Eddy Borms — Officieel onderwijs en niet-confessionele zedenleer

1. Situering

Twee zaken wil ik belichten. Dat er sprake is van een niet-confessionele zedenleer (NCZ) in het onderwijs is niet vanzelfsprekend. De schooloorlogen zijn hier de context. De actoren hebben een verschillende kijk, niet alleen tijdens het conflict, maar ook nadien als het pact in de vorm van schoolpact wordt uitgewerkt. De ene partij zal het niet-confessionele karakter willen minimaliseren tot zelfs doen verdwijnen en de zedenleer tot een ‘restvak’ willen reduceren, de andere partij zal dit karakter als evident uitdragen. De kernbegrippen zijn hier ‘niet-confessioneel’ en ‘neutraliteit’. Een tweede aspect is de dynamiek van het Schoolpact. Er is een historische dynamiek die maakt dat een moment zoals het Schoolpact zelf gebeurtenissen creëert. Uiteindelijk komen we uit op een modus vivendi waarin respect voor andere levensbeschouwingen naast belangstelling voor de eigen identiteit belangrijk is. Het kernbegrip is hier ‘pluralisme’. Binnen de context van een ‘multiculturele’ samenleving krijgt dit er een dimensie bij. Gelet op het bestek van deze bijdrage zal het tweede aspect korter worden belicht.

2. Twee schooloorlogen

Het officieel onderwijs wordt ingericht door gemeenten, provincies, de staat of, sinds het ontstaan van de gemeenschappen, deze laatste. Specifiek voor de levensbeschouwelijke vakken zal de Vlaamse gemeenschap een heel andere richting uitgaan dan haar Franstalige tegenhanger.

Naast het officieel onderwijs is er het vrij onderwijs, waarvan de grootste groep het vrij katholiek onderwijs is. Deze verschillende onderwijsnetten hebben met elkaar een woelige geschiedenis gehad. De meest turbulente periodes worden gekarakteriseerd door twee schooloorlogen, de eerste van 1878 tot 1884 en de tweede van 1950 tot 1958. Maar reeds voor 1878 en zelfs 1830, het ontstaan van het Koninkrijk België, zijn de breuklijnen aanwezig en dit in gans Europa. Ze beginnen tijdens de Oostenrijkse, Franse en Nederlandse periodes in onze contreien en betreffen de strijd tussen overheid en kerk, over wie de seminaries van priesters controleert en wie de opleiding van ambtenaren.

In de periode na 1830 zijn er verschillende wetten in België die hun belang hebben en meestal het begin of einde van een conflict aangeven:

  • – wet-Nothomb (1842);
  • – Conventie van Antwerpen (1853);
  • – wet-Van Humbeeck (1879);
  • – wet-Beernaert (1884);
  • – wet-Schollaert (1895);
  • – wet-Destrée (1924);
  • – wet-Buset-De Schrijver (1948);
  • – wet-Harmel (1951);
  • – wet-Collard (1955);
  • – Schoolpactwet (1959).

Een terugkerend gegeven van strijd en discussie is de wijze waarop de meerderheidsgodsdienst, de rooms-katholieke, een verplicht vak is voor alle schoolgaande kinderen. Een ander vast gegeven is de interpretatie van ‘vrijheid van onderwijs’ en de subsidiëring van dit vrij onderwijs. Dat laatste blijft ook na 1959 doorwerken. Na het Schoolpact is minister Coens een van de eerste onderwijsministers van christendemocratische strekking. Van 1981 tot 1988 is hij minister van Nationale Opvoeding op federaal niveau, van 1988 tot 1992 is hij de eerste Vlaamse minister van Onderwijs. Zijn motto is ‘de lat gelijk leggen’ qua subsidiëring van de netten.

