evoluties en de maatschappelijke impact kan nog veel onderzoek worden verricht. De precieze evolutie van de opleiding Moraalwetenschappen aan zowel de UGent als aan de VUB is bijvoorbeeld onderbelicht en vergt nadere studie. Dit geldt ook voor de impact van andere actoren die betrokken waren bij de oprichting en bij de meer recente hervormingen die binnen de opleidingen plaatsvonden.

Voor een reconstructie van de opleidingen moraalwetenschap(pen) kan men putten uit diverse bronnen. Er zijn ten eerste de openingsredes, de lezingen en de bijdragen die verschenen naar aanleiding van het ontstaan en van de huldiging van 40 jaar moraalwetenschap.

Ten tweede valt uit de collegeroosters af te leiden wanneer bepaalde veranderingen in programma’s worden doorgevoerd. Bij verandering van het programma kan de onderzoeker de verslagen van de vakgroep, de faculteit of de Onderwijsraad van het jaar voordien doornemen om te zien wat de beweegredenen waren en welke discussies er gevoerd zijn. Om indirecte factoren te kennen die een invloed gehad hebben, zijn andere bronnen aangewezen, zoals personeelsdossiers, waarin de lesopdrachten en de reden van aanstelling van docenten worden vermeld. Puntenregisters en proclamatiebladen geven de studentenaantallen. De aandacht die de universitaire overheid aan een opleiding of aan een postgraduaat besteedde, kan soms afgeleid worden uit de verslagen van de Onderwijsraad, maar vaak ook uit archieven van leidende universitaire figuren, zoals decanale of rectorale archieven, omdat deze vaak bij de problematiek betrokken werden. Dossiers over visitaties bijvoorbeeld bevatten interessante correspondentie over opleidingen.

Ten derde zijn er de talrijke publicaties van docenten waarin visies (en evoluties) op moraalwetenschap worden gearticuleerd en de eveneens talrijke – naar aanleiding van emeritaten en overlijdens – hommages en bundelingen die verschenen en die vaak een gelegenheid boden om te reflecteren over het ontstaan, de visie en evoluties binnen de opleidingen. Een overzicht en bundeling van documenten en publicaties van (en over) de docenten die aan de opleidingen waren verbonden zou al een eerste belangrijke stap zijn voor verder onderzoek. De geschiedenis van de opleiding is in sterke mate de geschiedenis van haar bezielers. Er zijn talrijke ongepubliceerde documenten die zowel in universitaire archieven (facultaire verslagen, officiële briefwisselingen, cursussen, voorbereidende verslagen van visitatierapporten enz.) als in persoonlijke archieven (toespraken, onuitgegeven nota’s, brochures, standpunten, persoonlijke brieven etc.) zijn terug te vinden. Ook hier ligt nog een hele weg open voor een systematische archivering en verder onderzoek. In dat opzicht is het aan te bevelen om het persoonlijk archiefmateriaal van de eerste generaties docenten en studenten zoveel mogelijk te traceren en het bronnenmateriaal verder te verrijken met bevragingen en interviews van docenten en studenten over de verschillende decennia heen.

Ten slotte sluiten we niet uit dat er nog interessante dossiers zijn bij de drukkingsgroepen die de moraalwetenschappen propageerden (de instellingen van de georganiseerde vrijzinnigheid), bij de autoriteiten die de opleidingen moesten goedkeuren (het ministerie van Onderwijs) en mogelijk bij inrichtende onderwijsautoriteiten (bv. het GO!) die een zeker belang hadden bij goed gevormde leerkrachten moraal. Maar of deze licht werpen op het ontstaan, de beweegredenen, de evolutie en de inhoud van de opleidingen moraalwetenschap is de vraag. Ze belichten waarschijnlijk in hoofdzaak de politieke kant van de zaak.

Voetnoten

  1. De auteur wenst uitdrukkelijk Frank Scheelings en Jan Van den Brande te bedanken voor het aanleveren van informatie over het ontstaan van de opleiding aan de VUB en Frank Scheelings in het bijzonder voor de nodige aanvullingen van het bronnenmateriaal.
  2. Zie hiervoor de bijdrage van Eddy Borms over gemeenschapsonderwijs en zedenleer in deze erfgoedgids.
  3. Mededelingen: De eerste stevige stap voor de opleiding van de moralisten, in De Moralist, 1 (1960), 6, p. 39.
  4. Nicole De Cock schrijft dat ze uit de geschriften van Leo Apostel kon opmaken dat beiden werden samengebracht door Jan Dhondt uit de geschiedenis met de uitdrukkelijke bedoeling de wijsbegeerte en ethiek onder de verantwoordelijkheid te brengen van twee vrijzinnigen. N. De Cock, De moraal van het verhaal. Een reportage over de beginjaren van 40 jaar Gentse moraalwetenschappen, in Ethiek en Maatschappij, 3 & 4 (2003), p. 189.
