Frank Scheelings — De verwevenheid van de vrijzinnig-humanistische levensbeschouwing en de Vrije Universiteit Brussel in historisch perspectief. Mogelijkheden tot onderzoek

1. Inleiding

De Vrije Universiteit Brussel (VUB) is een belangrijke pijler in het Vlaamse onderwijsen onderzoekslandschap. De Vlaamse ‘vrije universiteiten’,1 als privaatrechtelijke universiteiten vaak een beetje gezien als tegenhangers van de vroegere rijksuniversiteiten, hebben een levensbeschouwelijk karakter. Met dat levensbeschouwelijk karakter worstelen ze nogal eens. Staat het hun wetenschappelijke karakter niet in de weg? Is het prominent aanwezig of moet het prominent aanwezig zijn? Moet het in de verf gezet worden of niet?

De historische relatie tussen het vrijzinnig humanisme in Vlaanderen en de VUB is van groot belang. De bedoeling van dit artikel is mensen ertoe aan te zetten om die relatie te onderzoeken. Het onderwerp geeft namelijk heel wat onderzoeksperspectieven, zoals ik hier verderop zal aantonen.

Tegelijk wil ik me beperken. Dit artikel geeft geen overzicht van al het mogelijke historische onderzoek dat gedaan kan worden in verband met de VUB. Dat gaat nog veel ruimer en dan zou ik buiten de lijnen kleuren die de redactie me heeft opgegeven.

Ik ga ook niet in op de relatie die het vrijzinnig humanisme heeft met de andere universiteiten, hoewel een ruimere studie zeker wenselijk zou zijn.2

2. Terminologie

Welke lading dekt de term ‘Vrije Universiteit Brussel’? Het antwoord op die vraag lijkt evident, maar niets is minder waar, want het begrip doet direct vragen rijzen. Wanneer we de geschiedenis induiken, dan valt op dat de Vlaamse studenten op de Université Libre de Bruxelles altijd de neiging hebben gehad om hun universiteit in het Nederlands te benoemen. In de 19de eeuw, wanneer het secundair en hoger onderwijs volledig in het Frans verlopen, spreken ze van de ‘Vrije Hoogeschool Brussel’ of ‘Vrije Hoogeschool te Brussel’.3 Na de Eerste Wereldoorlog wordt de term hogeschool langzaam vervangen door die van universiteit. De Nederlandstalige studenten spreken dus vanaf de jaren 1930 tot het ontstaan van de VUB in 1969 van ‘Vrije Universiteit Brussel’, daarmee doelend op de ULB. Het ontstaan en de ontwikkeling van de eerste opleiding in het Nederlands, vanaf 1935, is koren op hun molen. Op de brochures die ze in de jaren 1960 uitgeven om publiciteit te maken voor de universiteit, zullen ze de term systematisch gebruiken. De term ‘Vrije Universiteit Brussel’ wordt dus al voor het ontstaan van de eigenlijke rechtspersoon in 1969, ruim gebruikt.

Slaat het ‘Vrije’ op ‘Vrijzinnig’ en moet Vrije Universiteit Brussel gelezen worden als Vrijzinnige Universiteit Brussel? In dat geval zou de universiteit beschouwd kunnen worden als deel van de georganiseerde vrijzinnigheid. Of slaat ‘Vrije’ op ‘Vrij Onderzoek’? Die discussie is bij het ontstaan in 1969-1970, toen de mogelijkheid bestond om een nieuwe naam te geven, wel gevoerd. Op dat moment hebben de bestuurders het ‘Vrije’ niet gedefinieerd in het organiek statuut. Ze zijn al blij dat de term ‘Vrije’ wordt overgenomen, want er gaan op dat moment ook stemmen op om de universiteit de Vlaamse Universiteit Brussel te noemen, een naam die voor de meerderheid onaanvaardbaar is.4

Bij de hervorming van het organiek statuut van de universiteit op 18 januari 1994 wordt de discussie over de betekenis van ‘Vrije’ opnieuw gevoerd. Dan besluit het bestuur dat ‘Vrije’ moet gelezen worden als ‘gegrond op het beginsel van Vrij Onderzoek’, hetgeen in de statutenwijziging van 2014 bevestigd wordt.5

Ook het woord ‘Universiteit’ is – qua inhoud althans – minder evident dan het lijkt. Op het moment van het ontstaan van de instelling wordt een universiteit over het algemeen beschouwd als een plaats voor onderzoek en onderwijs. Omdat verschillende bedrijven in de loop van de 20ste eeuw zelf aan onderzoek beginnen doen, verliezen de universiteiten langzaam ‘marktaandeel’ op dat gebied. Zeker wanneer de economische crisis begin jaren 1980 toeslaat en de overheid toegepast onderzoek stimuleert om de zogenoemde ‘Derde Industriële Revolutie’ aan te zwengelen, met initiatieven als Flanders Technology.6 Hierdoor wordt in de jaren 1980 ‘dienstbetoon aan derden’, zijnde dienstverlening aan actoren buiten de universiteit, als nieuw doel (naast onderzoek en onderwijs) erkend.

Maar in de startperiode van de universiteit wint de onderwijsfunctie snel aan belang. Dat komt enerzijds omdat de onderwijskunde in de jaren 1970 volledig doorbreekt, hetgeen de modernisering van het universitair onderwijs in de schijnwerpers plaatst, en anderzijds omdat het aantal studenten van doorslaggevend belang is als subsidiecriterium voor de universiteiten. In die jaren lijkt het voor de bestuurders een evidentie dat het vrijzinnig humanisme de onderwijsvisie beïnvloedt.

In 1994, bij een nieuwe discussie over het karakter van de universiteit, wordt gepoogd om de universiteit een expliciet humanistische maatschappelijke opdracht te geven. Bij de ‘zending’ van de universiteit wordt gezegd dat de universiteit zich moet inspannen om academisch onderwijs en onderzoek maatschappelijk in te schakelen in een geest van sociale bewogenheid.7 Ook bepaalt het statuut dat de universiteit de opdracht heeft iedereen kritisch te vormen “in het licht van de in de gemeenschap te dragen verantwoordelijkheid“. De vraag is wat hiermee bedoeld wordt. De opdracht doet een beetje denken aan die van Amerikaanse universiteiten, die hun opdracht niet beperken tot onderwijsverstrekking, maar menen dat ze een rol moeten spelen in de maatschappelijke opvoeding van de adolescent, hetgeen heel wat ruimer is. Van universiteiten wordt daar verwacht dat ze – als cultuurdragers – cultuur promoten en dat ze socialisatieprocessen stimuleren door de organisatie van activiteiten die buiten de vastgelegde programma’s vallen.8

De maatschappelijke visie van de universiteit wordt in het organiek statuut van 2014 nogmaals uitgebreid. Deze keer gaat het niet over de studenten, maar geeft de universiteit aan door kennisoverdracht een rol te willen spelen in de vernieuwing van maatschappelijke en economische sectoren. Of dit haar humanistische ingesteldheid beïnvloedt of in hoeverre haar humanistische ingesteldheid een rol kan spelen bij die vernieuwing, zal de toekomst moeten uitwijzen.

Een universiteit wordt echter niet alleen bepaald door taken en opdrachten. De universiteit wordt ook bepaald door de mensen die haar bevolken. Hoewel er vaak gesproken wordt over ‘de universitaire gemeenschap’, bestaat die ene gemeenschap eigenlijk uit verschillende deelgemeenschappen. De voornaamste daarvan zijn: de gemeenschap van de studenten, de gemeenschap van het academisch personeel en de gemeenschap van het administratief en technisch personeel. Hier zijn nog kleinere groepen in te onderscheiden, zoals bijvoorbeeld de alumni of de Chinese doctoraatsstudenten, maar deze groepen zijn eigenlijk niet omvangrijk genoeg om als gemeenschap te worden aanzien. De drie grote deelgemeenschappen hebben niet volledig dezelfde normen, waarden, gedragspatronen enz. Hun houding tegenover het vrijzinnig humanisme en de manieren om hun levensbeschouwing te uiten, kan dan ook erg verschillend zijn. De studentenkringen bijvoorbeeld, die de kern vormen van de studentengemeenschap, zijn – tot verbazing van buitenstaanders – over het algemeen uitermate vrijzinnig en tonen dit duidelijk (infra).

Tot slot is de universiteit geografisch niet één geheel. Tot in de jaren 1990 bestaan er drie campussen: Etterbeek, Jette en Sint-Genesius-Rode.9 Theoretisch is het dan ook mogelijk dat op een bepaalde campus het vrijzinnig humanisme sterker aanwezig is dan op een andere. In Jette krijgen de medici op een heel directe wijze te maken met ethische kwesties (in-vitrofertilisatie, abortus, euthanasie enz.), hetgeen een bewust humanisme veronderstelt. Daardoor is het vrijzinnig humanisme in Jette zeer aanwezig. In Rode werken de vorsers van ULB en VUB tot de opheffing van de campus dicht bij elkaar; mogelijk heeft de mentaliteit van de ULB die van de VUB’ers daar beïnvloed. Over de situatie in de onderzoeksparken en bij de spin-offs kunnen we nog moeilijker uitspraken doen.

3. Belang van de VUB voor de vrijzinnigheid

Welk belang hebben de Nederlandstalige gemeenschap op de ULB en de daaruit voortgekomen VUB voor het Vlaams vrijzinnig humanisme?

Ten eerste blijkt uit de activiteiten en teksten van de Nederlandstalige studenten van de ULB in de 19de eeuw dat zij aanhangers zijn van een liberale en rationalistische, maar tegelijk sociaalvoelende levensbeschouwing. Dit is interessant, want dit bewijst dat de wortels van het vrijzinnig humanisme in het 19de-eeuwse België niet alleen bij de vrijdenkersverenigingen liggen, maar dat die beweging breder was en ook gedragen werd door andere groepen.

Ten tweede heeft de VUB een symbolische en daadwerkelijke voortrekkersrol gespeeld in de uitbouw van het vrijzinnig humanisme in Vlaanderen. Symbolisch, omdat de maatschappelijke invloed van een universiteit in de 20ste eeuw over het algemeen relatief groot is. Daadwerkelijk, omdat op het moment van oprichting in 1969-1970 de georganiseerde vrijzinnigheid in Vlaanderen zich nog lang niet volledig ontplooid heeft. De vrijzinnig-humanistische instellingen die op dat moment een rol van betekenis spelen zijn het Humanistisch Verbond (°1951), Humanitas (°1958), de Oudervereniging voor Moraal (°1961 als werkgroep, °1967 als vzw), de Stichting voor Morele Lekebijstand (°1964) en UVV (°1966).10 De Humanistische Jongerenbeweging (°1968) is nog maar juist opgericht. De oprichting van een Nederlandstalige vrijzinnig-humanistische universiteit, tenslotte toch een maatschappelijk ankerpunt, is dan ook een geweldige en onverwachte meevaller voor de vrijzinnige beweging in Vlaanderen. Van hieruit zullen in de decennia die volgen, verschillende vrijzinnige initiatieven en onderzoeken gelanceerd en gesteund worden. De jeugd kan er bovendien een op vrijzinnig-humanistische gronden geïnspireerd onderwijs genieten. De rol die de VUB zal spelen in de eindfase van de secularisering in Vlaanderen (in het laatste 40 jaar van de 20ste eeuw), kan dan ook moeilijk onderschat worden.