Wetten reflecteren de ideologische achtergrond. In de 19de eeuw is dit een strijd rond de moderniteit en de uitwerking van verlichtingsideeën van een eeuw daarvoor. De kerk is virulent tegen de moderniteit, getuige een aantal pauselijke encyclieken: ‘Mirari vos’ (1832) en ‘Quanta cura’ (1864). De tegenhangers zijn de vrijdenkersbonden. Vanaf de 19de eeuw vragen zij om een niet-confessionele moraal in te richten, maar dit stoot op verzet van de bisschoppen. Dit is het begin van een lange geschiedenis van uitstel en katholieke veto’s tegen de NCZ. In het begin is zelfs het woord ‘zedenleer’ of ‘moraal’ uit den boze. Terwijl de wet-Nothomb van 1842 spreekt van godsdienst en moraal, wordt dit tien jaar later weer alleen godsdienstonderricht. De Conventie van Antwerpen van 1853 bepaalt dat alleen bedienaars van de katholieke eredienst godsdienstonderwijs mogen geven; voor niet-katholieke leerlingen is vrijstelling mogelijk, maar wordt er niets voorzien. Zelfs de prefect en de andere leraren moeten de principes van de katholieke moraal bijbrengen. De clerus zorgt ervoor dat haar, en enkel haar, morele regels worden uitgedragen. In de steden voeren de vrijdenkers actie met het verspreiden van brochures waarin de vrijstellingen worden gepromoot.

De wet-Van Humbeeck van 1879 tracht godsdienstonderricht en zedenleer weer uit elkaar te halen. De bedoeling is dat de onderwijzer een niet-dogmatische zedenleer zou geven. Dit is zeker geen voorafspiegeling van de latere NCZ. De inhoud ervan zijn de gemeenschappelijke ideeën van de godsdiensten: “l’ensemble des devoirs de l’homme envers Dieu, envers ses semblables, envers eux-mêmes […]”. Het doel blijft: “la préparation aux vertus chrétiennes et sociales“.1 Lory beschrijft dit als een confessionele neutraliteit: “dans le sens d’une neutralité presque confessionelle“.2 Magits wijst erop dat Van Humbeeck zelf aangeeft dat de meeste voorschriften van de Tien Geboden een onlosmakelijk deel zijn van de moraal die wordt onderwezen.3 De vrijdenkers zijn hiermee uiteraard niet opgezet. Toch begint de eerste schooloorlog met het halsstarrig verzet van de clerus. In 1884 behalen de katholieken een absolute meerderheid. Ze behouden die tot 1919. Enkel in de normaalscholen blijft een cursus ‘Moral-Savoir-vivre’ behouden, terwijl tezelfdertijd het K.B. van 15 juni 1881 in deze normaalscholen het godsdienstonderricht opnieuw verplicht maakt. Minister Schollaert stelt dat zijn wet de bedoeling heeft om ‘la morale purement laïque’ op te ruimen: “la morale ne peut trouver de fondement en dehors de la religion.4

Tijdens het interbellum is voor de houding van de bisschoppen de encycliek ‘Divini Illius Magistri’ (1929) van belang. Deze grijpt terug naar de ‘Codex Iuris Canonici’, het Canoniek Recht van 1917: de kerk heeft als missie haar gelovigen op te voeden. Pius XI waarschuwt voor het schrappen van godsdienstonderwijs in de scholen. Hij prijst fundamentalistische organisaties zoals de Katholieke Actie die in het levensbeschouwelijk alsook politiek pluralisme een vorm van verval zien. Het doel is een herkerstening van de maatschappij en het onderwijs is het middel bij uitstek.

De eis om NCZ in te richten blijft bestaan. Maar het episcopaat en de katholieke partij willen niet dat gelovigen en niet-gelovigen in het officieel onderwijs op voet van gelijkheid worden gesteld. Sommige vrijdenkers richten zich op het onderwijs met drukkingsgroepen zoals de Ligue de l’Enseignement en het Algemeen Verbond ter bevordering van het Officieel Onderwijs. Hoewel de vrijdenkersbeweging zendtijd krijgt op de radio (1933) en morele kwesties ter sprake brengt, gaat levensbeschouwelijk links omwille van de coalitieregeringen het conflict uit de weg. Ze opteren voor een vak burgerlijke opvoeding waarin men zich niet uitspreekt over morele kwesties en zeker geen levensbeschouwelijk alternatief voor godsdienst wil aanbieden. In die zin bepaalt de wet van Jules Destrée (K.B. van 20 september 1924) dat de vrijgestelde leerlingen in het middelbaar onderwijs verplicht een cursus ‘burgerlijke moraal’ moeten volgen. Deze cursus stelt “de leraar in de gelegenheid […] zijn jonge toehoorders te onderhouden over de grote zedelijke vraagstukken welke zich te allen tijde hebben voorgedaan: de plichtsvervulling in al haar vormen, de rechtvaardigheid, de goedheid, de moed, de naastenliefde, de eerbiediging der menselijke waardigheid, de eerbied voor de wetten, de samenhorigheid, ‘s mensens lot […]”5