  5. Jan Dhondt (1915-1972), in 1945 benoemd in de hedendaagse geschiedenis aan de R.U.G., was afkomstig uit een antiklerikale liberale Gentse familie en stond bekend als vrijzinnig en ‘onorthodoxe marxist’. In de jaren 1950 publiceerde hij ook studies over ‘kerkelijkheid en onkerkelijkheid.’ W. Blockmans & H. Gaus, Dhondt, Jan, in Nationaal Biografisch woordenboek, Brussel, Koninklijke Academieën van België, 1981, p. 195-206, online publicatie beschikbaar via: resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/nbwv/#source=9&page=105&accessor=accessor_index&accessor_href=accessor_index%2Findex_html%3FSearchSource%253Autf-8%253Austring%3Ddhondt&view=imagePane (geraadpleegd op 9 januari 2016).
  6. Edgar De Bruyne (1898-1959) was gecoƶpteerd lid van de Senaat tussen 1939-1958 en heel kort minister bevoegd voor de Kolonies (12/02/1945-16/05/1945). ODIS-databank, online beschikbaar via www.odis.be/lnk/PS_3098 (geraadpleegd op 9 januari 2016).
  7. Informatie aangeleverd door Isabel Rotthier, archivaris van het Gentse Universiteitsarchief.
  8. Jos Van Ussel (1918-1976) schreef in 1957 Opvoeding tot harmonische seksualiteit. In 1967 promoveerde hij aan de Universiteit van Amsterdam met een zeer invloedrijk proefschrift dat te boek werd gesteld in 1968 als De geschiedenis van het seksuele probleem. W. Trommelmans, Vlaanderen Vrijt! 50 jaar seks in Vlaanderen, vzw Steam en Uitgeverij van Halewijck, 2008, p. 14.
  9. Informatie aangeleverd door Isabel Rotthier, archivaris van het Gentse Universiteitsarchief.
  10. Met Jeugd voor de Muur werd ook aangetoond dat er een dringende nood was aan een nieuwe seksuele moraal in Vlaanderen en dus ook aan een degelijk ingerichte cursus zedenleer. G. Van den Berghe, Alle begin is moeilijk. De seksuele ‘revolutie’ in Vlaanderen, in Yang, december 2001, www.serendib.be/artikels/allebeginismoeilijk.htm (geraadpleegd op 9 januari 2016). De negatieve reacties werden nog versterkt toen het boek in 1962 werd besproken (op goede vrijdag!) in een tv-uitzending van Het Vrije Woord, het gastprogramma van het Humanistisch Verbond en waarbij enkele studenten anoniem getuigden over
    hun seksuele problemen. W. Trommelmans, Vlaanderen Vrijt! 50 jaar seks in Vlaanderen, vzw Steam en Uitgeverij van Halewijck, 2008, p. 13. Vijf jaar later (1967), in de tv-uitzending ‘het gelukkige gezin’ met Paula Semer, pleitte Kruithof op het einde van de uitzending in een panel met kanunnik De Haene, Guido Roscam van de Katholieke Jeugdraad en mevrouw De Geest-Materne van het katholieke Kultuurleven voor voorlichting over en toegang tot anticonceptiva voor jongeren (ook voor het huwelijk), waar de andere panelleden, stilzwijgend, leken mee in te stemmen. Dit fragment is opgenomen in de uitzending Jaap Kruithof: Dwarsdenker (Canvas, 26 februari 2009), online beschikbaar via: www.youtube.com/watch?v=FT3p3a581HU&index=1&list=PL047292A193FC4162. Met de boze reacties die vanuit katholieke zijde volgden kwam het maatschappelijke debat op gang.
  11. Belangrijke werken van Jaap Kruithof zijn De Zingever (1968), Eticologie (1973), Arbeid en lust (1984, 1986), De mens aan de grens (1985), Het neoliberalisme (2000) en Het humanisme (2001). In 1989 stelde Hugo Van den Enden het boek Dwarsdenken: omtrent Jaap Kruithof samen (EPO, 1989), een bundel essays van Gentse collega’s filosofen en moraalwetenschappers. Naar aanleiding van het emeritaat werd een liber amicorum Over Jaap Kruithof gesproken samengesteld door Ronald Commers en Kees Kruithof (VUBPress, 1996). In Een wereld zonder stuurman (Nijgh & Van Ditmar/Dedalus, 1995) zijn gesprekken en interviews gebundeld van Jaap Kruithof uit de periode 1962-1995.