4. Geschiedenis van de universiteit

De geschiedenis van de Vrije Universiteit Brussel is in zijn algemeenheid natuurlijk wel bekend. We beperken ons hier tot de hoofdlijnen. Wanneer de Université Libre de Bruxelles in 1834 ontstaat, duurt het niet lang voor de Nederlandstalige studenten zich groeperen. In 1856 ontstaat de eerste Vlaamse studentenkring: het Nederduytsch Taelminnend Genootschap. Hoewel de universiteit als elite-instelling Franstalig is, bevindt ze zich in Brussel, dat op dat moment nog een Nederlandstalige stad is. Taaltegenstellingen worden dan nog niet als storend ervaren door het universitaire bestuur. De studentenkring wordt in 1878 en 1880 heropgericht en formuleert een duidelijk eisenpakket voor een ruimer gebruik van het Nederlands in de Belgische staat. Met de toenemende verfransing van Brussel op het einde van de 19de eeuw zal ook het universitair bestuur langzaam mee verfransen en een steeds meer franskiljonse houding aannemen. De aanhoudende vraag van studenten om een cursus in het Nederlands in te richten wordt uiteindelijk in 1891 ingewilligd, omdat de taalwet op de academische graden van 1890 gerechtelijke ambten in Vlaanderen reserveerde voor kandidaten die een bewijs van het gebruik van het Nederlands konden voorleggen.11

Na de Eerste Wereldoorlog, waarbij vooral de activisten de Vlaamse Beweging bij de Franstaligen in diskrediet brengen, positioneert de ULB zich nog sterker als Franstalige instelling. De Vlamingen aan de ULB houden zich stil. Pas in de jaren 1930 ontstaat er weer een bloeiend Vlaams studentenleven. De ULB komt langzaam onder druk om meer Nederlandstalige cursussen in te richten. Dat studenten die in het Nederlands willen studeren vanaf 1930 in Gent terecht kunnen, deert de universitaire bestuurders niet. Maar wanneer afgestudeerden rechten door de taalwet van 1935 verplicht worden om een Nederlandstalig diploma voor te leggen om aan een Nederlandstalige balie te mogen pleiten,12 gaan ze overstag. De economische crisis woedt en men kan zich niet permitteren deze afzetmarkt kwijt te spelen. Nog datzelfde jaar beslist de ULB de doctoraten in de rechten (nog niet de kandidaturen!) te verdubbelen (en dus Nederlandstalige cursussen in te richten). Tijdens de Tweede Wereldoorlog proberen de Duitsers de ULB te verdubbelen, hetgeen uitmondt op een sluiting in november 1941.13 Daardoor zal de verdubbeling – met uitzondering van de kandidaturen in de rechten – na de oorlog gemakkelijk nog een decennium kunnen worden uitgesteld. Onder invloed van de Schoolstrijd, die bij veel Franstalige liberale en socialistische professoren de idee doet groeien dat de katholieken in Vlaanderen maar overwonnen kunnen worden als er een belangrijke intellectuele elite van vrijdenkende Vlamingen ontstaat, komt in 1955 het verdubbelingsproces weer op gang. In datzelfde jaar wordt het VNVHO (Vereniging voor Nederlands Vrijzinnig Hoger Onderwijs) opgericht, bestaande uit een aantal afgestudeerden en politici die de verdubbeling van de cursussen nastreven. Het jaar erna volgt de Nederlandstalige Oudstudentenbond. Beide zullen als drukkingsgroep fungeren. De ULB zal mondjesmaat verdubbelen. Ondanks speciaal hiervoor toegekende overheidssteun,14 waarvan de studenten betwijfelen of ze wel voldoende voor dat doel wordt aangewend, is het proces in 1968 nog altijd aan de gang. De studentenrevoltes van 1966-1969 te Leuven, Gent en Brussel hebben als resultaat dat de Raad van Bestuur van de ULB uiteindelijk buitenspel gezet wordt en dat de unitaire structuur wordt opgegeven. Op 13 december 1968 spreekt de Raad van Bestuur zich uit voor een structurele verdubbeling vanaf 1 oktober 1969. De VUB verwerft de rechtspersoonlijkheid met terugwerkende kracht op 28 mei 1970.

Daarna gaat het snel. De VUB bouwt in de jaren 1970 haar ‘gewone’ campus uit op het Oefenplein in Etterbeek (opening van de studentenhuizen in 1973 en van de meeste gebouwen in de jaren die daar direct op volgen), haar medische campus in Jette (eerste raadplegingen en opnames in 1977) en blijft met de ULB aanwezig op de campus Rode (biotechnologie en chemie), tot deze opgeheven wordt (2000). In sneltempo worden de onderzoeks- en onderwijsstructuren uitgebouwd, met acht faculteiten en enkele honderden onderzoeks- en onderwijseenheden, diensten enz. tot gevolg. Hoewel de Belgische beleidsmakers de universiteit een maximum van 5.500 studenten toewijzen, wordt dit aantal al in 1980 overschreden. De universiteit groeit gestaag verder tot 1999, wanneer het aantal stagneert rond 9.000 studenten, om in 2008 verder te groeien en in 2015/2016 de 14.750 studenten te passeren.15

Een minpunt in deze ontwikkeling is de teloorgang van de oorspronkelijke idee van 1969 dat de VUB een volwaardige basisuniversiteit zou zijn, met andere woorden dat zij alle faculteiten en opleidingen die men op dat moment als noodzakelijk beschouwt, zou hebben. Deze idee werd in de besparingswoede die voortkwam uit de economische crisis van de jaren 1980 onder druk van minister van Onderwijs L. Van den Bossche opgegeven. Geen enkele universiteit zal, door de steeds verder gaande specialisering, volledig kunnen zijn en er kan dus ook geen sprake meer zijn van een basisuniversiteit. In theorie zet dit de deur open naar de afschaffing van opleidingen en dit gebeurt uiteindelijk ook met de opleidingen Tandheelkunde (2003) en Klassieke Filologie (2013). Hiertegenover staat dat door de alliantie die de VUB naar aanleiding van het structuurdecreet (2003) sluit met de Erasmushogeschool (genaamd Universitaire Associatie Brussel) en door de toepassing van het integratiedecreet (2012), het aantal masterprogramma’s in 2013 sterk uitbreidt. Bovendien bieden beide instellingen, samen met de Militaire School, anno 2016 een 180-tal opleidingen aan, hetgeen voor de instellingen afzonderlijk oorspronkelijk ondenkbaar was en hetgeen hun slagkracht in Brussel ten goede komt.16

5. Stand van het onderzoek, mogelijke onderzoeksvragen en bronnenmateriaal

Wat is de stand van het onderzoek over de geschiedenis van de Vrije Universiteit Brussel en wat voor bronnenmateriaal is er ter beschikking? Ik splits dit even op en behandel eerst het onderzoek over de VUB in het algemeen, om daarna dieper in te gaan op de geschiedenis van de belangrijkste taken en de gemeenschappen. Het territoriale (de campussen) laat ik hier buiten beschouwing.

5.1. Algemeen: de VUB en de vrijzinnigheid

Over de VUB in het algemeen zijn bij jubilea een aantal werken uitgegeven, waardoor de geschiedenis relatief bekend is. Kleine boekjes en artikeltjes die verschijnen bij het vijf- en tienjarig bestaan, verklaren het ontstaan en beschrijven de groei van de universiteit.17 Naar aanleiding van het vijfentwintigjarig bestaan van de universiteit verschijnt eerst de catalogus van de tentoonstelling ‘25 jaar Vrije Universiteit Brussel: Universiteit en Maatschappij‘.18 Het steunt op origineel onderzoek en literatuur en geeft voor een breed publiek een ruim en geïllustreerd overzicht van de voorgeschiedenis en de geschiedenis van de universiteit. Wat later verschijnt de ‘Tuin van Akademos‘,19 dat zich richt naar een wetenschappelijk publiek en waarin een aantal belangrijke aspecten van de universiteit onder de loep genomen worden. Beide werken verschillen sterk van inhoud doordat ze zich naar een ander doelpubliek richten en een totaal andere opzet hebben. Doorwrocht is het artikel over het ontstaan van de VUB van J. Tyssens.20 Andere, later verschenen artikels en boeken gaan in op deelaspecten en daarom komen we er later op terug. Er zijn sindsdien geen originele studies meer verschenen die de geschiedenis van de universiteit in zijn algemeenheid trachten te vatten. De vijftigste verjaardag van de VUB in 2019 wordt op dat vlak dus een uitdaging.

Hierbij moet erop gewezen worden dat het niet zal volstaan om enkel de archieven van de VUB – die door CAVA bewaard worden – te raadplegen. De VUB zit immers maatschappelijk verankerd in heel wat netwerken met organisaties en instellingen die bepalend zijn voor de geschiedenis van het universitair onderwijs en onderzoek in Vlaanderen. Tot de derde staatshervorming (1988-1989) zijn de bronnen van de federale overheid belangrijk.21 Als voornaamste op Vlaams niveau22 kunnen de beleidsinstanties genoemd worden (Vlaams Parlement, met de Commissie voor Onderwijs),23 het Ministerie van Onderwijs en Vorming, de VLIR (Vlaamse Interuniversitaire Raad, °1976), de VLUHR (Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad, °2010), het Departement voor Economie, Wetenschap en Innovatie en het FWO Vlaanderen (Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen, in de praktijk ontstaan in 1992, maar officieel pas in 2005)24. Maar ook de Brusselse context met de Vlaamse minister bevoegd voor Brussel, de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC), de Universitaire Associatie Brussel, de ULB enz. speelt een rol. Daarnaast zijn er enerzijds nog internationale krachten (de Europese Unie en haar instellingen) en anderzijds nog volledig lokale spelers als de gemeentebesturen in Brussel en Vlaanderen. Daardoor is de geschiedenis van de universiteit een multidimensionaal gegeven dat eigenlijk nog nauwelijks in zijn geheel kan aangepakt worden. Het onderzoek naar de geschiedenis van de universiteit zal daarom moeten verlopen via deelstudies op allerlei gebieden. Na verloop van tijd kan dan een nieuwe synthese worden gemaakt. Gelukkig wordt er de laatste jaren in de meeste van deze instellingen bewust aan archiefzorg gedaan. De archieven bevinden zich echter doorgaans nog in de instellingen zelf en zijn niet gecentraliseerd in archiefbewaarplaatsen, behalve voor de federale periode.25

Een belangrijke vraag is die naar het vrijzinnig-humanistisch gehalte van de universiteit. De VUB onderscheidt zich wat dat betreft van de andere universiteiten. De KU Leuven benadrukt haar christelijke achtergrond, hetgeen overigens een religieus humanisme niet uitsluit. De Gentse en Antwerpse universiteiten zullen wijzen op pluralisme en de aanwezigheid van vrijzinnig-humanistische professoren (naast andere levensbeschouwingen).26 Bij de VUB is dat anders, omdat ze uitgaat van het Vrij Onderzoek, waarbij ze elke dogmatische aanname verwerpt. Ze is “doordrenkt […] van een vrijzinnig-humanistische levensfilosofie, waar vrijheid, verdraagzaamheid, verscheidenheid en verantwoordelijkheid hoog aangeschreven staan“.27 De VUB claimt in dat opzicht dus in al haar ‘zijn’ vrijzinnig-humanistisch te zijn. Het is voor een onderzoeker verleidelijk om dit in vraag stellen. Hoe hebben de levensbeschouwing en de gehechtheid aan het principe van Vrij Onderzoek zich in de academische gemeenschap vertaald? Is de vrijzinnig-humanistische levensbeschouwing intern structureel verankerd in het institutioneel kader van de VUB? Zijn de levensbeschouwing en het principe aantoonbaar aanwezig geweest in het onderwijs en onderzoek? Of pretendeert de VUB bijvoorbeeld Vrij Onderzoek toe te passen, maar is het onderzoek of onderwijs fundamenteel niet anders dan in andere instellingen? Is het m.a.w. een mythe of een historische realiteit?