Pas na WOII komt er beweging in de geesten. De democratisering van het onderwijs maakt opgang. Tussen 1945 en 1950 is er een explosieve groei van leerlingen in het rijksmiddelbaar onderwijs. De gemiddelde populatie komt per school hoger te liggen dan in het katholieke middelbaar onderwijs. Het laatste vraagt hogere inschrijvingsgelden, zodat minder gegoede katholieke ouders voor het rijksonderwijs kiezen. Hiermee ontstaat er een andere mentaliteit dan de anti-houding van de Katholieke Actie die elke vorm van pluralisme weigert. Tevens heeft het succes van het personalisme in het katholicisme invloed. Bij de bisschoppen en de katholieke rechterzijde blijft deze mentaliteitsverandering uit.

Toch realiseert de wet-Buset-De Schrijver in 1948 een evenwaardige keuze tussen godsdienst en NCZ in het rijksmiddelbaar onderwijs. Dit begint met de verplichting die Camille Huysmans als minister van Openbaar Onderwijs invoert om aan de ouders een keuzeformulier ‘godsdienst-moraal’ voor te leggen. Voor het eerst duikt in wetteksten de term ‘niet-confessionele zedenleer’ op. Het onderricht ervan wordt ingericht door de minister van Openbaar Onderwijs. Twee inspecteurs, een per taalrol, worden voor NCZ in het middelbaar en normaalonderwijs aangesteld. Voor het lager onderwijs blijft godsdienstonderwijs verplicht, met mogelijkheid tot vrijstelling. Pas met de Schoolpactwet wordt de keuze voor NCZ ook in het lager onderwijs mogelijk.

3. Schoolpact

De Schoolpactwet (1959) erkent twee grote onderwijsnetten, het vrije en het officiële onderwijs. Beide krijgen dotaties en subsidies. Het secundair onderwijs wordt kosteloos, naar analogie van het lager. Voor het officieel onderwijs is de overheid de inrichtende macht. In 1959 is dat de staat voor het rijksonderwijs, de provincie voor het provinciaal en de gemeente voor het gemeentelijk onderwijs. Met de oprichting van de gemeenschappen nemen zij de rol over van de staat over en wordt het rijksonderwijs, gemeenschapsonderwijs. De vrije keuze wordt voorzien met de passus “een school naar keuze binnen redelijke afstand” en door het invoeren van NCZ als een keuze naast de godsdiensten in het officieel onderwijs. De keuze is verplicht.

Met het Schoolpact zijn niet alle twistpunten weggewerkt. Bij het schrijven en het implementeren van het pact zijn er discussies, achterhoede- en openlijke gevechten; nog smeulende en actieve vulkanen. Al is de naam NCZ gelanceerd, toch blijft de visie op het vak verschillen. De groep die zich niet gelukkig voelt met de introductie minimaliseert het als ‘restvak’, een neutraal ‘restvak’ voor die leerlingen die geen geëngageerde keuze maken. Met deze visie wordt van de leraren verwacht dat ze zich niet geëngageerd uitspreken. De visie van de verdedigers van het vak staat hier diametraal tegenover. Voor hen is de zedenleer die niet is gebaseerd op een confessie een gefundeerde levensbeschouwing. Waarop? Wetenschap, vrij onderzoek, menselijk denken en ervaren, maar geenszins op een transcendente waarheid. Dit binnensluipen in het onderwijs van een moraal zonder god blijft voor sommigen onverteerbaar.