  12. Hugo Van den Enden studeerde Germaanse filologie, wijsbegeerte en moraalwetenschap en promoveerde onder Kruithof op een proefschrift over de jonge Marx. Tot zijn emeritaat in 2003 was hij hoogleraar moraalwetenschap en bio-ethiek aan de UGent. Hij overleed in 2007. In 1971 publiceerde hij Abortus, pro en contra, een pleidooi voor de legalisering van abortus. Nadien zou hij ook een belangrijke impact hebben op het euthanasiedebat, onder andere vanuit zijn hoedanigheid als voorzitter van de vzw Recht op Waardig Sterven. In 1995 publiceerde hij het boek Ons levenseinde humaniseren (VUBPress, 1995; herwerkte uitgave n.a.v. wetgeving euthanasie, palliatieve zorg en patiëntenrechten, VUBPress, 2004).
  13. Ronald Commers behoorde tot de eerste lichting studenten moraalwetenschap (1963) en doceerde later aan de VUB, het Universitair Centrum Limburg en tot zijn emeritaat in 2011 aan de UGent. Daar gaf hij cursussen zoals vergelijkende studie van morele systemen, ethica en waardenfilosofie, seksuele en relationele ethiek en wereldethiek. Rond de millenniumwisseling richtte hij het Centrum voor Ethiek en Waardenonderzoek op. In Jeugd die niet voorbijgaat blikt Commers terug op zijn loopbaan en geeft daarin ook een kritische bespreking van de evolutie van de moraalwetenschap (ASP, 2011).
  14. Koen Raes, assistent bij Kruithof en gepromoveerd in de Moraalwetenschap op een proefschrift over John Rawls in 1983, werd later aangesteld aan de rechtsfaculteit van de UGent. Hij doceerde onder meer ethiek en rechtsfilosofie in de rechtenopleiding, sociologie van de moraal, ethiek en filosofie van de hulpverlening, medische ethiek en sociale en politieke filosofie in de moraalwetenschap en voor diverse opleidingen keuzevakken zoals economie en ethiek en media-ethiek. In 1997 richtte hij het tijdschrift Ethiek en Maatschappij op, een multidisciplinair tijdschrift voor waardenonderzoek, ethische theorie en toegepaste ethiek. Naar aanleiding van zijn overlijden in 2011 werd in Ethiek en Maatschappij (1/2, 2012) een dubbelnummer gewijd aan zijn werk (samengesteld door Gily Coene). De redactie van Tegenspraak publiceerde (Cahier 29) het boek Ontmoetingen met Koen Raes, samengesteld door Willem Debeuckelaere, Serge Gutwirth, Mark Lambrechts, Mieke Santens en Dirk Voorhoof (die Keure, 2012).
  15. Freddy Mortier promoveerde in 1986 op een proefschrift over visies op lichamelijkheid in de 18de eeuw bij Franse pediaters en verloskundigen en is heden hoogleraar en vicerector aan de Gentse Universiteit. Hij richtte mede het Bioethics Institute op aan de UGent en de End of Life Care Research Group (UGent – VUB), waarvan het onderzoek over euthanasie en beslissingen over het levenseinde een belangrijke invloed hadden op de totstandkoming van de progressieve euthanasiewetgeving (2002) in België. Zie de bijdrage over euthanasie in deze gids.
  16. Naar aanleiding van zijn overlijden verschenen interviews met Etienne Vermeersch, Ronald Commers, Ludo Abicht, Rik Pinxten, Freddy Mortier, Koen Raes, Jean Paul Van Bendegem, Hubert Dethier, Johan Braeckman, Tom Claes en Marc Reynebeau in Ethiek en Maatschappij, 12 (2009), 2. In de interviews wordt ook teruggeblikt op de ambities en verwezenlijkingen van het project van de moraalwetenschap, waar we in deze bijdrage nog verder naar verwijzen. In 2012 verscheen nog Jaap Kruithof – Teksten voor de toekomst, samengesteld door Rik Pinxten, Ronald Commers en Luc Desmedt (EPO, 2012).
  17. Meer over Perelman, zie perelman.ulb.be. Via deze site zijn ook zijn archieven raadpleegbaar.
  18. Etienne Vermeersch, Ontmoeting met een mens, in Leo Apostel: tien filosofen getuigen, Antwerpen/Baarn, Hadewijch, 1996, p. 7-15.