Op de vraag of de vrijzinnig-humanistische levensbeschouwing intern structureel is verankerd in het institutioneel kader van de VUB, werd een eerste schuchter antwoord gezocht door Mondelaers en Scheelings in de eerder aangehaalde publicatie onder de titel: ‘Vrij Onderzoek en democratisch beheer: twee grondprincipes verwezenlijkt?’28 Maar dit was slechts een eerste onderzoek naar de interne structuren en de mate van democratische besluitvorming en werd intussen meer dan twintig jaar geleden gedaan. Aanvullend onderzoek is nodig, want ondertussen zijn de organisatie van de studentenvertegenwoordiging, de institutionele werking van de VUB en de bedrijfscultuur grondig veranderd. Werd en wordt er in de vakgroepen en faculteiten, waar traditioneel de beoordeling van nieuwe krachten en de bevorderingen ter sprake komt, ooit rekening gehouden met de levensbeschouwing van de kandidaat? En zo ja, in welke mate? Dit is theoretisch te onderzoeken via de individuele wetenschappelijke dossiers en de facultaire briefwisseling, maar het is zeer de vraag of de gelegenheidscommissies een dergelijk criterium in de verslaggeving hebben opgenomen. Een kwantitatief onderzoek naar de diplomering van het assisterend en het zelfstandig academisch personeel zou in dit opzicht verhelderend zijn, omdat dit aangeeft uit welke universiteiten de assistenten en professoren komen.

Hierbij aansluitend kan men zich afvragen of er diensten zijn die het vrijzinnig-humanistisch karakter hebben ondersteund. Bij sommige diensten vloeit het voort uit hun hoofdopdracht, zoals bij SJERP/Dilemma abortusproblematiek) of het oncologisch centrum, met haar team ‘supportieve en palliatieve zorg’. Maar ook diensten zoals de Dienst Kultuur, het Universiteitsarchief (nu CAVA en dus tegelijk het archief van de vrijzinnige beweging in Vlaanderen) of vzw’s zoals Uitstraling Permanente Vorming (opgericht om aan wetenschapspopularisering te doen) hebben in hun programmatie bewust aandacht voor vrijzinnig humanisme. De vraag is dan welke thema’s ze aansnijden, welk aandeel dit inneemt in hun programmatie en tot welke doelgroepen ze zich richten. De archieven van een aantal van deze diensten zijn over het algemeen redelijk goed bewaard en bevinden zich bij CAVA.

De vrijzinnigheid uit zich ook in de architectuur van de campus. Verschillende gebouwen hebben vormen of versieringen die naar vrijzinnige symbolen verwijzen. Hier zijn bronnen van interne diensten (Operationele groep campus; Technische dienst; Algemeen beheerder;…) en van externen (architectenbureaus) relevant. Een recent werk zet de bouw van de campussen visueel in de kijker,29 maar de geschiedenis van de campus en haar inrichting, haar kunstwerken enz. kan nog verder worden onderzocht. Voor gebouw M en de studentenhuizen werd wel al grondig onderzoek verricht.30

Interessant is ook de vraag of de VUB doorheen haar geschiedenis stelling genomen heeft naar buiten toe, in levensbeschouwelijke kwesties die het maatschappelijk debat voeden. Op welke levensbeschouwelijke onderwerpen reageert zij, hoe doet zij dat, en in welke omstandigheden? Persartikels (bewaard in de archieven van de dienst Public Relations, nu Marcom) zijn hier een interessante bron, of systematisch onderzoek in de gesproken of geschreven pers, waarbij de studentenkranten niet vergeten mogen worden. Ook een systematisch onderzoek naar de aanduiding van Doctores Honoris Causa die om maatschappelijke redenen een eredoctoraat toegewezen krijgen, is een analyse waard. Die dossiers bevinden zich in de archieven van de dienst Onderwijszaken, van het Rectoraat en van de faculteiten; terwijl de beslissing in de Raad van Bestuur aan bod komt. Al even fundamenteel in dit verband is een onderzoek naar de relaties die de VUB onderhield met de instellingen van de georganiseerde vrijzinnigheid. Hoe los/vast zijn deze banden? Zijn er periodes van hechte samenwerking? Wanneer en waarom wordt er samengewerkt? Vanwaar vertrekt het initiatief? Kan de georganiseerde vrijzinnigheid als een ‘vierde gemeenschap’ (naast studenten, proffen en leden van het ATP) beschouwd worden of zijn de banden eerder los? Dit soort onderzoek is goed uitvoerbaar op de officiële echelons, omdat er heel wat correspondentie (van het rectoraat van de VUB, maar ook van diverse instellingen van de georganiseerde vrijzinnigheid) bewaard bleef. Ook de publicaties van UVV, HV en andere instellingen van de georganiseerde vrijzinnigheid zijn hier relevant.

5.2. Studenten, professoren en ATP: de band met de vrijzinnigheid

Verlaten we even het algemene perspectief en kijken we naar de band die de drie gemeenschappen (studenten, wetenschappelijk personeel en administratief en technisch personeel) hebben met de vrijzinnigheid.

5.2.1. Studenten

We beginnen met de studentengemeenschap. We weten dat de Vlaamse studenten aan de ULB zich in 1856 manifesteren als progressieve liberalen en verdedigers van het Vlaams. Dat is op dat moment een sociale stellingname, want de Vlamingen zijn op maatschappelijk gebied achtergesteld in de Belgische staat. Bij zijn heroprichting in 1877 noemt de studentenkring zich in het Gulden Boek de ‘Vrijzinnige Studentenkring Geen Taal, Geen Vrijheid’, hetgeen een expliciete verwijzing is naar de vrijzinnige levensbeschouwing.31 Bij een tweede heroprichting in 1880 valt het woordje ‘vrijzinnig’ weg, maar in de titel van het Gulden Boek heet de studentenkring dan ‘Vlaamse vooruitstrevende studentenkring’. In 1886 schrijven de studenten een ‘Geloofsbelijdenis’, een tekst waarbij zij hun maatschappelijk streven toelichten. Deze belijdenis getuigt van sociaal engagement en toont vrijzinnige standpunten van de studenten. Het blijft niet bij theorie alleen: Lodewijk De Raet ijvert voor lessen aan ‘het volk’ in de geest van de Engelse university extension movement,32 een beweging die in Vlaanderen ook aanslaat.33 Ook andere iconen, zoals August Vermeylen, Julius Hoste (jr.), Nico Gunzburg of Alberic Deswarte staan bekend om hun sociale ingesteldheid en hun vrije geest. Over de vrijzinnigheid bij de studenten bestaat een kort artikel,34 maar in het licht daarvan zou het interessant zijn om te bestuderen in hoeverre de studenten (eventueel over de universiteiten heen) een ‘vrijzinnige beweging’ vormden en in hoeverre dit een ruimere weerslag heeft gehad, bijvoorbeeld in de vrijdenkersbewegingen. Temeer omdat juist op het einde van de 19de eeuw het principe van Vrij Onderzoek door de studenten wordt ingeroepen bij rellen aan de universiteit.35 Onderzoek in de eigentijdse studententijdschriften en onderzoek in egodocumenten van studentenleiders, die zich dikwijls in het Letterenhuis in Antwerpen bevinden, is hier aangewezen.

We weten dat de studentenkring in de jaren 1930 naar links evolueerde.36 Ook voor die periode kunnen we uitgaan van een overwegend vrijzinnig karakter van de Vlaamse studenten aan de ULB. Als Vlaming studeren in het verfransende Brussel was geen sinecure. Het diploma kon gemakkelijk gezien worden als een verklaring van trouw dan wel van afvalligheid aan deze of gene zuil. Vandaar dat er slechts weinig niet-vrijzinnige Vlaamse studenten uit de directe omgeving naar de ULB gingen. De vraag is dan wel hoe die vrijzinnigheid beleden werd en welke acties er ondernomen zijn. Bronnen zijn hier de archieven van het BSG (correspondentie en het studententijdschrift ‘De Geus’, dat verscheen van 1946-1978). Ook de archieven van de Oudstudentenbond en van het VNVHO (o.m. het tijdschrift ‘Contactblad VUB’), die een zweepslagfunctie voor de Nederlandstalige gemeenschap aan de ULB op zich nemen, zijn interessant.37 Ook hier stelt zich de vraag naar de relatie met het kersverse Humanistisch Verbond (°1951). Dat is wat moeilijker te onderzoeken, omdat de jaren 1950 en 1960 minder goed gedocumenteerd zijn. De uitkomst is wel gekend: zowel de Oudstudentenbond als het Brussels Studentengenootschap (BSG) en de Studiekring Vrij Onderzoek zijn aangesloten bij deMens.nu en gelden als sterkhouders van de vrijzinnigheid. Ze horen dus tot de georganiseerde vrijzinnigheid. Het BSG – voortgevloeid uit Geen Taal Geen Vrijheid – is de koepelkring van alle andere studentenkringen op de VUB. De overgrote meerderheid van studentenkringen erkennen het BSG als koepelkring en sluiten zich erbij aan. Dit impliceert dat ze het BSG-reglement volgen en in hun statuten hun vrijzinnig karakter expliciet opnemen, ten eerste door het principe van het Vrij Onderzoek te onderschrijven en ten tweede door art. 1-18 van de Universele verklaring van de rechten van de mens en het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, te erkennen en te onderschrijven. Dit is geen louter formele situatie. De vrijzinnige levensbeschouwing komt namelijk terug in de algemene activiteiten die de kringen organiseren, op de typische studentenrituelen, bv. bij de doop of de ontgroening, op het Vrijzinnig Zangfeest (een wedstrijd waar de meeste kringen aan meedoen), op de St. V-stoet (de versiering van de ‘camions’) enz. Bij wedstrijden met een creatief element wordt dikwijls het vrijzinnig gehalte van de creatie als criterium meegerekend. Hierdoor zijn de studentenkringen bij uitstek de sterkhouders van de vrijzinnigheid. Een historisch opgevatte analyse van hun activiteiten in dit verband zou interessant zijn, want ook die vrijzinnigheid kan in vraag gesteld worden.38 We beschikken met de financiële en morele verslagen die de kringen bij het BSG indienen over bronnen die hier een behoorlijk zicht op bieden, hoewel ze met de nodige historische kritiek geïnterpreteerd moeten worden.39 Ook de talrijke boekjes die uitgegeven werden bij de lustrumvieringen van elke kring zijn hiervoor interessante bronnen. Eén raakpunt tussen vrijzinnigheid en studentikoziteit is recent onderzocht, namelijk de organisatie van het vrijzinnig zangfeest.40

Ook hier kan men zich afvragen of de studentengemeenschap stelling heeft genomen in belangrijke maatschappelijke debatten en als consequentie daarvan de vrijzinnig-humanistische levensbeschouwing intern structureel heeft verankerd in het institutioneel kader van de studenten. Een belangrijk feit hierbij is de oprichting van Studiekring Vrij Onderzoek in 1949 (dan nog als studiekring binnen Geen Taal Geen Vrijheid). Dit is geen plots feit, maar eerder een nieuwe stap in een lange evolutie. De studenten bemoeien zich op vrijzinnige gronden met de taalpolitiek van de ULB, maar zullen ook allerlei politieke en maatschappelijke (inter)nationale problemen aansnijden.41 Welke maatschappelijke problemen Vrij Onderzoek heeft beziggehouden, is interessant om te onderzoeken, hoewel dit mogelijk niet afwijkt van hetgeen andere progressieve groepen bezighoudt.

