Freddy Boeykens — Morele dienstverlening

1. Enkele begrippen

De in morele dienstverlening geïnteresseerde lezer komt na lectuur van deze bijdrage misschien voor een verrassing te staan. Wat wellicht een eenvoudig gegeven leek, blijkt in realiteit een meerkoppig monster te zijn. Er is het onderscheid tussen de algemene morele dienstverlening (gericht op de bevolking in het algemeen) en de categoriale dienstverlening als daar zijn: de zorgsector met zijn ziekenhuizen en woonzorgcentra, het gevangeniswezen, de nationale luchthaven, defensie en tot voor kort de zeevisserij. In al deze werkterreinen zijn moreel consulenten actief. Bij deze moreel consulenten dient men een onderscheid te maken tussen de vrijwilligers (de pioniers) en de beroepskrachten, en dit binnen diverse werkvelden. De betekenis van het begrip morele dienstverlening zelf kende een grote evolutie doorheen de tijd; dit onder meer door de toenemende werkervaring van de consulenten in het veld, de verwachtingen en eisen van de vrijzinnige gemeenschap(pen) en het wijzigende wetgevende kader. Vooraleer het begrip morele dienstverlening ingang vond, was er sprake van ‘lekenbijstand’, ‘lekenbegeleiding’ en ‘lekenraadgevers’, een terminologie die terugging op de werking in de gevangenissen en de zorgsector en later verder evolueerde naar de termen morele bijstand en moreel consulent.

Aangezien het onderwerp van deze bijdrage ‘morele dienstverlening’ is, zullen we de klemtoon leggen op dit begrip en voornamelijk focussen op de totstandkoming en de verwezenlijkingen ervan zoals deze gradueel gerealiseerd werden door de Centra voor Morele Dienstverlening en de daarin werkzame moreel consulenten van de Unie Vrijzinnige Verenigingen (huidige roepnaam: deMens.nu). Voor een beter begrip van de ontstaanscontext proberen we op beknopte wijze ook de ontwikkeling van de categoriale morele bijstand aan bod te laten komen.

De oorsprong van de morele dienstverlening vinden we eigenlijk in Nederland bij het aldaar gevestigde Humanistisch Verbond. Het was de Nederlandse humanist Jaap van Praag die de grondslagen ervoor legde.1 In Nederland gebruikt men de term ‘Geestelijke Zorg’, verstrekt door een geestelijk raadsman of -vrouw. Hij omschrijft het begrip als volgt: “Geestelijke verzorging is de systematische ambtshalve bemoeienis met de mens in zijn geestelijke moeilijkheden, teneinde de krachten te activeren die hem in staat stellen zelfstandig een levensvisie te hanteren, waardoor hij met zijn totale zijn betrokken is op het totaal van zijn bestaansverhoudingen.2 Geestelijke verzorging is voornamelijk van individuele aard, maar groepswerk behoort eveneens tot de mogelijkheden.3 De systematische keuze en inzet van het Humanistisch Verbond Nederland voor een praktisch humanisme leidden tot grote successen op het terrein: humanistische raadslieden werden actief op het terrein van Justitie, Intramurale Zorg en Defensie, telkens met degelijke juridische statuten en remuneratie door de respectievelijke overheden. Ook kenden zij het fenomeen van de zogenaamde ‘vrij gevestigden’, humanistische raadslieden die er een praktijk als zelfstandige op na houden. Dit soort van praktisch humanisme, met een concrete dienst- en hulpverlening (Humanitas in Nederland is een ander voorbeeld) naar de bevolking toe vond al snel opvolging in andere landen met een Germaanse achtergrond, zoals Engeland en Schotland, Noorwegen, delen van Duitsland…4 Vooral op het vlak van het verzorgen van humanistische overgangsmomenten in het leven (geboorte, relatievieringen, coming of age-ceremonies en kwantitatief vooral uitvaarten). Deze praktijk staat in schril contrast met de Latijnse traditie, alwaar ‘la Laïcité’ vooral staat voor het ijveren voor een doorgedreven scheiding van kerk en staat en de verdediging van de (democratische) rechtsstaat.