  19. Leo Apostel overleed in 1995. In 1986 ontving hij de Ark Prijs voor het Vrije Woord. Een overzicht van zijn werk is raadpleegbaar op logica.ugent.be/leo_apostel/biografie/index.html. Naar aanleiding van zijn overlijden werd Leo Apostel. Tien filosofen getuigen, onder redactie van Dirk Batens (Hadewijch, 1996), gepubliceerd. Naar aanleiding van zijn tiende sterfdag werd een bibliofiele hommage aan Leo Apostel gepubliceerd (in beperkte oplage), met onuitgegeven teksten van Apostel, ingeleid door Jean Paul Van Bendegem (Gent, BlauwDRUK – Jozef Moetwillig, 2005).
  20. www.clps.ugent.be
  21. Lucien De Conink overleed in 1988. Bij Academia Press verscheen een boek over zijn leven en werk: W. Decraemer, A. Coomans & E. Geraert, Life and Work of Prof. dr. Lucien De Coninck. Biologist, humanist and freemason. Tweejaarlijks wordt een Prijs Prof. Lucien De Coninck uitgereikt aan jonge vorsers die hoogstaand onderzoek voeren over een biologisch onderwerp en een vrijzinnig, maatschappelijk engagement vertonen. Zie de website Fonds Lucien De Coninck vzw: fondsluciendeconinck.com. Tijdens de huldiging van Lucien De Coninck op 19 september 2009 te Gent benadrukte prof. em. Jan Buelens in zijn toespraak sterk de bijdrage van Lucien De Coninck in de totstandkoming van de opleiding moraalwetenschap. De lezing staat op de website van evolutietheorie.be (www.evolutietheorie.ugent.be/node/483).
  22. Zowel Jaap Kruithof als Leopold Flam (zie verder) zouden zich distantiëren van het “kleinburgerlijke humanisme” (Kruithof), de “dogmatische vrijzinnigen” (Flam) en het sciëntisme van het Humanistisch Verbond.
    J. Kruithof, Een wereld zonder stuurman. Gesprekken 1962-1995, Amsterdam/Antwerpen, Nijgh & Van Ditmar, p. 65. Oorspronkelijk gepubliceerd als interview van Jacques De Visscher in Streven, juni 1973: “Tenslotte heb ik door de politieke situatie aan de Gentse Universiteit geleerd dat het kleinburgerlijk humanisme, zoals dat in het Humanistisch Verbond terug te vinden is en dat bij de oprichting van de afdeling moraalwetenschap zijn stempel op deze studierichting heeft gedrukt, moet overschreden worden.
    Leopold Flam, Denken en existeren, Amsterdam/Antwerpen, Wereldbibliotheek, 1964, p. 133 (met dank aan Jan Van den Brande): “Heden bestaat er weinig verschil meer tussen vrijdenkers en dogmatici. De zogenaamde vrijzinnigen behoren tot een partij of een vereniging, een soort kerk, die hen leidt, waaraan ze geloven. Zij zullen zo min een zelfstandig denken verdragen als de dogmatici.
  23. Met deze beslissing werd ook een tegenwicht gevormd tegen de plannen van de Katholieke Universiteit om in Vlaanderen afsplitsingen te vormen en in Kortrijk kandidaturen wijsbegeerte in te richten. Zie De Cock, op. cit., p. 194.
  24. Bob Carlier (1931-1990) studeerde eerst Germaanse filologie, was een tijdlang werkzaam als leraar zedenleer, onder meer aan de Rijksnormaalschool in Gent, en startte met de opleiding moraalwetenschap in 1969. Kort daarna werd hij assistent bij Kruithof bij het Seminarie voor Moraalfilosofie en Metafysica, waar hij tot zijn dood in 1990 als werkleider zou verbonden zijn. Carlier was lid van het Humanistisch Verbond en actief in links-socialistische groepen, maar genoot vooral publieke bekendheid omwille van zijn actieve rol in de seksuele bevrijding in Vlaanderen, en in de emancipatiebeweging van homoseksuelen in het bijzonder. In het tijdschrift Mores werd in 1992 een themanummer gewijd aan het werk van Bob Carlier (nov/dec, 1992). Wim De Temmerman bundelde enkele teksten van Bob Carlier in Diep en Duizendvoudig Leven. Over seksualiteit, relaties en ethiek (VUBPress, 1993). De bundel wordt voorafgegaan door een biografische schets en afgesloten met een bibliografie van Bob Carlier.