De idee uit de contestatie, dat studenten bij het maatschappelijk gebeuren geëngageerd moeten optreden en zich moeten verenigen in studentenvakbonden, krijgt slechts heel kort en in beperkte mate vaste voet aan de grond.42 Een uitvloeisel hiervan zijn enkele vzw’s die in de periode 1969-2002 bij de sociale sector aanleunen, zoals de vzw Internationale Vereniging van de Universitaire dagen van de Vrede (JUP) en de vzw UCOS (Universitair Centrum voor Ontwikkelingssamenwerking), waardoor de studentengemeenschap betrokken wordt bij de vredesproblematiek en de problematiek van de ontwikkelingssamenwerking. De archieven van deze instellingen zijn grotendeels geïnventariseerd.43

Ten slotte moeten we hier nog de Sociale Raad en de Studentenraad noemen. Ook hier stelt zich de vraag in hoeverre maatschappelijke problemen op hun vergaderagenda komen. We weten dat hun aandacht zeker gewekt wordt als politici met voorstellen komen die het studentenleven beïnvloeden, zoals een verhoging van de inschrijvingsgelden, een verandering van het beurzensysteem, besparingen in de sociale sector enz. Of zij ook andere maatschappelijke zaken bij hun besprekingen aan bod laten komen is twijfelachtig. De notulen van deze organen zijn over het algemeen bewaard.

5.2.2. Wetenschappelijk personeel

Als we de gemeenschap van de professoren en assistenten onder ogen nemen, dan zijn we aanbeland bij het onderzoek en het onderwijs.

We bekijken eerst het onderzoek. Het bestuderen van de geschiedenis van de wetenschap kan vanuit twee invalshoeken gebeuren. Ten eerste vanuit een wetenschapstheoretisch of wetenschapsfilosofisch kader, waarbij de historicus vooral onderzoekt hoe de wetenschappers werken als ze aan wetenschap doen en welke ideeën ze hebben.44 Centraal staat de vraag hoe wetenschappers wetenschap voortbrengen: hoe zoeken ze, hoe ontwikkelen ze hun gedachtegang, hun argumentatie, hun bewijsvoering? Proberen ze zich los te maken van denkkaders van religieuze, filosofische, politieke, economische of culturele aard? Het Vrij Onderzoek, dat elders in deze bundel wordt behandeld, kan in dat verband beschouwd worden als een beginsel dat er voor pleit om elk van deze denkkaders los te laten. Een interessant artikel hierover is dat van de filosoof D. Batens, Wetenschap en vrijzinnige waarden.45 Op zoek gaan naar de mate waarin wetenschappers van de VUB uitgingen van het beginsel van Vrij Onderzoek is echter niet gemakkelijk. Bronnen waar we sporen in vinden zijn de autobiografische geschriften van wetenschappers, hun brieven, hun dagboeken, hun artikels ook.46 Een mooi voorbeeld zijn de geïllustreerde memoires die Lydia Deveen uitbracht.47 Deze bronnen zijn vaak heel persoonlijk en daardoor maar mondjesmaat aanwezig in archieven. En het blijft twijfelachtig of ze iets prijsgeven over de relatie tussen de wetenschapper en Vrij Onderzoek of vrijzinnige waarden. Soms vinden we er sporen van terug in huldeboeken, artikels en biografieën. Als voorbeelden kunnen de studies over Leopold Flam,48 Roger Van Geen,49 Willy Calewaert50 of Michel Magits51 gelden. Deze studies belichten expliciet het vrijzinnig-humanistisch karakter en handelen van de professoren.

Indien de open geest een kenmerk van de vrijzinnige is, dan zou men mogen verwachten dat de vrijzinnige wetenschapper vragen stelt die ruimer zijn dan wat binnen bepaalde conventies in een bepaalde discipline thuishoort, en zich uitspreekt over wat – vanuit maatschappelijk en ethisch standpunt – eerst moet worden onderzocht, welke toepassingen moeten worden ontwikkeld, hoe de organisatie van het wetenschappelijk onderzoek moet worden aangepakt om maatschappelijk dienstbaar te zijn enz.52 We stellen vast dat verschillende wetenschappers van de VUB hun onderzoeksthema’s kozen (en nog kiezen) vanuit een vrijzinnig-humanistische invalshoek.
Daarvan zijn voorbeelden te over, te beginnen met de filosofen, zoals Leo Apostel, die een uitgebreide denkoefening over het Vrij Onderzoek verrichtte.53 Veelal komen hier beschouwingen over de verhouding tussen wetenschap en religie,54 kunst en vrijzinnigheid55 enz. bij. Maar ook historici, zoals Els Witte, die meer dan 40 publicaties over de geschiedenis van de levensbeschouwelijke problematiek, de vrijmetselarij en de vrijdenkersbeweging op haar naam heeft staan.56 Haar opvolger op dit gebied, Jeffrey Tyssens, heeft eveneens een grote interesse voor het thema. Hij beschreef ook heel wat vindplaatsen voor de bronnen over het onderwerp.57 Een goed voorbeeld van een jurist die zijn juridische kennis ten dienste stelde van zijn levensbeschouwing is Michel Magits, die een aantal belangrijke wetenschappelijke artikels en ook opiniestukken over de scheiding tussen kerk en staat, de evolutie en juridische situatie van het onderwijs, de erkenning van de vrijzinnig-humanistische levensbeschouwing en vrijzinnige rechten in het algemeen schreef.58 Verder zijn er gebieden in de wetenschap die voor vrijzinnige professoren bijzonder interessant zijn en waren om aan onderzoek te doen. Voor geneesheren was er het gebied van de kunstmatige inseminatie en in-vitro, de problematiek van de abortus, van de euthanasie enz. Voor sterrenkundigen is de studie van de planeten en het heelal als natuurfenomenen op zich al interessant genoeg, maar tegelijk blijft hun studie interessant om bijbelse opvattingen te toetsen.59 (Niet toevallig was één van de voormannen van de vrijzinnigheid in Vlaanderen, prof. Karel Cuypers, sterrenkundige.60) De vrijzinnige ingesteldheid is dus zeker niet alleen het terrein van de humane wetenschappers. Ook pedagogen, psychologen, juristen, biologen enz. putten met plezier uit vrijzinnige thema’s. Wat dat betreft kan inderdaad gesteld worden dat de VUB doordrenkt is van een vrijzinnig-humanistische levensvisie. De mate waarin de wetenschappers vrijzinnig-humanistische onderwerpen in diverse disciplines onderzochten, is echter niet systematisch onderzocht. Hier ligt nog een groot onderzoeksveld open.
Hiervoor zijn wel bronnen. De lange reeks van goedgekeurde dossiers van onderzoeksprojecten, geregistreerd door de dienst Research en Development, laat toe om systematisch de onderzoeksonderwerpen in bepaalde periodes te analyseren. Maar men kan deze problematiek ook opentrekken in tijd en ruimte. Welke themata behandelden de Vlaamse professoren aan de ULB? Hiervoor zal onderzoek gedaan moeten worden in de archieven van de ULB. Verschillen de onderzoeksprojecten van de VUB qua thematiek van onderzoeksprojecten van de KU Leuven, de UGent of de UAntwerpen? Hiervoor kan er ook beroep gedaan worden op de archieven van diensten die het onderzoek registreren, zoals het FWO.

Het schrijven van de onderzoeksgeschiedenis van diverse wetenschappelijke disciplines is echter een zeer grote opdracht, die getrapt moet worden aangepakt. Belangrijk is het wel, want momenteel ontbreekt de VUB nagenoeg volledig in overzichtswerken die de ontwikkeling van de wetenschappen bestuderen.61

Daarmee zijn we aanbeland bij het bestuderen van een wetenschap vanuit wetenschapssociologisch perspectief. Dit is het onderzoek naar de sociale organisatie van de wetenschap: de institutionele structuren, de oprichting van opleidingen, de evolutie van programma’s, het inrichten van vakken, de oprichting van leerstoelen en van prijzen en van tijdschriften verbonden aan de discipline, het organiseren van studiebijeenkomsten en congressen. Dit alles is verbonden met in de wetenschap heersende normen en praktijken.62 Hier beschikken we vaak over terugblikkende artikels of informatieve bundels naar aanleiding van jubilea,63 meer dan over systematisch onderzoek. Uitzondering daarop vormen de ingenieur-architecten, die hun doen en laten nog steeds illustreren met jaarboeken.64 Systematisch onderzoek is hier nodig, omdat er ook in de tweede helft van de 20ste eeuw een enorme evolutie is geweest in de wetenschappen, hetgeen zich vertaald heeft in nieuwe wetenschappen. De sportwetenschappen en kinesitherapie maakten zich los van de geneeskunde, de biomedische wetenschappen en de biotechnologie ontstonden, de communicatiewetenschappen deden hun intrede enz. Een groot aantal specialisaties verzelfstandigden zich of zijn zich nog aan het verzelfstandigen, zoals de gerontologie en geriatrie, de informatica, de actuariële wetenschappen, de fotonica, de bedrijfskunde, de agogiek, de criminologische wetenschappen, de linguïstiek, de archivistiek enz. Tegenwoordig kan men aan de universiteiten masterdiploma’s halen die een kleine 50 jaar geleden niet bestonden, zoals Masters in de Geneesmiddelenontwikkeling, Gezondheidszorg, Mariene en lacustriene wetenschappen, Stedenbouw en ruimtelijke planning, Toerisme, Cel- en genbiotechnologie, Computerwetenschappen, Onderwijskunde, Journalistiek, Gender en diversiteit enz. Om over de 20 master-na-masteropleidingen die de VUB alleen aanbiedt al maar te zwijgen.
Uiteraard kwamen deze opleidingen niet zonder slag of stoot tot stand en dat maakt onderzoek ernaar zeer boeiend. Zelfs indien de habitus (techniek, taal, waarden, denkwijzen) vastligt, zijn in het begin lang niet alle wetenschappers in de discipline overtuigd van het zelfstandig karakter van een ‘nieuwe’ wetenschap en heeft dit veel discussie en tijd nodig. De promotoren van de oude wetenschap beslissen vaak over de mate van verspreiding van de nieuwe. Er is een netwerk van geïnteresseerde wetenschappers nodig, een institutionalisering van de docentschappen en leerstoelen en aandacht voor de carrière-opbouw van jonge wetenschappers die zich in de nieuwe wetenschap willen bekwamen.65 Vaak heeft de universiteit zelf of een hogere overheid ook nog een vinger in de pap. Bovendien gaat de verzelfstandiging van een wetenschap meestal gepaard met een aderlating in personeel, financiën, bureauruimte, materialen enz. voor de vakgroep die uitzendt. Dit beperkt vaak de animo van de gevestigden om structurele veranderingen door te voeren. De collegiale besluitvorming beïnvloedt het proces. Kortom, al deze factoren leveren een bijzonder boeiend onderzoekskader.