Jaap van Praag was ook de bezieler van het Humanistisch Opleidingsinstituut te Utrecht (HOI), een hogere beroepsopleiding voor humanistische raadslieden, leerkrachten en beleidsmensen die werd opgericht in 1962. Later werd het HOI een heuse (mini)universiteit: de Universiteit voor Humanistiek.5

2. Geschiedenis van de morele dienstverlening in Vlaanderen

In Vlaanderen liet het Humanistisch Verbond (afgekort HV, momenteel HVV, Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging) zich inspireren door haar Nederlandse neef. In de jaren 1950 poogde het reeds om naast de diverse confessionele aalmoezeniersdiensten actief bij Defensie ook vrijzinnige moreel consulenten aangesteld te krijgen.6 Het zou nog tot 18 februari 1998 duren vooraleer moreel consulenten aan de krijgsmacht konden toegevoegd worden. De moreel consulenten bij Defensie zijn, hoewel zij een uniform dragen, geen militairen of ambtenaren. Hun statuut is geregeld bij KB van 31 mei 2001.7 Zij zijn de vertegenwoordigers van de niet-confessionele gemeenschap in België en worden voorgedragen door het bevoegde representatieve orgaan (de Centraal Vrijzinnige Raad). Op voorstel van de minister van Landsverdediging worden zij benoemd door de Koning. De morele dienstverlening van de consulenten beperkt zich niet tot de militairen die in België gelegerd zijn. In een beurtrol met de vertegenwoordigers van andere levensbeschouwingen gaan zij mee op buitenlandse missie met de militairen in landen zoals Libanon en Afghanistan. Meer informatie hierover kan de lezer vinden bij het hoofd van deze dienst.8

Begin jaren 1960 waren er ook pogingen om lekenconsulenten aan de slag te krijgen in het gevangeniswezen. Een nationale Commissie voor bijstand aan Gevangenen startte in 1962 – met instemming van het ministerie van Justitie – met een experiment in de gevangenissen van Nijvel en Mechelen. Deze ervaring werd succesvol geacht en werd de aanleiding om de Stichting voor Morele Bijstand aan Gevangenen op te richten in 1964. Door het KB van 21 mei 1965 werd deze Stichting erkend en kreeg ze de toestemming om lekenconsulenten aan te stellen in gevangenissen. Sindsdien konden seculiere gedetineerden via een aanvraagformulier beroep doen op consulenten. Aanvankelijk ging een contingent van tien vrijwilligers aan de slag. In 1990 waren er 63 vrijwilligers actief. De overheid betoelaagde één maatschappelijk werker die deze vrijwillige consulenten poogde te ondersteunen. Later met subsidies uit andere bronnen werden in totaal tweeënhalf medewerkers tewerk gesteld. Een bescheiden tijdschrift, Stigma, werd uitgegeven. De titel verwijst naar het aanbrengen van een onuitwisbaar teken op het lichaam. Een kroongetuige van het eerste uur is Roland Cools, die zijn indrukken vastlegde in een bijdrage in de eerste lezingencyclus die de VUB organiseerde over het verschijnsel lekenconsulenten.9 Een goed overzicht van de achtergrond en de evolutie van dit werkterrein tot 1998 kan men vinden bij Tony Van Loon.10 Heden wordt de morele bijstand (en uiteraard ook de godsdienstige) geregeld in de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden. Met het KB van 25 oktober 2005 werden het kader en de weddeschalen van de aalmoezeniers en de islam-consulenten van de erkende erediensten en van de moreel consulenten van de Centraal Vrijzinnige Raad der niet-confessionele levensbeschouwing bij de Strafinrichtingen, vastgelegd.11 Het korps van moreel consulenten die beroepsmatig de gedetineerden bijstaan, bestaat uit negen voltijdse equivalenten. Om praktische redenen, zoals de psychische werkdruk en het grote aantal instellingen, werd evenwel gekozen voor deeltijdse opdrachten. Voor vragen en documentatie kan de lezer terecht op de hoofdzetel van de SMBG.12