De strijd wordt gevoerd rond het begrip ‘neutraliteit’. De bisschoppen hanteren een strikte interpretatie: 1) in de openbare school mag geen specifieke wijsgerige leer verkondigd worden; 2) er mag geen partij gekozen worden op filosofisch of politiek vlak; 3) een rationalistische invulling kan niet, want voor de katholieken is wetenschap beperkt, geloof en de transcendente waarheid zijn superieur; 4) vrij onderzoek omdat het de dogma’s en zo het bovennatuurlijke verwerpt is niet neutraal.6 Echter van bij het begin is duidelijk dat de invulling van het vak NCZ hiervan afwijkt. Socialisten en liberalen verdedigen een wetenschappelijke benadering op basis van vrij onderzoek. Minister Larock schrijft in zijn omzendbrief van 1961 inzake neutraliteit: “men kan enkel de waarheid bereiken door niets als zeker te aanvaarden zonder gegronde bewijzen“.7

De eerste twee criteria – geen specifieke wijsgerige leer en geen partijpolitiek – zullen behouden blijven en dit tot op vandaag. We vinden dit terug in de principeverklaring van de ‘Deontologische richtlijnen voor personeelsleden belast met NCZ’, opgesteld door de Raad voor Inspectie en Begeleiding Zedenleer: “Het kan noch mag de bedoeling zijn de lessen zedenleer ten dienste te stellen van, of te geven in functie van standpunten van een bepaalde maatschappijopvatting of een dogmatische leerstelling.” En: “Vrij onderzoek en eenzijdige duiding zijn niet met mekaar te verzoenen. Bijgevolg kan de leraar nooit een specifieke wijsgerige leer verdedigen.8 Vetgedrukt staat vrij onderzoek als denk- en werkmethode voor de cursus NCZ.

Vrij onderzoek en het niet-confessionele karakter zijn ook in de jaren 1960 de speerpunten. Cruciaal is de ‘Schoolpactresolutie inzake neutraliteit van 8 mei 1963’, die uitdrukkelijk ruimte laat voor engagement: “Op bepaalde punten nochtans – en wanneer de omstandigheden hem daartoe nopen – moet de titularis, op bedachtzame wijze, getuigenis kunnen afleggen van zijn persoonlijke overtuiging en de grondslagen ervan.” En: “De cursus in de NCZ is een in sociologische, psychologische en historische verantwoordingen, wortelende leidraad der morele menselijke handelingen. Hij doet geen beroep op verklaringen van godsdienstige aard.” Als de leraar wordt aangemaand tot voorzichtigheid dan is dit bedoeld voor zowel de leraar NCZ als godsdienst. Deze leraren krijgen een bijzondere positie binnen het kader van neutraliteit door het begrip ‘getuigenis’. En dit wordt tegenover de leraren van andere vakken gesteld: “Met uitzondering van de hierboven vermelde leergangen [nl. NCZ en godsdienst] noopt de neutraliteit de leraar ertoe te weigeren voor zijn leerlingen getuigenis af te leggen […]”. Als er wordt gesteld dat de leraren van de levensbeschouwelijke vakken geen leerlingen mogen ronselen, in de Schoolpactresolutie als proselitisme omschreven, dan geldt dit ook voor de leraren godsdienst.

Met de resolutie is duidelijk dat NCZ een geëngageerde keuze is. Dat is ook maatschappelijk te zien. De eerste inspecteur, Richard Van Cauwelaert, is een eminente figuur in de georganiseerde vrijzinnigheid. Het Humanistisch Verbond Nederland wordt in 1946 opgericht, Vlaanderen volgt in 1951. Een jaar later richt Van Cauwelaert de ‘Werkgemeenschap Leraren Ethiek’ op en in 1961 de ‘Oudervereniging voor Moraal’.9 De handboeken die de inspecteurs voor het middelbaar onderwijs schrijven, hebben een duidelijk engagement. Ze raden aan om ‘De Moralist’ en ‘Het Vrije Woord’ te lezen, uitgaven van het Humanistisch Verbond.10 Het onderwijsdoel dat ze vooropstellen, is de autonomie van de leerlingen.

De Oudervereniging zal samen met het Humanistisch Verbond bij het beleid aandringen om een opleiding voor leraren NCZ te organiseren. De afdeling Moraalwetenschappen, deel van de vakgroep ‘Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen’, is aan de toenmalige Rijksuniversiteit Gent vanaf oktober 1963 een feit. Van Cauwelaert werkt samen met Lucien De Coninck, Leo Apostel, Jaap Kruithof en Willy De Coster. De Vrije Universiteit Brussel opteert eerst voor de term ‘moraalfilosofie’. Dat verandert in ‘moraalwetenschappen’ vanaf 1975/1976. Voor de omschrijving van vereiste bekwaamheidsbewijzen is de uitdrukking ‘uitgereikt door een niet-confessionele instelling’ bepalend. Belangrijk voor de discussie rond neutraliteit is dat niet enkel de Rijksuniversiteit Gent wordt erkend, maar ook de Vrije Universiteit Brussel met haar vrijzinnige signatuur.