Het historisch onderzoek naar de onderzoeksstructuren is nog onontgonnen terrein. De overheid heeft vooral oog gehad voor de middelen en de organisatie aan de universiteiten zelf overgelaten. Zelf heeft ze wel tijdens de staatshervormingen tussen 1988 en 1996 het NFWO geleidelijk gesplitst, waardoor het FWO-Vlaanderen ontstond.66 In 1998 heeft de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid een onderzoeksrapport laten opstellen om de besteding van de onderzoeksmiddelen te analyseren, waaruit bleek dat een evolutieschets in de tijd van de bestedingen voor onderzoek en ontwikkeling van de universiteiten op dat moment nog onmogelijk was.67 Hierin wordt gesteld dat de Vlaamse budgettaire inspanningen voor wetenschap en technologie in de tweede helft van de jaren 1990 (een periode van gunstige economische conjunctuur) sterk zijn toegenomen,68 en ook uit andere bronnen blijkt dat de subsidiëring van het wetenschappelijk onderzoek in absolute cijfers stijgt.69 Het stijgend aantal doctoraten bevestigt deze trend.70 De overheid heeft echter niet ingezet op een verbreding van het wetenschappelijk onderzoek, maar eerder op het onderzoek dat haar interesseert, via innovatieprogramma’s en speerpuntclusters, waardoor onderzoek dat het economisch draagvlak en potentieel vergroot, bevoordeeld wordt.71 Het aantal onderzoeksprojecten in de maatschappijwetenschappen en – in mindere mate – cultuurwetenschappen is dalend in de jaren 1970 en 1980, en ook in de periode vanaf 2003-2007 gaat het deze wetenschappen niet altijd voor de wind.72 Onderzoek naar normen, waarden en levensbeschouwingen in de samenleving liggen duidelijk niet in de hoogste schuif.

Over het algemeen is de geschiedenis van de institutionele onderzoeksstructuren ook binnen de VUB een nauwelijks ontgonnen terrein. Hier en daar heeft een wetenschappelijk centrum iets gepubliceerd over zijn geschiedenis, zoals bijvoorbeeld het Brussels Informatie-, Documentatie en Onderzoekscentrum (BRIO).73

De afgelopen twee decennia werd wel een overzicht opgesteld van bronnen die bij wetenschappelijk onderzoek gevormd worden74 en werd een overzicht gemaakt van de vitale stukken in projectdossiers die zich in wetenschappelijke centra bevinden.75 De jaarverslagen van de onderzoekscentra bevinden zich tot de jaren 1990 op de centra zelf of in de archieven van de dienst Research & Development, die een controlerende bevoegdheid had i.v.m. erkenning en toegekende onderzoeksgelden. Ook nu nog publiceren diverse centra hun jaarverslagen op de website.76 Pogingen om de wetenschapsrapportering te stroomlijnen mondden uit in databases (Rednet en PURE). Hiermee kunnen verschillende wetenschappelijke indicatoren (publicaties, projecten, projectteams enz.) worden opgezocht. Dat maakt historisch onderzoek naar wetenschappelijke output mogelijk, maar een periodisch overzicht wordt door deze databases niet gegeven. Bovendien is een degelijke bronnenkritiek noodzakelijk. Het laten invoeren van gegevens door de academici heeft heel wat voeten in de aarde gehad, omdat zij dit eerder als een last dan als een voordeel ervaarden.

Naast de evolutie van het onderzoek moet de geschiedenis van de relatie tussen onderwijs en vrijzinnigheid hier behandeld worden.77 De evolutie van de opleidingen en vakgroepen is over het algemeen bijzonder weinig bestudeerd. Toen de besparingen in de jaren 1970 en 1980 de universiteiten troffen, hebben deze naar nieuwe mogelijkheden gezocht om studenten aan te trekken. Dit kon door nieuwe studierichtingen en specialisaties op te richten, waardoor nieuwe (subsidieerbare) studenten naar de universiteit kwamen. De overheid wilde echter de vinger op de knip houden en beperkte aanhoudend de mogelijkheden om nieuwe opleidingen op te richten, hetzij met moratoria op het oprichten van nieuwe opleidingen, hetzij door de financiering in te dijken of af te schaffen. Eind jaren 1980 en begin jaren 1990 beloonde minister Vandenbossche opleidingen die samenwerkten nog met financiering (vb. de manama Archivistiek), maar de financiering voor manama’s werd ingetrokken door Vandenbroucke.78 De rationaliseringsrapporten van de Leuvense ererector Roger Dillemans (1997-1999) en latere rapporten legden vooral de nadruk op de negatieve gevolgen van het ontstaan van nieuwe opleidingen.79 De minister van Onderwijs vermeed hierbij angstvallig de vraag of de uitdeinende specialisatie in de wetenschap niet gevolgd moest worden door een uitbreiding van de onderwijsstructuren, zodat de toenemende specialisatie ook inhoudelijk in nieuwe opleidingen en geactualiseerd onderwijs zou terugkomen. Kennelijk werd en wordt aangenomen dat nieuw en hooggespecialiseerd onderzoek per definitie zijn weg vindt in het universitair onderwijs. Dat geldt uiteraard meer naarmate de student verder specialiseert (in de hogere studiejaren dus). Dit getuigt niet van een erg dynamische visie op inhoudelijke onderwijsvernieuwing en hierdoor ontbreken er in België een aantal belangrijke opleidingen die in het buitenland al lang aanwezig zijn, bijvoorbeeld een opleiding informatiewetenschappen.80 Op het eerste zicht wordt het hoger onderwijs door een dergelijke verstarring beperkt. Er is wel enige evolutie,81 maar die zou dringend diepgaand onderzocht moeten worden. Ten eerste heeft de recente academisering van de hogeschoolopleidingen mogelijk een stimulerende rol gespeeld om nieuwe opleidingen te laten ontstaan. Ten tweede werden er masteropleidingen van twee jaar (of meer) ingevoerd. Die werden overwegend aanvaard in de wetenschappen en technologie, in de geneeskunde en biomedische wetenschappen, in de rechten en psychologische en pedagogische wetenschappen, maar nauwelijks in de ‘andere’ humane wetenschappen (de letteren en wijsbegeerte en de economische, sociale en politieke wetenschappen). Opnieuw ligt de nadruk op de wetenschappen en de technologie eerder dan op de wetenschappen die maatschappelijke reflectie als voorwerp hebben. Maar deze ontwikkelingen zijn recent en verdienen verder onderzoek.

De ontwikkeling van de Nederlandstalige faculteit Rechten op de ULB en op de prille VUB is reeds bestudeerd naar aanleiding van haar vijftigjarig bestaan in 1985.82 Er is ook onderzoek gedaan naar het ontstaan en de geschiedenis van de communicatiewetenschappen (geïnstitutionaliseerd in 1972).83 Op de VUB ontstond die niet zoals in Leuven in de schoot van de faculteit Sociale en Politieke wetenschappen, of zoals in Gent vanuit de faculteit Rechten, maar wel in de faculteit Letteren, en meer bepaald uit de talen en de geschiedenis. De geschiedenis van de vakgroep architectuur is op hoofdlijnen onderzocht met het oog op de bronnen, in het kader van een instellingsoverschrijdend onderzoek.84 Voor de geschiedenis van andere opleidingen en wetenschappen aan de VUB beschikken we slechts over fragmentarisch materiaal, bijvoorbeeld voor de politieke wetenschappen,85 of voor de bio-ingenieurswetenschappen, waar de ontwikkeling van de vakgroep of faculteit op de website wordt toegelicht.86 Voor de opleiding Moraal wordt elders in deze gids een bijdrage geleverd door G. Coene. Voor de meeste opleidingen is geen geschiedenis geschreven, maar zijn wat eigentijdse documenten beschikbaar.87 Bronnen om dit te onderzoeken zijn er genoeg. De procedures om opleidingen te creëren of te veranderen verlopen bottom-up of top-down langs de vakgroepraden, faculteitsraden en de onderwijsraad. De notulen van deze organen zijn dan ook van cruciaal belang en meestal behoorlijk bewaard. Ook de correspondentie en thematische dossiers over onderwijshervormingen (vaak met plannen en simulaties) van vakgroepvoorzitters en decanen, vroeger vaak bewaard op de vakgroepen en nu vaak door de professoren zelf, zijn nuttig.

Daarnaast kan de vraag gesteld worden naar de onderwezen inhoud. Welke vakken met een levensbeschouwelijke insteek waren en zijn er aanwezig in programma’s van de opleidingen? Welke visie lag daaraan ten grondslag? Een wetenschappelijke opleiding kan nooit waardenvrij zijn en mag niet de pretentie hebben neutraal te zijn. De kans is groter dat een vrijzinnige de vraag om verruiming van bijvoorbeeld de abortuswetgeving met andere ogen bestudeert of betrekt in zijn lessen dan dat iemand die een religie aanhangt (waarin abortus normaliter verboden is) dit doet. Bovendien bestaat wetenschap niet alleen uit het ontdekken en overbrengen van feiten, maar moeten studenten ook leren om met die feiten om te gaan.88 In het verleden kenden sommige vakken een duidelijk politiek gekleurde invalshoek, zonder dat er aan de wetenschappelijke waarde getwijfeld kon worden, omdat die invalshoek door de docent ook duidelijk werd gecommuniceerd.89 Een aantal van deze vakken lijkt in de jaren 1990 door de vernieuwde tendens naar ‘verzakelijking’ en de val van het IJzeren Gordijn wat uit de programma’s verdwenen te zijn, maar dit is zeker een onderzoek waard. Of gaat de slinger nu gewoon weer de andere kant op? Het vak ‘Geschiedenis en problematiek van het vrije denken’ (jaren 1980; gedoceerd door Ronald Commers en nadien door Marc Van Den Bossche) is in het eerste decennium van de 21ste eeuw uit het programma weggedeemsterd, terwijl in academiejaar 2015/2016 het vak ‘Redelijk Eigenzinnig’, dat het vrije denken extra moet stimuleren, als algemene keuzemogelijkheid zijn intrede deed op de VUB. Dit vak werd als eerste ‘universiteitsbreed’ aangeboden.

Uiteraard staan vakken waar normen en waarden centraal staan, geprogrammeerd in de letteren en wijsbegeerte, maar hoe zit dat in de exacte wetenschappen of – veel delicater – in de geneeskunde? De vraag zou uitgebreid kunnen worden in vergelijkend perspectief: welke levensbeschouwelijke waarden komen in cursussen aan bod aan andere universiteiten? Via collegeroosters en correspondentie van professoren kan de programmatie van cursussen aan bv. de KU Leuven en de VUB worden onderzocht. Vervolgens moet de inhoud van gelijklopende cursussen worden geanalyseerd en worden vergeleken.