Een ander terrein van de categoriale morele dienstverlening is de zorgsector. Het Humanistisch Verbond nam de bekommernis ervoor reeds op in haar identiteitsverklaring van 1951. In 1957-1958 organiseerde het HV cursussen voor raadslieden. Initiatieven op basis van vrijwillige inzet van mensen om morele en andere noden van medemensen op te vangen zagen het daglicht, bv. de werkgroep Praktisch Humanisme te Antwerpen en Humanitas te Brussel. De vooropgestelde doelstelling om bv. ook materiële hulp te bieden bleek te hoog gegrepen en was niet haalbaar voor een vrijwilligerswerking. Toch daagde er een beetje licht op toen op 23 oktober 1964 in het Belgische Staatsblad het Koninklijk Besluit verscheen tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd, en meer bepaald in de bijlage bij dit KB onder de rubriek “organisatorische normen“, die op al de inrichtingen toepasselijk zijn. Dit KB werd gewijzigd door het KB van 12 januari 1970, waarbij de verplichting van de ziekenhuizen om toegang te verlenen tot de bedienaren van de eredienst op verzoek van de patiënt werd uitgebreid tot lekenraadgevers. Het KB van 1964 sprak immers alleen van bedienaars van een eredienst. In 1970 luidde de tekst: “Aan de bedienaren van de eredienst en de lekenraadgevers, die door de patiënten gevraagd worden, zal ongehinderd toegang worden verleend tot de inrichting: ze moeten er voor de uitoefening van hun opdracht de geschikte sfeer en faciliteiten vinden. Volledige vrijheid en levensbeschouwing, godsdienst en politieke overtuiging dient aan iedereen gewaarborgd.” Het is in deze optiek dat de Stichting voor Morele Bijstand werd opgericht op 12 maart 1970 (Statuten in Belgisch Staatsblad van 23 december 1971) door een vijftiental vrijzinnige verenigingen. Haar werking zou zich toespitsen op bejaarden, kinderen in tehuizen, ziekenhuispatiënten, migranten. De Stichting stelde zich tot doel morele bijstand, zonder een dogmatisch noch godsdienstig karakter, buiten alle politieke beslommeringen, en in een geest van algehele verdraagzaamheid ten opzichte van andersdenkenden, te verlenen aan personen welke zij meende te moeten helpen.

De uitvoering van deze bepaling liep niet vlot door de tegenkanting van de katholieke ziekenhuizen. Een ministeriële omzendbrief van 3 november 1971, waarin de praktische uitvoeringsmodaliteiten werden geregeld, werd in maart 1972 al ingetrokken wegens protest van de Caritas Catholica-ziekenhuizen.13 Het bleef dus wachten tot 5 april 1973, toen minister van Volksgezondheid en Leefmilieu, J. De Saeger, bij Ministeriële Omzendbrief nieuwe richtlijnen uitwerkte. Zijn richtlijnen beklemtoonden de noodzaak om patiënten bij opname in een ziekenhuis in te lichten over hun recht op morele, godsdienstige of filosofische begeleiding. Dit diende te gebeuren via een informatienota en een bijhorend keuzeformulier. Nadruk werd ook gelegd op discretie. Deze omzendbrief regelde de erkenning van de SMB en de prestatievergoeding, die verrekend werd in de ligdagprijs. Op 5 september 1974 werden de ziekenhuisdirecties nogmaals herinnerd aan hun verplichtingen. Het is binnen dat kader dat de Stichting voor Morele Lekebijstand (de oude, oorspronkelijke benaming) haar vrijwilligerswerking opstartte.

Al heel vlug bleek dat een op nationale leest geschoeide ‘Stichting van Openbaar Nut’ een vrij log instrument was om mee te werken. In de loop van 1976 werd de beslissing genomen in de Raad van Beheer van de SMB om de werking op te splitsen in een Franstalige en een Nederlandstalige sectie. Later werd eveneens de beslissing genomen de beide secties om te vormen tot vzw’s. Voor Vlaanderen en het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad betreft dit de Stuurgroep voor Morele Bijstand of SMB. Deze vzw ontleende eerst haar legitimiteit aan de tweetalige Stichting, later na ontbinding van deze laatste, bij protocol van 12 december 2007, aan de Centraal Vrijzinnige Raad. Een overzicht van deze problematiek tot 1998 vindt men ook terug in de reeds hoger vermelde bijdrage van Tony van Loon.14 De omzendbrief van minister Busquin (19/12/1990) maakte de geestelijke bijstand onder identieke omstandigheden ook mogelijk in rusten verzorgingstehuizen, evenwel zonder prestatievergoeding. Ook in de ziekenhuizen bleef de regeling tot uitbetaling van een prestatievergoeding vaak dode letter. In de praktijk betekende dit dat de SMB met vrijwilligers diende te werken. Door een nauwe samenwerking met de Centra voor Morele Dienstverlening (zie verder) slaagde men er toch in om de rekrutering, de selectie, de opleiding en de begeleiding van de SMB–consulenten op een degelijk niveau te tillen. Zo werd door de Centra een jaarlijkse vierdaagse basisopleiding georganiseerd15 en participeerden beroepskrachten van de Unie Vrijzinnige Verenigingen gradueel meer en meer in de Raad van Bestuur van de SMB.16 Simultaan werd door constructieve contacten met lokale OCMW’s over heel Vlaanderen een korps uitgebouwd van een twintigtal professionele moreel consulenten. Deze zijn dus meestal werkzaam in publieke of verzelfstandigde ziekenhuizen, maar ook in een aantal publieke woonzorgcentra. In haar prille jaren gaf de SMB een bescheiden gestencild contactblad uit voor haar consulenten, genaamd Antenne. In de jaren 1980 werd dit blad overgenomen door de Unie Vrijzinnige Verenigingen, die er gaandeweg een vaktijdschrift van maakte voor de gehele sector van de morele dienstverlening. Vanaf een gegeven moment in de tijd werd er nog uitsluitend gewerkt met themanummers (vier per jaar). Het tijdschrift is een onschatbare bron aan informatie over morele dienstverlening doorheen de jaren.17