  25. Rik Pinxten specialiseerde zich in de culturele antropologie en richtte de licenties vergelijkende cultuurwetenschappen op aan de Universiteit Gent. Ondanks het succes van de opleiding werd ze naar aanleiding van de BAMA-hervormingen opgeheven. Binnen de moraalwetenschap doceerde hij vakken als de vergelijkende studie van religies en etnologie. Tussen 2003 en 2010 was hij voorzitter van HVV, de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging. Naar aanleiding van de toekenning van de Leerstoel Willy Calewaert (VUB) publiceerde hij het – binnen vrijzinnige kringen controversiële boek – De strepen van de zebra. Naar een strijdbaar vrijzinnig humanisme (VUB Press, 2007).
  26. Gie van den Berghe promoveerde in de moraalwetenschap met zijn studie over overlevenden van de nazikampen, dat in 1987 later te boek werd gesteld in Met de dood voor ogen. Begrip en onbegrip tussen overlevenden van nazi-kampen en buitenstaanders (Antwerpen, EPO, 1987) en verrichtte baanbrekend wetenschappelijk onderzoek (onder andere aan het SOMA, Studie- en documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij) over de Holocaust. Met De uitbuiting van de Holocaust (1990) waarin hij zowel de ontkenning van de Holocaust als de politieke uitbuiting ervan vanuit Israëlitische hoek hekelt, veroorzaakte hij heel wat ophef. In 2008 publiceerde hij De mens voorbij. Vooruitgang en maakbaarheid. 1650-2050 (Meulenhoff/Manteau) een kritisch boek over de vooruitgangs- en maakbaarheidsideologie van de Verlichting. In 1996 kreeg hij ook de Arkprijs van het Vrije Woord. Overzicht en werken zijn beschikbaar op: www.serendib.be.
  27. Paula Burggraeve (een tijdlang wetenschappelijke medewerker aan de Universiteit Gent en docent aan de VUB) schetste vanuit haar ervaring als student een treffend beeld van de opleiding in de jaren 1960: “Het was de periode van de studentenrevoltes, waarin het bon ton was alle vormen van gezag in vraag te stellen. […] In de moraal werd iedereen onmiddellijk en met aandrang aangezet tot zelfstandig denken en werken. Men moest zijn eigen meningen formuleren, argumenten ontwikkelen en de discussie aangaan. […] In die rumoerige tijd van studentenprotest viel Leo [Apostel] op. Hij onderscheidde zich op één specifiek punt van andere zwaargewichten (Vermeersch, Boehm en Kruithof) uit de sectie. Terwijl de andere proffen participeerden in de discussies en hun eigen standpunt duidelijk en ondubbelzinnig ontwikkelden, bleef Leo een uitdrukkelijke en beschouwende houding aannemen. Welke thema’s, binnen of buiten de colleges, ook aan bod kwamen, ze werden geanalyseerd. Wie nam welk standpunt in? Waarom? Op welke wijze kwamen de opvattingen tot stand? Waar schiet men tekort? Heeft men rekening gehouden met alle relevante aspecten? Vanuit welk waardenkader of vanuit welke wereldbeschouwing ontwikkelde de specifieke opvatting zich?” Paula Burghgraeve, Blijven is nergens, in Dirk Batens (red.), Leo Apostel. Tien filosofen getuigen, Hadewijck, 1996, p. 54-55.
  28. Monica De Coninck studeerde moraalwetenschap in de jaren 1970, gaf jarenlang zedenleer en kwam later terecht in de politiek. Als sp.a-politica werd ze in 2011 minister van Werk in de regering-Di Ripo.
  29. Sonja Eggerickx studeerde moraalwetenschap, was leerkracht niet-confessionele zedenleer en van 1992 tot haar pensioen in 2012 inspecteur niet-confessionele zedenleer. Zij was voorzitter van de Unie Vrijzinnige Verenigingen van 2006 tot 2012 en was van 2006 tot 2015 voorzitter van de International Humanist Ethical Union (IHEU). In 2011 werd ze door toenmalige minister van Gelijke Kansen, Joëlle Milquet, als “uitzonderlijke vrouw” geprezen.
  30. N. De Cock, op. cit., p. 198.
    Rudolph Boehm werd benoemd aan de R.U.G. in 1967 en ging in 1992 op emeritaat. Als fenomenoloog, komende van de Katholieke Universiteit Leuven, nam hij een aparte positie in in de Gentse Wijsbegeerte. In de jaren 1980 richtte hij het ‘Genootschap voor Fenomenologie en Kritiek’ op, dat het tijdschrift Kritiek uitbracht. Ter gelegenheid van zijn emeritaat werd hem de bundel In Verhouding (1992) aangeboden door Willy Coolsaet, Johan Moyaert en Guy Quintelier (red.).