5.2.3. Het administratief en technisch personeel

De band die het administratief en technisch personeel (ATP) heeft met het vrijzinnig humanisme mag zeker niet vergeten worden. Deze groep loopt minder in de kijker, maar is wel dagelijks aanwezig op de universiteit en bepaalt daardoor mee de bedrijfscultuur. Het is echter heel moeilijk om documentaire sporen te vinden van hun vrijzinnigheid. Kwantitatief zijn er geen bronnen. Het bestuur van de universiteit vroeg bij aanwerving het principe van Vrij Onderzoek te ondertekenen, maar dat is lang verleden tijd. En wat bewijst de ondertekening van een dergelijke verklaring ten tijde van hoge werkloosheid? Werd dit serieus genomen door de ondertekenaar zelf? Waren hieraan consequenties verbonden? Wanneer en waarom die gewoonte werd ingevoerd en weer afgeschaft verdient zeker nadere studie.
Veel ATP zal voorkomen in externe bronnen: ledenlijsten van plaatselijke vrijzinnige verenigingen e.d., maar dit is onmogelijk te onderzoeken. Kwalitatief zien we bij creatieve evenementen het ATP er wel uitspringen. Bij tentoonstellingen op de campus profileren verschillende leden van het ATP – maar ook van het wetenschappelijk personeel – zich in hun werk als vrijzinnig. De bekendste hiervan is de internationaal doorgebroken cartoonist/beeldhouwer Norbert Van Yperzeele, die in zijn grafisch werk voortdurend vrijzinnige onderwerpen behandelt. Maar het ATP kent ook veel amateurkunstenaars (Luc Van Wanzeele, Eddy Maes,…),90 schrijvers of dichters, die de problematiek behandelen.

Concluderend kunnen we stellen dat er nog veel onderzoek kan gedaan worden naar de band tussen de VUB en het vrijzinnig humanisme. Toch vergt dit nog heel wat inspanningen; de bronnen geven hun informatie niet zo maar prijs. Gelukkig heeft CAVA hiervoor heel wat interessante bronnenreeksen. We hebben er verschillende aangehaald. Daarnaast beschikken we nog over een rijke fotocollectie, affichecollectie en artefactencollectie, die allerlei iconografisch onderzoek mogelijk maken.

We behandelden het onderwerp vanuit de VUB, maar we kunnen het ook omkeren en ons afvragen welke vrijzinnige verenigingen een rol gespeeld hebben bij het tot stand komen en in stand houden van de VUB. Dan liggen de archieven van HVV en UVV (deMens.nu), die zich eveneens bij CAVA bevinden, voor de hand. We hopen dat mensen na het lezen van deze onderzoekswijzer voldoende inspiratie opdeden om een interessant onderzoek te starten.