Naast deze drie grote werkvelden van de categoriale morele dienstverlening zijn (waren) er ook nog drie kleinere, telkens het werkterrein van één moreel consulent. Zo bepaalde het KB van 28 november 2002 tot vaststelling van het statuut en de bezoldigingsregeling van de aalmoezenier en de morele consulent bij de dienst zeevisserij van het Ministerie van Middenstand en Landbouw de tewerkstelling van de aalmoezenier en de moreel consulent in de zeevisserij. Aan deze activiteiten kwam ten gevolge van een politieke beslissing een einde in de loop van 2014. Doorheen de jaren werd o.a. jaarlijks een herdenkingsplechtigheid georganiseerd in het Vrijzinnig Ontmoetingscentrum te Oostende voor de overleden vissers.18 Ook op de nationale luchthaven te Zaventem is een moreel consulent actief, naast enkele vertegenwoordigers van diverse gezindheden. De personeelsformatie wordt bepaald bij KB van 17 juni houdende vaststelling van de personeelsformatie van de Regie der Luchtwegen en werd aangepast bij KB van 26 mei 1998. De moreel consulent Karl Laurent bedient ook het gesloten asielcentrum te Steenokkerzeel.19 Ook aan de Universiteit Antwerpen is een moreel consulent aan het werk, als resultaat van de wafelijzerpolitiek bij de eenmaking van de drie universitaire instellingen. De Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius wou haar aalmoezeniersdienst niet opheffen en tijdens de onderhandelingen werd overeengekomen tevens een Vrijzinnige Dienst aan de eengemaakte universiteit op te richten.20

Zo zijn we eindelijk aangekomen bij de morele dienstverlening georganiseerd door de Unie Vrijzinnige Verenigingen, roepnaam deMens.nu. Einde 1982, begin 1983 werden in alle provinciehoofdplaatsen Centra voor Morele Dienstverlening opgericht.21 De bedoeling was om morele dienstverlening aan te bieden aan de bevolking in het algemeen, dus niet aan specifieke categorieën zoals bv. militairen, gedetineerden, gehospitaliseerden, enz. De Centra gingen met een zeer beperkte personeelsbezetting aan de slag,22 maar deze steeg van 13 voltijdse equivalenten in 1983 ondertussen tot meer dan 160 in Vlaanderen, het personeelsbestand van het Federale Secretariaat te Brussel inbegrepen. Alhoewel een deel van het archiefmateriaal uit deze provinciale Centra overhandigd werd aan CAVA, is nog heel wat materiaal bewaard gebleven in de actuele huizenvandeMens. Alvorens het meest courante bronnenmateriaal te overlopen, gaan we in vogelvlucht even doorheen de geschiedenis van deze dienstverlening; uniek in de wereld! De aanvankelijke opdracht voor de eerste consulenten, afkomstig uit de meest verscheidene werkvelden, was uiterst summier, om niet te zeggen laconiek.23

De geschiedenis van de Unie Vrijzinnige Verenigingen is niet het onderwerp van deze bijdrage, maar vormt uiteraard wel de achtergrond waartegen de ontwikkeling van de morele dienstverlening plaatsvond.24 Bondig samengevat kan men stellen dat de Unie een reactie was op het feit dat het toenmalige Humanistisch Verbond door sommige vrijzinnigen niet meer voldoende representatief werd geacht om de vrijzinnige gemeenschap te vertegenwoordigen. Als koepelorganisatie was zij weliswaar de gesprekspartner in de onderhandelingen met de overheid betreffende de (grond)wettelijke erkenning van de niet-confessionele levensbeschouwing, maar behalve dat kon zij niet veel meer dan haar lidorganisaties ondersteunen bij de realisatie van hun doelstellingen. De uitbouw van de morele dienstverlening werd een argument in de strijd om wettelijke erkenning, later in de jaren 1980 werd dit het eigen specifieke product van de Unie. Een product waarmee zij probeerde uit te stijgen boven de talrijke meningsverschillen en disputen die het rijke landschap van de (georganiseerde) vrijzinnigheid kenmerken en dat toeliet het grootste deel van de steeds maar groeiende overheidssteun op constructieve wijze aan te wenden.