Met de term ‘wetenschappen’ gaat een discussie gepaard binnen de vrijzinnigheid over de wetenschappelijkheid van een levensbeschouwing. De kern daarvan is of de vrijzinnigen een positivistische of neopositivistische moraal beogen, wat De Cock 40 jaar later “de moraalfilosofische twistpunten subjectivisme/objectivisme – positivisme/hermeneutiek” noemt.11 Ronald Commers kiest in Gent tegen een positivisme. In Brussel zullen Leopold Flam en Hubert Dethier zoals Commers vasthouden aan de ‘hermeneutiek’. Bij het opstellen van het huidige leerplan NCZ speelt Commers een belangrijke rol met de Commissie-Commers die de ‘Algemene Oriëntatietekst’ schrijft voor deze leerplannen.12 Johan Stuy neemt bij het finaliseren van de oriëntatietekst de fakkel over van Commers. In de loop van 1999 worden de leerplannen uitgewerkt.13 Het voorwoord tot de leerplannen omschrijft ‘vrij onderzoek’ als belangrijk voor het streven naar autonomie: “Het is een wetenschappelijke methode. Maar voor niet-confessionelen is het ook een manier van omgaan met levensbeschouwelijke en morele vragen.” Al is menselijk weten feilbaar, het is de enige grond waarop we kunnen bouwen. Tevens zijn niet alle levensvragen eenduidig wetenschappelijk te beantwoorden. Ook in Nederland wordt voor het humanistisch vormingswerk deze keuze gemaakt met wat ‘existentieel humanisme’ wordt genoemd.14

4. De nieuwe Grondwet en het Decreet van 1993

De grondwetsherziening van 1988, waarmee het onderwijs naar de gemeenschappen wordt overgeheveld, neemt het Schoolpact in belangrijke mate over. In artikel 24 wordt dit als volgt geformuleerd:

De gemeenschap richt neutraal onderwijs in. De neutraliteit houdt o.m. in de eerbied voor de filosofische, de ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen.
De scholen ingericht door de openbare besturen bieden, tot het einde van de schoolplicht, de keuze tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.

Wanneer in 1993 de vrijzinnigheid grondwettelijk wordt erkend, wordt deze in art. 181 de niet-confessionele gemeenschap genoemd. In de ‘Memorie van toelichting’ bij dit artikel verwijst de wetgever naar de NCZ als een van de eerste erkenningsvormen van de niet-confessionele levensbeschouwing. Er is dan in twee artikels van de Grondwet sprake van niet-confessioneel. Adriaan Overbeeke, pleitbezorger voor het recht op vrijstelling, stelt als niet-vrijzinnige dat het niet de bedoeling van de Grondwetgever is om in 1988 een levensbeschouwelijk neutraal vak voor te schrijven, vooral omdat er consensus is dat de vakken niet facultatief zijn en vrijstelling mogelijk is. Het zou ook betekenen dat de Grondwet de ene keer (art. 24) niet-confessioneel als neutraal gebruikt en een tweede keer (art. 181) als geëngageerd. Overbeeke verwijst nog naar de Schoolpactresolutie om te tonen dat de NCZ dan al geëngageerd is.15

Het ‘Decreet betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken’ van 1 december 1993 (B.S. 21 december 1993) bepaalt dat per erkende godsdienst en de NCZ één instantie of een vereniging wordt erkend. De Raad voor Inspectie en Begeleiding Zedenleer, RIBZ, wordt opgericht. Enkele leden worden aangewezen door de Unie Vrijzinnige Verenigingen, daarnaast zijn er leden verkozen door de ouders, vertegenwoordigers van de leerkrachten, de opleidingsinstellingen voor leerkrachten NCZ, de liberale en socialistische vakbonden.16 De RIBZ werd met een ministerieel besluit van 25 maart 1994 erkend voor een periode van vijf jaar. Intussen is dit telkens hernieuwd. De Raad staat in voor de werking van de inspectie en de begeleiding van de cursus. De inspectieleden worden door haar voorgedragen en bij delegatie zijn het de inspecteurs-adviseurs NCZ die elk voor hun ambtsgebied de leerkrachten NCZ voordragen voor een tijdelijke aanstelling en voor benoeming, analoog met leerkrachten godsdienst.