Voetnoten

  1. De vrije universiteiten zijn de Katholieke Universiteit Leuven en de Vrije Universiteit Brussel. Tot 2003 hoorde daar ook de UFSIA (Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen) bij en tot 1991 ook de Universitaire Faculteiten Sint-Aloysius (tot 2013 KUBrussel). De Rijksuniversiteiten bestonden uit de Rijksuniversiteit Gent (nu Universiteit Gent) en het RUC (Rijksuniversitair Centrum Antwerpen; 1852-2003). Toen in 1990 de bevoegdheid over het onderwijs werd overgeheveld naar de Gemeenschappen, viel de term rijksuniversiteit weg. Voor de historische groei van deze situatie zie K. Bertrams, De Universiteiten, in P. Van den Eeckhout & G. Vanthemsche, Bronnen voor de geschiedenis van het hedendaagse België, CrH-KCG, 2017, p. 274-278, www.kcgeschiedenis.be/pdf/bronnen/15Universiteiten.pdf.
  2. Studies over meerdere universiteiten tegelijk zijn – in tegenstelling tot in het buitenland – uiterst zeldzaam in België. P. Dhondt, Universiteitsgeschiedenis in België: meer dan een jubileumgeschiedenis?, in Mededelingenblad van de Belgische Vereniging voor Nieuwste Geschiedenis, 24 (2002), 4, p. 10; Jeffrey Tyssens deed dit wel in zijn artikel: Het Belgisch universitair systeem, 1817-1991: configuraties van bevoogding en autonomie, in Persoon en Gemeenschap. Tijdschrift voor opvoeding en onderwijs, LIII (2000), p. 155-168.
  3. In het Gulden Boek van de studentenkring Geen Taal Geen Vrijheid, dat dateert van 1886, wordt op één van de voorpagina’s duidelijk verwezen naar de ‘Vrije Hoogeschool Brussel’.
  4. Hierbij kwam nog dat de wet van 1911 rechtspersoonlijkheid verleende aan de Katholieke Universiteit Leuven en de Université Libre de Bruxelles. In de jaren 1960 spreken beleidsdocumenten over de hervorming van die wet van ‘de vrije universiteiten’ met rechtspersoonlijkheid. Het had dus tegelijk een zeker voordeel om de term te behouden, omdat ze verwees naar het gewenste juridische statuut.
  5. De formulering van 2014 luidt: “De Vrije Universiteit Brussel, […] grondt haar onderwijs, onderzoek en haar maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening op het beginsel van Vrij Onderzoek ten bate
    van de vooruitgang van de mensheid. Dit houdt de verwerping in van elk louter gezagsargument en de waarborg van vrije oordeelsvorming, nodig voor de maatschappelijke inschakeling van dit basisbeginsel.
    B.S. 6 november 2014, p. 84782. De formulering van 2014 is iets uitgebreider dan die van 1994; het onderstreepte deel geeft de uitbreiding van 2014 aan.
  6. O. Ongena, Een geschiedenis van het sociaaleconomisch overleg in Vlaanderen (1945-2010). 25 jaar SERV, Gent, 2010, p. 84-88.
  7. Het organiek statuut van 1994: “ยง 1 Tot de zending van de universiteit behoren:
    • – het ontwikkelen, het overbrengen en het toepassen van een hoogstaand academisch onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, vrij van elk vooroordeel;
    • – de maatschappelijke inschakeling hiervan in een geest van sociale bewogenheid;
    • – de kritische vorming van iedereen in het licht van de in de gemeenschap te dragen verantwoordelijkheid.”
  8. H. Samuels, Varsity Letters. Documenting Modern Colleges and Universities, New York/London, Metuchen, 1992, p. 20-22. Dit gaat heel wat verder dan art. 5 van het decreet van 12 juni 1991 (opgeheven in 2013), dat vraagt dat het academisch onderwijs bijdraagt tot de ‘algemeen menselijke vorming’.
  9. De campussen hebben dan nog een relatief hoog ‘eilandgehalte’, omdat ze niet vermengd zijn met de stad. Dit verandert momenteel door de aankoop van gebouwen rond de campus, het tot stand komen van de Universitaire Associatie Brussel (met vestigingen in het centrum) en – door de verhoogde toenadering tot de ULB – het ontstaan van een universiteitswijk in Elsene.
  10. Kleine groepen zoals het VNVHO (°1955), het Humanistisch Studentenverbond Gent (°1961) of plaatselijke afdelingen van HV buiten beschouwing gelaten. Zie Y. Beaurain, 50 jaar Humanistische Beweging: een kort historisch overzicht, in HVV Kaderblad, 2002, extra editie april, p. 13-14.
  11. F. Scheelings, Studentenbeweging (universitair onderwijs) – Brussel, in R. De Schryver, B. Dewever e.a. (red.), Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt, Lannoo, 1998, p. 2885.
  12. F. Scheelings, Studentenbeweging, p. 2887. Voor de bespreking van de moeizame totstandkoming van deze wet zie G. Kwanten, August-Edmond de Schryver, 1898-1991: politieke biografie van een gentleman, Leuven, 2001, p. 107-109.
  13. A. Despy-Meyer, A. Dierckens, F. Scheelings (red.), 25.11.1941: L’Université Libre de Bruxelles ferme ses portes, Bruxelles, 1991. Bestaat ook in een Nederlandstalige uitgave met als titel: 25.11.1941: De Université Libre de Bruxelles sluit haar deuren…, Brussel, 1991.
  14. J. Tyssens, Zaaien in de tuin van Akademos. Over het ontstaan van de Vrije Universiteit Brussel op het einde van de jaren zestig, in E. Witte en J. Tyssens (red.), De tuin van Akademos. Studies naar aanleiding van de vijfentwintigste verjaardag van de VUB, Brussel, VUBPress, 1995, p. 74-84.
  15. We nemen hier alleen de cijfers van de VUB. Rekent men al de studenten van de Universitaire Associatie Brussel (het samenwerkingsverband tussen diverse hogescholen en universiteiten in Brussel, goed voor ca. 18.000 studenten) en de studenten van de opleidingen van het CVO-Brussel, die les volgen in de gebouwen van de VUB, dan zou het aantal de 20.000 ruim overtreffen.
  16. We gaan hier niet in op de samenwerkingsakkoorden met de UGent en de ULB, waardoor telkens nieuwe samenwerkingsmogelijkheden ontstaan.
  17. 5 jaar Vrije Universiteit, Brussel, 28 mei 1975, Brussel, 1975. Een soortgelijke bundel verscheen bij het tienjarig bestaan. Op deze verjaardagen werd ook elders ingegaan; zoals Y. Peeters, De Vrije Universiteit Brussel, een jonge instelling met een oude traditie, in Ons Erfdeel, 19 (1976), www.dbnl.org/tekst/_ons003197601_01/_ons003197601_01_0112.php.
  18. N. Mondelaers, F. Scheelings, 25 jaar V.U.B. Universiteit en maatschappij, Brussel, 1995.
  19. E. Witte & J. Tyssens (red.), De tuin van Akademos. Studies naar aanleiding van de vijfentwintigste verjaardag van de VUB, Brussel, VUBPress, 1995.
  20. J. Tyssens, Zaaien in de tuin van Akademos …, p. 23-134.
  21. Voor een overzicht van deze bronnen verwijs ik naar: J. Tyssens, Het voormalige Ministerie van onderwijs en cultuur, in P. Van den Eeckhout en G. Vanthemsche, Bronnen voor de geschiedenis van het hedendaagse België, 2017, CrH-KCG, p. 489-495.
  22. De bevoegdheden Onderwijs en Wetenschapsbeleid waren uiteraard eerst federale materies, maar langzaam zijn ze of worden ze (nog) overgeheveld naar Vlaanderen. De gemeenschappen werden in 1970 principieel bevoegd voor onderwijs, maar de vele uitzonderingen maakten dat zij die bevoegdheid pas vanaf de derde Staatshervorming in 1988-1989 konden uitoefenen. In het Wetenschapsbeleid daarentegen blijft de federale overheid lang een belangrijke rol spelen. Het Vlaamse wetenschapsbeleid komt schoorvoetend uit de startblokken met de oprichting van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid in 1985 en na de overheveling van een aantal bevoegdheden in 1988-1989. Toch blijft er voor wetenschapsbeleid een zekere concurrentie met bevoegdheden van de federale overheid. Zie: VRWB. Een kwarteeuw Vlaams wetenschapsbeleid, 2009, p. 27-31. Zie: www.vlaanderen.be/nl/publicaties/detail/een-kwarteeuw-vlaamseraad-voor-wetenschapsbeleid-vrwb (geraadpleegd op 30 december 2017).
  23. Er is een grote keuze aan bronnen: de beleidsbrieven en beleidsnota’s van de respectieve ministers van Onderwijs, de schriftelijke vragen, de actuele vragen, verslagen, ontwerpen van decreet enz. Daarnaast zijn er de verslagen, initiatieven en dossiers van de Commissie voor Onderwijs. De openbaar gemaakte documenten zijn te raadplegen via www.vlaamsparlement.be/parlementaire-documenten.
  24. Zie: www.geschiedenisfwo.be/timeline/detail/154.
  25. Zie P. Drossens, S. De Smet, L. Van Haecke e.a., Inventaris van het archief van het bestuur Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek, Brussel, 2006. Deze inventaris betreft de periode tot 1979. Het vervolg is in de maak.
  26. In Gent vindt het pluralisme zijn oorsprong in de Rijksuniversiteit, waar katholieken en vrijzinnigen samen moesten leven. In Antwerpen zijn katholieken en vrijzinnigen gemengd door het samenvoegen van drie instellingen: het (pluralistische) Rijksuniversitair Centrum Antwerpen (RUCA) en de (katholieke) Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius (UFSIA) met de Universitaire Instelling Antwerpen (samenvoeging die liep over de periode 1973-2003), waaruit de Universiteit Antwerpen ontstaat.
  27. Redevoering van Paul De Knop over de positie die de VUB inneemt als vrijzinnige universiteit, uitgesproken in september 2013 en online te raadplegen via www.pauldeknop.be/downloads/vooropening20september%202013.pdf (geraadpleegd op 27 december 2015).
  28. N. Mondelaers en F. Scheelings, 25 jaar V.U.B., p. 16-20.
  29. R. Hebbelinck en N. Van Craen (red.), Campusarchitectuur sinds 1970, Bouwen aan de Vrije Universiteit Brussel, Brussel, VUBPress, 2015.
  30. U. Jacobs, Renaat Braem. Administratie- en Rectoraatsgebouw van de Vrije Universiteit Brussel 1971-1976, Brussel, VUB (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 2003; M. Loeckx, Het labyrintisch studentendorp (1971-1973) van de Vrije Universiteit Brussel op de campus Oefenplein te Etterbeek ontworpen door Willy Van Der Meeren (1923-2002), Brussel, VUB (onuitgegeven masterpaper), 2009; S. Van de Voorde, I. Wouters en I. Bertels, Post-war housing in Brussels. Student homes by Willy Van Der Meeren on the VUB campus in Elsene 1971-1973, Brussels, 2016, 66 p.; S. Van de Voorde & I. Wouters, Willy Van der Meeren en 3D-prefab in beton. Jong erfgoed onder druk, in Monumenten en Landschappen, 35 (2016), 4, p. 42-61.
  31. Archief BSG, CAVA Vrije Universiteit Brussel, Gulden Boek, verslag van 1880; zie ook F. Scheelings en K. Knaepen, Een Vlaamse studentenkring 150 jaar … jong, in UVV-info, 5 (2005), sept.-okt., p. 7.
  32. L. Goldman, Dons and Workers: Oxford and Adult Education Since 1850, Oxford, Clarendon, 1995, 376 p.
  33. M. De Vroede, Hogeschooluitbreidingen en Volksuniversiteiten, in Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, 1-2 (1979), p. 255-278.
  34. T. Joosen, Vrijzinnigheid bij de Brusselse studenten doorheen de tijd, in UVV-info, 5 (2005), sept.-okt., p. 28-32.
  35. F. Scheelings, Twee keer Vrij Onderzoek. De geschiedenis van het principe en de geschiedenis van zestig jaar Studiekring VO, verschenen op vrijonderzoek.wordpress.com/geschiedenis (geraadpleegd op 15 april 2016).
  36. T. Joosen, Vrijzinnigheid bij de Brusselse studenten…, p. 29-30.
  37. Deze bronnen worden bewaard bij CAVA. Zie voor nader onderzoek de OPAC van Pallas, te bereiken via www.cavavub.be.
  38. P. Bonte, De helaasheid der kringen: naar een beter begrip en nieuwe praktijk van vrij onderzoek, januari 2012, online te raadplegen via community.dewereldmorgen.be/blogs/t-zal-wel-gaan/2012/01/23/de-helaasheid-der-kringen-naar-een-beter-begrip-en-nieuwe-praktijk-v (geraadpleegd op 16 januari 2016), oorspronkelijk verschenen in Samenleving en politiek, 17 (2010), 3 (bijlage maart), p. 12-20, onder pseudoniem Gène de Trop Relire.
  39. Deze bronnen werden een eerste maal gebruikt om het doordringen van de meisjes in het studentenleven te schetsen, zie F. Scheelings, Les étudiantes dans les cercles estudiantins de la VUB, in Femmes de culture et de pouvoir, Liber amico/arum Andrée Despy-Meyer, Sextant, 13/14 (2000), p. 337-350.
  40. Schoon uit de toon! Het vrijzinnig zangfeest op de VUB sinds 1986, Brussel, CAVA-CVHE, 2015, 112 p.
  41. F. Scheelings, Twee keer Vrij Onderzoek. De geschiedenis van het principe en de geschiedenis van zestig jaar Studiekring VO, verschenen op vrijonderzoek.wordpress.com/geschiedenis (geraadpleegd op 15 april 2016).
  42. B. Henkens, Van nationale overkoepeling naar klein-linkse vakbond. De vereniging van Vlaamse studenten 1974 – 1983, Leuven, KUL (onuitgegeven licentieverhandeling), 1993.
  43. Chr. Verheyden, De archieven van het Universitair Centrum voor Ontwikkeling en Vrede (UCOV), het Universitair Centrum voor Ontwikkelingssamenwerking (UCOS) en de Internationale Vereniging van de Universitaire dagen van de Vrede (JUP), bewaard in het Universiteitsarchief van de VUB. Studie van de archiefvormers, studie van de archiefvorming, toepassing van PALLAS en inventarisering, Brussel, VUB (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 2007. De beschrijvingen van deze inventarissen zijn in de elektronische catalogus van CAVA opgenomen.
  44. T. Pollman, De letteren als wetenschappen: een inleiding, Amsterdam, Amsterdam University Press, 1999, p. 26-27; J.P. Van Bendegem, Inleiding tot de moderne logica en wetenschapsfilosofie: een terreinverkenning, Brussel, VUBPress, 2001.
  45. D. Batens, Wetenschap en vrijzinnige waarden, in D. Batens, B. Carlier, e.a., De specificiteit van vrijzinnig humanistische waarden, Brussel, (Studiereeks van het Tijdschrift van de Vrije Universiteit Brussel, 24), 1986, p. 1-14.
  46. Een voorbeeld: G. Ebinger, Vrijzinnige Geneeskunde, via gf.vub.ac.be/afscheid-prof-dr-ebinger.php (geraadpleegd op 20 januari 2016).
  47. L. Deveen-Depauw, Momenten in profiel. Tekening en tekst door Lydia Deveen-De Pauw, Brussel, Asp/VUBpress/Upa, 2011, 240 p.