Tijdens de eerste jaren werd de morele bijstand ontegensprekelijk gezien als de kerntaak van de consulenten. Vanuit de eigen vrijzinnig humanistische ingesteldheid van de consulent stond de counseling in principe open voor de ganse bevolking. Op sommige plaatsen, zoals te Antwerpen, waar in 1983 het eerste moderne crematorium van Vlaanderen opende, was er ook snel een grote vraag naar vrijzinnige afscheidsplechtigheden, later gevolgd door andere urbane gebieden als Gent, Brugge en Hasselt. Morele dienstverlening werd dan pragmatisch bekeken als het verlenen van morele bijstand en alles wat daar van werd afgeleid, zoals het kenbaar maken van de dienstverlening, het leggen van contacten en het zoeken naar samenwerkingsverbanden, voordrachten, bijscholingen, het ontwerpen van een vakspecifieke deontologie en zeker ook het nadenken ‘over’, want het werkterrein was in zijn algemeenheid nog totaal onontgonnen terrein. Enkele jaren later vinden we bij Roland Cools, beheerder en één van de pioniers van de morele bijstand in de gevangenis, een werkdocument geschreven in zijn hoedanigheid als begeleider van de Centra, dat de morele dienstverlening reeds opdeelt in enerzijds dienstverlening aan individuele personen en anderzijds aan vrijzinnige instellingen.25 Enkele jaren later schreef de toenmalige voorzitter Leo Ponteur een synthese nota over de werking van de Centra getiteld Het klavertje vier. De nota vatte de toenmalige praktijk samen in een viertal werkvelden: onthaal en informatie(verstrekking), morele bijstand en morele dienstverlening, vrijzinnige dienstverlening en bijscholing en vorming geven. Onder druk van een deel van de vrijzinnige gemeenschap evolueerde de dienstverlening meer richting ondersteuning en uitbouw van deze gemeenschap. Tijdens een Staten-Generaal werd beslist om (de uitbouwfase was in volle gang) ook morele consulenten type II aan te werven, d.w.z. consulenten die geen morele bijstand mochten verlenen, maar al hun energie en tijd konden besteden aan de uitbouw van de vrijzinnige gemeenschap. Naarmate het personeelskader groeide werden ook een aantal consulenten type II tewerkgesteld in Vrijzinnige Ontmoetingscentra en bij een aantal lidorganisaties. Via de jaarverslagen die deze consulenten maken voor deMens.nu kan de geïnteresseerde onderzoeker inzicht krijgen in deze specifieke werkvelden.26

Vooral vanaf 2004 kwam de uitbouw van de morele dienstverlening in een stroomversnelling, dankzij het effectief in werking treden van de wet van 21 juni 2002. Van de geplande 28 Centra zijn er anno 2015 al 27 actief. Het is nog steeds wachten op het KB dat de oprichting van de 28ste en (voorlopig?) laatste vestiging moet mogelijk maken: Diest. In de provincies Limburg en Antwerpen zijn ook telkens twee vooruitgeschoven Antennes actief, evenwel zonder bijhorend personeelskader. Vanaf 2011 onderging de morele dienstverlening van de Unie een grondige ‘facelift’, een verjongingskuur die een betere en beter aan de tijd aangepaste communicatie met de buitenwereld moest mogelijk maken. De roepnaam van de Unie Vrijzinnige Verenigingen werd deMens.nu, de Centra voor Morele Dienstverlening werden huizenvandeMens, morele dienstverlening werd vrijzinnig-humanistische dienstverlening, moreel consulenten werden vrijzinnig-humanistische consulenten. Dit was een uitvloeisel van de Staten-Generaal die op 26 september 2009 werd gehouden te Gent. In opvolging ervan werd een Strategisch Plan opgesteld dat uiteindelijk leidde tot een beleidsplan en provinciale vijfjarige actieplannen. De bedoeling is te evolueren tot een open netwerkorganisatie.

Laten we, alvorens de belangrijkste bronnen voor de morele dienstverlening te overlopen, nog even de meest recente officiële definitie ervan bekijken:

UVV/deMens.nu heeft onder meer tot doel de vrijzinnig humanistische dienstverlening verder uit te bouwen in Vlaanderen en Brussel ten behoeve van de bevolking, als een gemeenschappelijk project waaraan alle lidverenigingen door hun werking en ondersteuning deelnemen.
De vrijzinnig humanistische dienstverlening slaat op de volwaardig persoonlijke en inlevende professionele hulp in al zijn aspecten die zich richt tot de bevolking zonder discriminatie en die gegeven wordt vanuit een vrijzinnig humanistische instelling en verleend door een afgevaardigde van UVV/deMens.nu of door een erkend vrijwilliger van een lidvereniging. De vrijzinnig humanistische dienstverlening gebeurt autonoom op basis van de deontologische code en praktijk-richtlijnen van UVV/deMens.nu in vol respect voor ieders keuzevrijheid en waardepatroon. De vrijzinnig humanistische dienstverlening wordt aangeboden of georganiseerd vanuit daartoe door de Centrale Vrijzinnige Raad erkende huizenvandeMens. Deze fungeren als laagdrempelige ontmoetingsplaats en gespreksruimte.
De vrijzinnig humanistische dienstverlening kan algemeen zijn of categoriaal. Zij richt zich zowel tot individuen als tot groepen zonder onderscheid van leeftijd. Ze wordt rechtstreeks georganiseerd door de UVV/deMens.nu of met haar steun verstrekt door een lidvereniging zonder de autonomie ervan aan te tasten.
De werking van de vrijzinnig humanistische dienstverlening slaat op de volgende terreinen:

  • – het verspreiden van het vrijzinnig humanistische gedachtegoed en dito levensbeschouwing;
  • – het versterken van de vrijzinnige humanistische verenigingen;
  • – het opbouwen en ondersteunen van de lokale niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen;
  • – het verlenen van morele bijstand;
  • – het vorm geven aan en organiseren van vrijzinnig humanistische plechtigheden.27

3. Bronnen

Verschillende soorten bronnen wijzen de weg in de geschiedenis van de morele dienstverlening. Ten eerste is er de oral history. Belangrijk om weten is dat nog heel wat protagonisten van de pioniersjaren in leven zijn en dus kunnen bevraagd en geïnterviewd worden. Zo onder meer in chronologische volgorde heel wat voorzitters van de Unie: Leo Ponteur, Luc Devuyst, Michel Magits, Sonja Eggerickx en Sylvain Peeters. Ook een aantal personeelsleden waren bevoorrechte getuigen: Marina Van Haeren, de algemene directeur (de eerste werknemer van de Unie, die einde mei 2016 op rust ging), en tevens een aantal moreel consulenten die vanaf de opstartfase betrokken waren bij de morele dienstverlening: Franky Bussche (huidige directeur Studie en Onderzoek), Hilde De Paepe en Chris Van Maele (beiden op rust) en Freddy Boeykens (huidige directeur provincie Antwerpen).

Ten tweede is er het (vak)tijdschrift Antenne, dat begon als contactblad voor de consulenten van de Stichting Morele Bijstand, maar reeds snel bij de oprichting van de Centra in de jaren 1980 werd overgenomen door de Unie. Het is een belangrijke bron van informatie. Alhoewel het tijdschrift jarenlang thematisch ethische maatschappelijke onderwerpen belichtte, kwam haast in elk nummer ook een insteek via morele dienstverlening aan bod.

Ten derde zijn er de jaarverslagen van de Centra voor Morele Dienstverlening. Het eerste dateert van mei 1986 en is eigenlijk een evaluatie van de eerste drie jaar werking van de Centra.28 Het is een rapportering per provincie met veel relevante informatie over de pioniersjaren. Later, in de jaren 1990, werd systematisch, met het oog op het informeren van de leden van de Algemene Vergadering, door de verschillende provincies en voor Brussel Hoofdstedelijk Gewest, een jaarverslag gemaakt (zie voetnoot 26).

Ten slotte zijn er nog veel verspreide bronnen. Reeds vanaf de tweede helft van de jaren 1980 werd door de Centra een registratie bijgehouden van bv. het aantal consultaties, de aard van de problematieken, de wijze waarop de consultaties werden verricht, het aantal en de soorten uitgevoerde vrijzinnige plechtigheden, enz. Dit vormt een belangrijke bron voor wie op zoek is naar kwantitatief materiaal in verband met de dienstverlening.29 Sinds een aantal jaren worden er tevens door deMens.nu rijkelijk geïllustreerde Jaarboeken uitgegeven die niet alleen een anekdotische inkijk bieden op de eigen dienstverlening, maar tevens op deze van aanverwante lidorganisaties en de categoriale morele bijstand in het bijzonder.

Op vlak van methodologie was de uitgave van Ik ben naar Marrakech geweest een mijlpaal.30 In het boek pogen een aantal Vlaamse consulenten uit diverse werkvelden een methodologie van de morele dienstverlening uit te werken aan de hand van een aantal concrete casussen. Ook de jaarlijks terugkerende ‘Basisopleiding voor vrijwillige consulenten’ van de SMB ressorteerde telkenmale in nog steeds raadpleegbare werkmappen die een interessante inkijk bieden op de evolutie van de methodologie.