    Zie Jacques De Visscher, Rudolph Boehm op zoek naar concrete betrokkenheid, in Ons Erfdeel, 37 (1994), p. 204-213, www.dbnl.org/tekst/_ons003199401_01/_ons003199401_01_0046.php.
  31. Etienne Vermeersch, op. cit., p. 9.
  32. VUB, Programma der leergangen 1967-1968, p. 192-195.
  33. A. Uyttebrouck & A. Despy-Meyer, Les cent cinquante ans de l’Université libre de Bruxelles (1834-1984), Bruxelles, 1984, p. 162-166.
  34. VUB, Programma der leergangen, 1962-1963, p. 221. In 1965 wordt het Institut d’histoire du Christianisme onder impuls van Ch. Delvoye en J. Préaux opgericht. Onder J. Hadot zal dit zich bezig gaan houden met de studie van het vrije denken. Dit instituut groeit uit tot ‘L’Institut d’étude des religions et de la laïcité’ in 1983/1984 en publiceert de bijdragen van de leden alsook een serie getiteld Problèmes d’histoire du Christianisme (Uyttebrouck/Meyer, p. 165). In de jaren 1960 ontstaan in de vakgroep filosofie drie onderafdelingen met een gemeenschappelijke stam: morale, philosophie des sciences en histoire de la philosophie (Uyttebrouck/Meyer, p. 166).
  35. Leopold Flam (1912-1995), eveneens een leerling van Chaïm Perelman, had een zeer grote uitstraling als filosoof en een belangrijke impact op de opleiding aan de VUB. Zie zijn Liber Amicorum (1973). Hij publiceerde over klassieke wijsgeren (Plato, Descartes, Kant, Nietzsche, Hegel, Marx, Sartre), existentiële vraagstukken en sociopolitieke thema’s. Ann Van Sevenant geeft een overzicht van het leven en werk van Flam in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1998 (Leiden, Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1999, online te raadplegen op www.dbnl.org/tekst/_jaa003199801_01/_jaa003199801_01_0009.php).
    Flam richtte het Centrum voor de Studie van de Verlichting op, dat enkele jaren geleden werd opgeheven. Bij hem promoveerde Else Walraevens, die tot aan haar emeritaat historische wijsbegeerte doceerde aan de VUB en de laatste voorzitster was van het Centrum voor de Studie van de Verlichting. Over Flam verscheen het boek Leopold Flam. Een filosoof van gisteren voor een wereld van morgen, onder redactie van Willem Elias (VUB Press, 2010).
  36. Jacques Ruytinx doceerde onder meer moraalfilosofie en argumentatie. Samen met Mia Gosselin, gepromoveerd onder Leopold Flam en lange tijd docent encyclopedie van de wijsbegeerte aan de VUB, richtte hij in de jaren 1970 het Centrum voor Empirische Epistemologie op. Voor de ethica werd Ruytinx opgevolgd door Johan Stuy, voor de logica en wetenschapsfilosofie door Jean Paul Van Bendegem. Naar aanleiding van het emeritaat van Jacques Ruytinx werd Else Walraevens deeltijds aangesteld. Zij doceerde historische wijsbegeerte en stond tot haar emeritaat aan het hoofd van het Centrum voor de Studie van de Verlichting.
  37. VUB, Programma der leergangen 1962-1963, p. 221-222.
  38. Maurice Weyembergh is bekend als kenner van Arendt, Nietzsche en Camus en doceerde geruime tijd aan de VUB, waar hij onderzoek begeleidde naar conservatieve Duitse denkers. Jef Van Bellingen, Johan Stuy en Marc Van den Bossche, tot op heden verbonden aan de VUB, promoveerden onder zijn supervisie. In 2003 werd bij VUBPress De precisie van het lezen: liber amicorum Maurice Weyembergh uitgeven onder redactie van Johan Stuy, Jef Van Bellingen en Marc Van den Bossche.
  39. P. Delfosse, Université libre de Bruxelles, in Dictionnaire historique de la laïcité en Belgique, Bruxelles, 2005, p. 276.
  40. Constantijn Vermaut, Interview met Hubert Dethier naar aanleiding van het overlijden van Jaap Kruithof, in Ethiek en Maatschappij, 2 (2009), 12, p. 98.
  41. L. Apostel, Pluralistische grondslagen van de moraalwetenschap (oorspr. gepubliceerd onder werken uitgegeven door het rectoraat van de Rijksuniversiteit te Gent, 1963), herdrukt in: 40 jaar moraalwetenschappen aan de Gentse Universiteit, in Ethiek en Maatschappij, 3 & 4 (2003), p. 98-99.