  48. W. Elias, I. Cloet, H. Dethier, Leopold Flam (1912-1995): een filosoof van gisteren voor een wereld van morgen, Brussel, VUBPress, 2010, 445 p.; H. Dethier, W. Elias en S. De Raedt (red.), Op de gelukzalige eilanden: Leopold Flam en de utopie, Brussel, VUBPress, 2010, 733 p. Voor Flam verscheen ook een huldeboek: H. Bijleveld (red.), Provocatie en inspiratie: liber amicorum Leopold Flam, Antwerpen, Ontwikkeling, 1975.
  49. G. Cornelis, Zijn wereldbeeld, in G. Cornelis, E. Witte, I. Veretennicoff, Roger Van Geen. Een kritisch-optimistische kijk op onderwijs, wetenschap en maatschappij, Brussel, VUBPress, 1997, p. 167-196, met daarin specifiek een stukje over Vrij Onderzoek (p. 170-171). Elders in deze bundel komen nog diverse relevante passages voor die illustreren hoe Van Geen wetenschap beoefende.
  50. P. Hebberecht, Willy Calewaert (1916-1993): van een humanistisch en progressief aanhanger van het ‘nieuwe sociaal verweer’ tot een kritisch criminoloog van de naoorlogse ‘georganiseerde’ moderniteit, in M. Cools, T. Daems e.a. (red.), 75 jaar Criminologie aan de Universiteit Gent, Antwerpen, Maklu, 2013, p. 33-45.
  51. D. De Ruysscher, M. De Metsenaere en P. De Hert, Biografie Michel Magits, in D. De Ruysscher, P. De Hert en M. De Metsenaere, Een leven van inzet. Liber amicorum Michel Magits, Mechelen, Kluwer, 2012, p. xxxi-xlii. Elders in deze bundel komen verschillende studies voor die aansluiten bij het vrijzinnig perspectief van de gehuldigde.
  52. D. Batens, Wetenschap en vrijzinnige waarden …, p. 12.
  53. L. Apostel, Vrij Onderzoek. Van negatie naar bevestiging, van leuze naar beginsel, Brussel, Oudstudentenbond, 1962.
  54. M. Gosselin, Wetenschap & geloof. Eeuwig onverzoenlijk, Antwerpen, Hadewijch, 1995; J.P. Van Bendegem, Wetenschap en religie: zo verzoenbaar als men maar wil, in Mores, 42 (1997), p. 381-388.
  55. Vooral Willem Elias heeft hier veel over gepubliceerd. Bijvoorbeeld W. Elias, Kunst en vrijzinnigheid, in D. Batens, B. Carlier, e.a., De specificiteit van vrijzinnig humanistische waarden, Brussel (Studiereeks van
    het Tijdschrift van de Vrije Universiteit Brussel, 24), 1986, p. 59-94; alsook zijn artikel in deze bundel.
  56. Els Witte: bio-bibliografie, in G. Vanthemsche, M. De Metsenaere en J.C. Burgelman, De Tuin van Heden. Dertig jaar wetenschappelijk onderzoek over de hedendaagse Belgische samenleving. Een bundel studies aangeboden aan Professor Els Witte naar aanleiding van haar emeritaat, Brussels, VUBPress, 2007, p. 603-605.
  57. J. Tyssens, Vrijmetselarij en vrijzinnige organisaties, in P. Van den Eeckhout en G. Vanthemsche (red.), Bronnen voor de studie van het hedendaagse België, 19de-20ste eeuw, Brussel, Koninklijke Commissie voor Geschiedenis, 2009, p. 1049-1067.
  58. D. De Ruysscher, Bibliografie Michel Magits, in D. De Ruysscher, P. De Hert en M. De Metsenaere (red.), Een leven van inzet. Liber amicorum Michel Magits, p. XLIII-LII.
  59. Verschillende theologen menen bijvoorbeeld dat de aarde van andere planeten verschilt omdat ze van God een uitzonderlijke plaats in de kosmos gekregen heeft. Een voorbeeld: www.middletownbiblechurch.org/sciences/lifeplan.htm. Dat is vanuit een wetenschappelijk perspectief uiteraard bediscussieerbaar. Voor een toegankelijk overzicht over mythes en de hemel zie G. Cornelis en S. Simoens, Tot waar gaat de hemel? Brussel, Vrijzinnig Ontmoetingscentrum Karel Cuypers, 2004, 48 p.
  60. E. Willekens, Karel Cuypers 1902-1986, profiel van een humanist, Brussel (Reeks prominente vrijzinnigen, 2), 1987.
  61. Het werk van R. Halleux, J. Vandersmissen, A. Despy-Meyer, e.a., Geschiedenis van de wetenschappen in België, 1815-2000, Brussel, Dexia/La Renaissance de Livre, 2001 (2 delen), laat bijvoorbeeld het wetenschappelijk werk op de VUB volledig buiten beschouwing. In de auteurslijst komen ook geen wetenschappers van de VUB voor.
  62. Belangrijke auteurs in de wetenschapssociologie zijn R.K. Merton, T. Kuhn, B. Latour, B. Barnes, D. Bloor, M. Callon en J. Law. De antropologische benadering van het wetenschappelijk bedrijf van Latour sloeg ook bij een groot publiek aan. Zie: B. Latour, Science in action: how to follow scientists and engineers through society, Cambridge (Mass.), Harvard University Press, 1987. Voor een kort toegankelijk overzicht van de geschiedenis van de wetenschapssociologie kan verwezen worden naar B. Van Kerkhove, In de voetsporen van Thomas Kuhn: Naar een volwaardige wetenschapssociologie, verschenen op www.vub.ac.be/CLWF/bart/upv/kuhn.pdf.
  63. Bijvoorbeeld de artikelenreeks die aandacht besteedde aan het dertigjarig bestaan van het Academisch Ziekenhuis van de VUB, in mUZe, het medisch magazine van het UZ Brussel, 3 (2007), juli-september.
  64. 7 x 5. 35 jaar opleiding Ingenieur-architect aan de Vrije Universiteit Brussel (1979-2014), Gent, 2013.
  65. E. Witte, Pioniers en pionierswerk. De Belgische contemporaine vakgeschiedenis tussen 1890 en het midden van de jaren 1950, in G. Vanthemsche, M. De Metsenaere en J.C. Burgelman, De Tuin van Heden, p. 21.
  66. H. Balthazar, Enkel in dienst van de wetenschap, van NFWO naar FWO 1928-2008, in Kennismakers. 80 jaar Fonds Wetensschappelijk Onderzoek – Vlaanderen, Gent, 2008, p. 11-47.
  67. D. Raspoet (o.l.v. E. Monard), O&O-bestedingen van de Vlaamse universiteiten. Analyse, Brussel, VRWB, juni 2002, p. 57. In de rapportering over de innovatiegelden wordt evenmin ingegaan op de universiteiten: L. Soete (red.), Eindrapport. Expertgroep voor de doorlichting van het Vlaams Innovatie-Instrumentarium, november 2007, p. 6. Zie: www.iwt.be/sites/default/files/eindrap_doorlichting_innovatie_instrumentarium.pdf (geraadpleegd op 4 juli 2017).
  68. D. Raspoet, O&O-bestedingen van de Vlaamse universiteiten, p. 7.
  69. Zie www.geschiedenisfwo.be/graphic/financiele-statistieken/23. Dit wordt bevestigd door de stijgende onderzoeksinkomsten van de VUB, waar we van een slordige 70 miljoen in 2007 naar meer dan 90 miljoen gaan in 2014/2015 (sommen op basis van de jaarverslagen).
  70. In de periode 1991/1992 tot 2000/2001 stijgt het aantal doctoraten met 44% en in de periode 2002/2003 tot 2011/2012 bedraagt de stijging nog eens 93%. Vlaams Indicatorenboek 2003, Brussel, 2003, p. 36 en Vlaams Indicatorenboek 2013, Brussel, 2013, p. 39.
  71. Zie: www.ewi-vlaanderen.be/nieuws/speerpuntclusters-focus-samenwerking-en-impact.
  72. Zie: www.geschiedenisfwo.be/graphic/projecten/16.
  73. R. De Groof, R. Janssens, A. Mares, e.a., Van BRUT tot BRIO: dertig jaar onderzoek over Brussel, in G. Vanthemsche, M. De Metsenaere en J.C. Burgelman, De Tuin van Heden, p. 265-298.
  74. F. Scheelings, Hedendaagse wetenschapsarchieven aan de Vrije Universiteit Brussel: een status questionis, in G. Janssens, G. Marechal en F. Scheelings, Door de archivistiek gestrikt. Liber amicorum prof. dr. Juul Verhelst, Brussel, VUBPress (Archiefinitiatie(f), 4), 2000, p. 233-258.
  75. K. Selleslach, Inventaris van het archief van het laboratorium voor Artificiele Intelligentie van de VUB (1983-1999), Brussel, VUB (onuitgegeven verhandeling), 2004.
  76. Bijvoorbeeld het Interuniversity Institute for High Energies, zie www.iihe.ac.be/annualreports.php.
  77. Helaas zijn er over de geschiedenis van het universitair onderwijs en de relatie met de overheid tijdens de afgelopen 50 jaar nauwelijks werken geschreven. Een algemeen overzicht vindt men wel in E. Witte, A. Meynen en D. Luyten, Politieke geschiedenis van België, Manteau, 2016. Verder zijn er artikels over een aspect van het beleid, bijvoorbeeld over de strijd van de studenten tegen de overheidsmaatregelen beschikbaar (de eerder aangehaalde catalogus van Scheelings, Mondelaers en de verhandeling van B. Henkens, Van nationale overkoepeling naar klein-linkse vakbond. De vereniging van Vlaamse studenten 1974 – 1983, Leuven, KULeuven (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1993 en T. Van Damme, VUB op stelten!: een studie van studentenprotest en de rol van de SOR in de jaren ’70 en ’80, Brussel, VUB (onuitgegeven masterpaper), 2013. Er is echter nog te weinig synthesewerk gedaan.
  78. Het financieringsdecreet werd op 5 maart 2008 door het Vlaams Parlement goedgekeurd en op 14 maart 2008 door de Vlaamse Regering bekrachtigd.
  79. In het rapport Optimalisatie en rationalisatie van het hoger onderwijslandschap en -aanbod. Rapport van de Ministeriële Commissie aan de heer Frank Vandenbroucke, Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming van februari 2008 beklemtoont de commissie op p. 9 de belangrijkste risico’s: “versnippering en onnodige duplicatie van aanbod; overlappend aanbod van gelijkaardige opleidingen; onvoldoende diversiteit van opleidingen; kwaliteitsverlies door gebrekkige personele, onderzoeksmatige en infrastructurele basis van opleidingen; ondoelmatige besteding van financiële en personele middelen, onevenwichtigheid in de inzet van personeel (te grote onderwijsbelasting en te weinig tijd voor onderzoek), en overbelasting van personeel en voorzieningen. De gevolgen van die risico’s kunnen verreikend zijn: suboptimale kwaliteit van opleidingen, onvoldoende gediversifieerde en gespecialiseerde opleidingen, te geringe dynamiek in het opleidingenaanbod, en uiteindelijk verlies aan competitief vermogen van het Vlaamse hoger onderwijs in de Vlaamse en Europese kennismaatschappij.” De commissie meent dat de minister door rationalisering uiteindelijk moet “de efficiëntie en doelmatigheid van hogere onderwijsinvesteringen verhogen door een zo optimaal mogelijke verhouding te creëren tussen input (aantal studenten, aantal opleidingen, inzet van middelen) en output (studiesucces, kwaliteit van opleidingen) om ruimte vrij te maken voor nieuwe, toekomstgerichte opleidingen en specialisaties.” De commissie gaat helaas niet in op het laatste gedeelte van de zin, waardoor een verschraling van het onderwijslandschap plaatsvond. Zie: www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/publicaties/rapport_optimalisatie_en_rationalisering.pdf (geraadpleegd op 12 januari 2015).
  80. We bedoelen hier niet de zuiver technische opleiding, zoals informatica, maar wel de wetenschap “die zich richt op informatie waarmee het denken en handelen van mensen en organisaties wordt vastgelegd en gedistribueerd.” Zie G.M. Van Trier, Inleiding informatiewetenschap, in Handboek Informatiewetenschap voor bibliotheek en archief, Houten, 1996, p. 100-5.
  81. We ontbreken studies over de geschiedenis van het onderwijs tijdens de afgelopen vijf decennia. Wel zijn er rapporten over zaken die de beleidsvoerders of de beleidsinstellingen (zoals de VLIR) speciaal interesseren of hebben laten onderzoeken. Bijvoorbeeld: I. Nicaise en P. Van Avermaet, Gelijke kansen in het hoger onderwijs, Brussel, VLIR, 2015; S. Groenez, Onderwijsexpansie en democratisering in Vlaanderen, KULeuven, 2008, zie: www.academia.edu/333822/Onderwijsexpansie_En_democratisering_In_Vlaanderen.
  82. G. Baeteman, e.a., Vijftig jaar faculteit der Rechtsgeleerdheid VUB. Feestbundel naar aanleiding van de feestzitting van 27 november 1985, Antwerpen, Kluwer, 1987, met hierin artikelen van P. De Vroede (over de algemene evolutie van de rechtsfaculteit) en van G. Baeteman (over de bijdrage van de faculteit rechtsgeleerdheid van de VUB aan de ontwikkeling van de rechtswetenschap).
  83. C. Pauwels en J-C. Burgelman, Communicatiewetenschappen: multidisciplinariteit als bron en toekomst, in G. Vanthemsche, M. De Metsenaere en J.C. Burgelman, De Tuin van Heden, p. 560-570.
  84. Bronnengids Architectuuronderwijs Vlaanderen, Antwerpen, 2012, p. 135-138 en 221-223.
  85. We beschikken eerder over fragmentarisch materiaal, zoals voor de politieke wetenschappen: P. Stouthuysen, P. Meier en D. Kavadias, Volgers, geen trendsetters. De politieke wetenschappen in België sinds 1970, in G. Vanthemsche, M. De Metsenaere en J.C. Burgelman, De Tuin van Heden, p. 581-582.
  86. we.vub.ac.be/nl/vakgroep-bio-ingenieurswetenschappen/geschiedenis (geraadpleegd in juni 2016).
  87. Bijvoorbeeld: Een gesprek tussen Leo Apostel en Ronald Commers over de Opleiding Wijsbegeerte, in Omweg, Tijdschrift voor Wijsbegeerte en Ethiek, 5 (1985), 2. Dit artikel gaat over de inhoud van de opleiding Moraalwetenschappen; niet over de groei ervan.
  88. P. De Knop en J.P. Van Bendegem, Onderwijs zonder visie op mens en maatschappij? in D. De Ruysscher, P. De Hert en M. De Metsenaere (red.), Een leven van inzet. Liber amicorum Michel Magits, Mechelen, Wolters Kluwer, 2012, p. 738-740.
  89. Zoals bijvoorbeeld ‘Geschiedenis van de arbeidersbeweging vanaf de industriële omwenteling’ (gedoceerd in de jaren 1970 door de notoire marxist Leo Michielsen) of vakken als ‘Politieke structuren van de socialistische landen’ (gegeven in de jaren 1980 door de marxist Ernest Mandel) of ‘Marxistische economie’ (door Dirk Frantzen).
  90. Luc Van Wanzeele was in de jaren 1990 diensthoofd van de diensten Inschrijvingen en Studieadvies. Hij maakt schilderijen en objecten. Eddy Maes doctoreerde in de wetenschappen en was verbonden aan EDUCO, de dienst die het onderwijs ondersteunde met audiovisuele middelen en evaluaties door middel van de computer. Zijn hobby is fotografie. Hij schonk veel van zijn foto’s aan het archief van de universiteit.


Verwijzen naar dit artikel kan als volgt: Scheelings Frank, De verwevenheid van de vrijzinnig-humanistische levensbeschouwing en de Vrije Universiteit Brussel in historisch perspectief. Mogelijkheden tot onderzoek, in Op zoek… De evolutie van het vrijzinnig humanisme in Vlaanderen sinds de Tweede Wereldoorlog, Brussel, Centrum voor Academische en Vrijzinnige Archieven, 2018, pp. 113-140.

Deze pagina werd voor het laatst geüpdatet op 10 april 2018.

Reacties gesloten