In de meeste huizenvandeMens, maar vooral in deze gevestigd in de provinciehoofdplaatsen, is doorheen de jaren een enorme hoeveelheid werkmateriaal geproduceerd. Het betreft voordrachten, gegeven vormingen, teksten van allerhande vrijzinnige plechtigheden, draaiboeken, folders, affiches, posters, deontologische codes, verslagen van vergaderingen van allerlei aard, enz. Ook beknopte cliëntendossiers uiteraard, maar deze kunnen helaas wegens beroepsgeheim niet geraadpleegd worden.

Voor de meer algemene beleidsachtergrond van de morele dienstverlening zijn er in de eerste plaats de verslagen van het Dagelijks Bestuur, de Raad van Bestuur en de Algemene Vergadering van de Unie. Ook deze van de beide Stichtingen bieden een schat aan informatie aan diegenen die geïnteresseerd zijn in de categoriale morele dienstverlening.

Voetnoten

  1. Jaap van Praag, Geestelijke verzorging op humanistische grondslag, Utrecht, Humanistisch Verbond, 1953.
  2. Jaap van Praag, Geestelijke verzorging, p. 7.
  3. Vooral de geestelijk raadslieden werkzaam bij Defensie maken gebruik van groepsgesprekken.
  4. Een schat aan informatie, inclusief adressen en websites van de diverse nationale humanistische organisaties, vindt men op de website van de European Humanist Federation: www.humanistfederation.eu. Men vindt er ook een doorklikmogelijkheid naar de website van de European Humanist Professionals, op dit moment een werkgroep van de federatie die uitwisseling probeert te bewerkstelligen tussen de humanistische beroepskrachten werkzaam in de verschillende Europese landen: www.humanistprofessionals.eu.
  5. Meer informatie vindt men op: www.uvh.nl. Deze kleine universiteit is een unicum in Europa en haar docenten publiceerden een groot aantal boeken en wetenschappelijke artikels over humanistiek.
  6. Walter Matthijs, Geschiedenis en ontstaan van de georganiseerde vrijzinnigheid in België, in Frank Demeyere & Chris Pijpen (red.), Over vrijzinnigheid gesproken, Brussel, VUBpress, 1998, p. 55-57.
  7. Michel Magits, Het recht op levensbeschouwelijke zorg: het wettelijk kader van de morele, filosofische en godsdienstige bijstand, in Levensbeschouwelijke zorg is geen overbodige luxe, Brussel, Centrum Morele Dienstverlening, 2009, p. 15.
  8. Annie Van Paemel, DGHR – DRMB/NC, Kwartier Koningin Elisabeth, Everestraat 1, 1140 Evere, 02/701.65.82, annie.vanpaemel@mil.be. Een algemeen e-mailadres van de dienst is helaas niet beschikbaar.
  9. Roland Cools, Morele bijstand aan gevangenen, in J. Vanlandschoot & T. Van Loon, Nota’s lezingencyclus lekenconsulent, Brussel, VUB, 1980.
  10. Tony Van Loon, De morele dienstverlening: van een praktisch humanisme naar de centra voor morele dienstverlening in een netwerk van welzijnsvoorzieningen, in Frank Demeyere & Chris Pijpen (red.), Over vrijzinnigheid gesproken, Brussel, VUBpress, 1998, p. 112-114.
  11. Michel Magits, Het recht op levensbeschouwelijke zorg, p. 13-14.
  12. Stichting voor Morele Bijstand aan Gevangenen, Stalingradlaan 54, 1000 Brussel, 02/537.59.28, admin@smbg-famd.be. De website is te raadplegen via www.smbg-famd.be.
  13. Een zeer volledig overzicht van de problematiek van de Ministeriële Omzendbrieven aangaande “de morele, filosofische en godsdienstige bijstand” kan men vinden in een dossier van de SMB getiteld “Ministeriële omzendbrief”, een document van tien pagina’s dat grotendeels diende ter inspiratie van het wetsvoorstel van K. Gironflée. In dit voorstel van resolutie betreffende de religieuze, filosofische en morele bijstand binnen de murale zorg, ingediend in de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 16 oktober 2006, somt zij de meest voorkomende knelpunten op. Een uitstekend overzicht van de problematiek vindt men ook terug in de hoger vermelde bijdrage van prof. Magits, p. 15-22.
  14. Tony Van Loon, p. 114-116.
  15. De inhoud van de cursus, documentatiemateriaal, enz. kunnen geraadpleegd worden op het secretariaat van de SMB: Stuurgroep morele bijstand, Frans Gelderstraat 25, 1800 Vilvoorde, 02/751.93.48, info@ikwilpraten.be, www.ikwilpraten.be.