  42. Ibidem, p. 107.
  43. J. Van Landschoot & K. Raes (red.), Afbraak en Opbouw. Dialogen met Leo Apostel, Brussel, VUBPress, 1986, p. 205. In dit boek wordt ook uitvoerig ingegaan op de wijsgerige vraagstukken, de wetenschappelijke funderingen en de maatschappelijke problemen in verband met moraalwetenschap en moraalpedagogiek.
  44. Voor elk van deze functies zag Kruithof voor de moraalwetenschap een bijzondere taak weggelegd:
    1. Het moraalwetenschappelijk onderzoek impliceert zowel het empirische of beschrijvende, systematische, verklarende als evaluatieve onderzoek van de morele werkelijkheid.
    2. De beleidsfunctie is zowel informatief (informeren over de actualiteit), kritisch (het toetsen van de werkelijke toestand aan een geheel van verantwoorde morele normen), adviserend (het aanduiden van verantwoorde oplossingen voor concrete problemen) als planifiërend (het ontwerpen van actieprogramma’s die een geheel van morele problemen betreffen).
    3. Haar pedagogische functie betreft het vormen van leerkrachten moraal die in staat zijn om leerlingen kennis bij te brengen over de morele werkelijkheid, maar een leerkracht moet ook moreel inzicht verschaffen door oplossingen aan te brengen, normen voor te stellen en waarden aan te brengen. Vervolgens moet een leerkracht moraal ook in staat zijn de leerlingen op het particuliere plan van hun persoonlijke moeilijkheden te helpen.
    4. Op ideologisch vlak zou de opleiding tegemoet moeten treden aan de ideologische tegenstellingen en de verzuiling.

    Jaap Kruithof, De plaats van de moraalwetenschap in de universiteit van morgen (oorspr. Werken uitgegeven door het rectoraat van de Rijksuniversiteit te Gent, 13, 1965), herdrukt in: 40 jaar moraalwetenschappen aan de Gentse Universiteit, in Ethiek en Maatschappij, 3 & 4 (2003), p. 145-188.

  45. Ibidem, p. 171.
  46. Thema’s van onderzoek in de Moraalwetenschap, Gent, Rijksuniversiteit Gent, Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, 1964, 36 p. (persoonlijk archief)
  47. J. De Visscher, Filosofie in Vlaanderen, in Ons Erfdeel, 27 (1984), p. 517-527, online geraadpleegd op de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL), beschikbaar op www.dbnl.org/tekst/_ons003198401_01/_ons003198401_01_0140.php.
  48. Interview met prof. Johan Braeckman n.a.v. het overlijden van em. prof. Jaap Kruithof, door Stijn Cooman, in Ethiek en Maatschappij, 2 (2009), 12.
  49. E. Morre, Interview met Koen Raes n.a.v. het overlijden van em. prof. Jaap Kruithof, in Ethiek en Maatschappij, 2 (2009), 12, p. 80-88.
  50. Ibidem, p. 85.
  51. C. Vermaut, De relevantie van Jaap Kruithof voor de student van de 21ste eeuw, in Ethiek en Maatschappij, 2 (2009), 12, p. 6.
  52. Dirk Batens, Een ontroerend intens streven naar kennis, naar beleving en naar de eenheid van beide, in Dirk Batens (red.), Leo Apostel. Tien filosofen getuigen, Hadewijck, 1996, p. 143.
  53. C. Vermaut, Interview met Freddy Mortier n.a.v. het overlijden van Jaap Kruithof, in Ethiek en Maatschappij, 2 (2009), 12, p. 68-79.
  54. S. Cooman, Interview met Jean Paul Van Bendegem n.a.v. het overlijden van Jaap Kruithof, in Ethiek en Maatschappij, 2 (2009), 12, p. 89.