  16. De verslagen ervan vindt men terug bij CAVA, in het hoger vermelde secretariaat van de SMB en in de provinciale Centra Morele Dienstverlening (huidige benaming: huizenvandeMens). Ook heel veel werkmateriaal, teksten, brochures en PR-materiaal kan in deze laatste vindplaatsen worden geconsulteerd.
  17. Raadpleegbaar via CAVA en het Federaal Secretariaat van deMens.nu, Brand Whitlocklaan 87, 1200 Sint-Lambrechts-Woluwe, info@demens.nu. De recente jaargangen zijn ook online raadpleegbaar via
    www.demens.nu.
  18. Geïnteresseerden kunnen terecht bij Patrick Van Craeynest, patvacra@hotmail.com. Alle edities vanaf 2003 van de Zeeliedenhulde kunnen in het VLC van Oostende opgevraagd worden. Daarnaast zijn er nog twee artikels geweest in De Sprokkel (een vrijzinnig tijdschriftje voor de Westhoek); deze zijn raadpleegbaar in het huisvandeMens Brugge: De Sprokkel, Lente 2013 (april, mei, juni) deel 1: Moreel consulent voor de zeevisserij, en deel 2 in de daarop volgende zomereditie van het tijdschrift. Tevens kan men terecht in de Jaarboeken van deMens.nu, waarin men steevast een bijdrage kan vinden over de morele dienstverlening in de Zeevisserij.
  19. Ook hier biedt het Jaarboek van deMens.nu een inkijk in de dagdagelijkse werking. De consulent kan gecontacteerd worden op karl@laurent-en-co.be.
  20. Meer informatie over de werking van deze laatste consulenten is eveneens terug te vinden in de Jaarboeken van deMens.nu en eenvoudigweg op de website van de universiteit, www.uantwerpen.be.
  21. Financieel en materieel mogelijk gemaakt door de wet van 23 januari 1981.
  22. Voor de ontstaansgeschiedenis van de Centra en de morele dienstverlening, zie: Walter Matthijs, Op weg naar de gelijkberechtiging: prospectie en start, in UVV Info, De Wet van 21 juni 2002, 19 (2002), p. 54-55.
    Een uitstekend overzicht van de evolutie van de morele dienstverlening gedurende de eerste jaren van de CMD’s vindt men in de bijdrage van Franky Bussche, moreel consulent van het eerste uur: Franky Bussche, Evolutie van de inhoud van de morele dienstverlening, in UVV Info, De Wet van 21 juni 2002, 19 (2002), p. 27-32.
  23. Franky Bussche, Evolutie van de inhoud van de morele dienstverlening, p. 27. De eerste consulenten werden voorafgegaan door prospectoren, die gedurende een jaar hun respectieve provincie onderzochten en een lijvig rapport indienden.
  24. Een uitstekend en zeer grondig overzicht biedt Anne-France Ketelaer, De niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen in België. Een unieke situatie. Chronologisch overzicht & Structuren, deMens.nu (onuitgegeven tekst), 54 p.
  25. Roland Cools, Verduidelijking rond de taak van de M.C. (interne nota), 1 mei 1985.
  26. De meeste jaarverslagen kunnen geraadpleegd worden bij CAVA. Ook het moreel verslag dat jaarlijks in gedrukte vorm wordt voorgelegd ter goedkeuring aan de Algemene Vergadering kan aldaar geraadpleegd worden. Het bevat een schat aan kwalitatieve en kwantitatieve gegevens over de morele dienstverlening.
  27. Definitie morele dienstverlening goedgekeurd door de Raad van Bestuur op 24 februari 2004.
  28. Evaluatierapport centra morele dienstverlening (intern rapport van de Unie), Brussel, 1986.
  29. Jaarlijks worden de gegevens verwerkt in tal van grafieken en tabellen. Elk huisvandeMens bezit de registratie van haar eigen werking. In de provinciale huizen kan de registratie van de desbetreffende provincie geraadpleegd worden.
  30. Chris Pijpen (red.), Ik ben naar Marrakech geweest. Moreel consulenten ontmoeten mensen in hun zoektocht naar zin, Brussel, VUBpress, 2001.


Verwijzen naar dit artikel kan als volgt: Boeykens Freddy, Morele dienstverlening, in Op zoek… De evolutie van het vrijzinnig humanisme in Vlaanderen sinds de Tweede Wereldoorlog, Brussel, Centrum voor Academische en Vrijzinnige Archieven, 2018, pp. 185-196.

Deze pagina werd voor het laatst geüpdatet op 12 april 2018.

Reacties gesloten