  55. Apostel, op. cit., p. 122.
  56. Ibidem, p. 141.
  57. Ibidem, p. 140-141.
  58. R. Commers, Motie namens het bestuur OWMG, 30 oktober 1985. Door het OWMG werd ook een voorbereidend dossier ‘niet confessionele zedenleer’ samengesteld. (persoonlijk archief auteur)
  59. Hugo Van den Enden, Hoe “levensbeschouwelijk” is het moraalonderricht in het gemeenschapsonderwijs? De ambitie van de unie van vrijzinnige verenigingen om inrichtende macht voor de cursus niet-confessionele zedenleer te worden, 8 p. (persoonlijk archief auteur)
  60. Ons standpunt dienaangaande is het volgende. Het is duidelijk dat van leerkrachten zedenleer mag en moet verwacht worden dat zij als mens een niet-confessionele levensbeschouwing hebben; dat zij dus in die negatief limiterende betekenis van het woord ‘vrijzinnig’ zijn. Het is verder zo dat zij in hun lessen het recht hebben om op een behoedzame en niet-directieve wijze persoonlijke standpunten en visies te formuleren, op voorwaarde dat zij zich pluralistisch en verdraagzaam opstellen en dus niet pogen om één levensbeschouwing dogmatisch, autoritair of manipulatief op te dringen. Het komt er dus niet centraal op aan dat zij in één of andere concrete levensbeschouwing zouden opgeleid zijn. En zeker is dat de kwaliteit en het niveau van hun moraalonderricht niet afhankelijk kan zijn van een eventuele vorming in één levensbeschouwing (overigens nogmaals: welke dan wel?). Die kwaliteit en dat niveau zullen daarentegen wel in hoge mate afhankelijk zijn van de wetenschappelijke en pedagogische-didactische vorming die zij genoten hebben. En wat die wetenschappelijke vorming aangaat, kan dat enkel een doorgedreven opleiding zijn in het vrije, onvooringenomen, kritische, open denken op wijsgerig en wetenschappelijk gebied, wars van dogmatiek, wars van autoriteitsgeloof, wars van taboes, wars van niet in vraag gestelde zekerheden, met persoonlijke verwerking van wetenschappelijke en wijsgerige informatie betreffende de lesinhouden. En dat is precies datgene waar de Gentse licentie-opleiding moraalwetenschap al 30 jaar voor staat. En het is ook de enige consensuele basisbetekenis van vrijzinnigheid, de enige waarover zich vrij-zinnig noemende mensen het in essentie eens kunnen zijn.” Hugo Van den Enden, op. cit., p. 8.
    De auteur reageert hier op een voorbereidend document van een werkgroep die werd samengesteld door telkens twee leden van het Humanistisch Verbond, de Oudervereniging voor de Moraal, de inspecties Zedenleer, de Werkgemeenschap Leraars Ethiek, het Vermeylenfonds en het Willemsfonds.
  61. Onderwijsvisitatie Humanistiek/Moraalwetenschappen, oktober 2002, Vereniging van Universiteiten (VSNU), 16, online beschikbaar op www.vlir.be/media/docs/Visitatierapporten/ronde1/moraalwetenschappen.
    pdf (geraadpleegd op 9 januari 2016).
  62. Zie hiervoor de programmabrochures van beide instellingen. Voor de toelichting bij bepaalde hervormingen kunnen vakgroep- en facultaire verslagen worden geraadpleegd.
  63. T. Van Loon, Morele Dienstverlening – de Opleiding, in Antenne, 1 (1983), 1, p. 4-6.
  64. Aan de ULB werd in 1979 een interfacultair georganiseerde licentie ‘Assistance morale laïque’ ingericht. Vandaag biedt de ULB een tweejarige Master en Science de Religions et de la Laïcité aan, met daarin een interfacultaire afstudeerrichting ‘assistance morale laïque’.
  65. Goedkeuring aan het programma-ontwerp voor een nieuw op te richten licentie Morele Begeleiding, Onderwijscommissie Wijsbegeerte en Moraalwetenschap, 12 februari 1982 (Universiteitsarchief UGent).
  66. E. Vermeersch, Verslag van de vergadering van de interfacultaire commissie belast met de bijwerking (inzake toelatingsvoorwaarden en leerplan) van het voorstel tot oprichting van een licentie in de morele begeleiding, 13/10/1982 (Universiteitsarchief UGent).
  67. G. Coene, De ‘morele begeleiding’ aan de Gentse Universiteit, UVV-infodossier levensbeschouwing en onderwijs, mei-juni (2000), p. 32-34.
  68. Het programma zoals ik het hier beschrijf, wordt het eerst ingericht in academiejaar 2005/2006. De studiegids vermeldt gewoon de benaming Wijsbegeerte, maar vanaf het jaar daarop wordt de opleiding systematisch Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen genoemd.
  69. H. Kunneman, Humanistiek, geestelijk werk en individuering, in T. Jorna (red.), Door eenvoud verbonden. Over de theorie en praktijk van het humanistisch geestelijk raadswerk, Utrecht, Kwadraat, 2001, p. 279.


Verwijzen naar dit artikel kan als volgt: Coene Gily, De opleiding moraalwetenschap(pen): ontstaan en evoluties, in Op zoek… De evolutie van het vrijzinnig humanisme in Vlaanderen sinds de Tweede Wereldoorlog, Brussel, Centrum voor Academische en Vrijzinnige Archieven, 2018, pp. 141-163.

Deze pagina werd voor het laatst geüpdatet op 11 april 2018.

Reacties gesloten