De uitgebreide samenstelling van de Raad is een antwoord op de vrees van sommige vrijzinnigen dat een kleine groep over het vak zou beslissen. De discussies waren heftig. Intussen blijkt dat er continuïteit is. Om te beginnen in de leerplannen. De kritiek op antropocentrisme en etnocentrisme die vanuit het structuralisme en poststructuralisme op het humanisme in de jaren 1960 en 1970 werd geuit, was toen al algemeen aanvaard en werd verwerkt in de leerplannen. De hoofdlijnen van vrij onderzoek blijven de essentie, zo ook de mens als zingever. Voor de diplomavereisten voor leerkrachten NCZ is er een versoepeling. Leerkrachten zonder een vereist bekwaamheidsbewijs kunnen in het secundair onderwijs met attesten worden aangesteld. Dat geldt bv. voor iemand die beschikt over een basisdiploma, ten minste professionele bachelor, en een pedagogisch diploma uitgereikt door een niet-confessionele instelling, en NCZ heeft gevolgd in het secundair onderwijs. Voor het lager onderwijs wordt dit opgevangen met het ‘postgraduaat NCZ voor het lager onderwijs’. Met twintig studiepunten kan dit binnen een academiejaar worden behaald.17

Terwijl er voor de NCZ een consolidatie komt, duikt er in die periode een onverwachte maar oude discussie op. Deze plaatst zich tegen de achtergrond van de vrijstellingen, maar zijn voor iemand die de geschiedenis van de cursus kent anachronistisch, zoals we zullen zien. Het aantal vrijstellingen is eerder beperkt. Klassiek voorbeeld zijn de Getuigen van Jehova die zich niet terugvinden in het aanbod van levensbeschouwelijke vakken en dit om bijbelse redenen. Ze vinden dat het de overheid niet toekomt om dit soort onderricht te geven, omdat enkel het gezinshoofd dit mag. De discussie laait op met het advies voor een nieuw vak ethiek en levensbeschouwing in het officieel onderwijs dat de ‘Algemene Raad van de Vlaamse Onderwijsraad’ op 22 april 2003 goedkeurt.18 Dit is het resultaat van een werkgroep binnen de Onderwijsraad onder het voorzitterschap van Raf Verstegen. Deze jurist van de KULeuven stelt dat de Grondwet een neutraal vak in het officieel onderwijs oplegt en altijd heeft opgelegd. Oude discussies krijgen een nieuw leven. De visie van Verstegen vertrekt weer van de NCZ als ‘restvak’. Dit vak is met het decreet van 1993 een geëngageerd vak geworden en daarom, zo luidt zijn stelling, ‘vraagt’ de Grondwet een nieuw neutraal vak. Dit zou de vraag naar vrijstellingen onmogelijk moeten maken.19

Haaks op de stelling van Verstegen staat dat de Raad van State bij de overdracht van bevoegdheden van de NCZ naar de erkende vereniging geen opmerking maakt.20 Het argument dat vrijstellingen met een neutraal vak zouden worden vermeden, snijdt geen hout. De problematiek van de vrijstellingen situeert zich in de periode 1985-1991. In 1985 verklaart de Raad van State een aanvraag ontvankelijk. Dit gebeurt dus voor het decreet van 1993. De katholiek Daniël Coens is dan minister van Onderwijs. De aanvragen komen van fundamenteel gelovige protestanten. Omdat protestantse godsdienst als keuze in het officieel onderwijs wordt aangeboden, is dit meer een protestants probleem. De vragers van vrijstelling steunen zich op de Bijbel (Deuteronomium 6:6-7 – Efesiërs 6:1-4), waarin ze lezen dat de ouders verantwoordelijk zijn voor het godsdienstonderricht. Wat ze de NCZ verwijten is wat de Schoolpactresolutie voorschrijft: “Hij [NCZ] doet geen beroep op verklaringen van godsdienstige aard […].” Ze hadden dus evengoed in 1963 een vrijstelling kunnen vragen. In het tweede arrest-Sluys stelt de vrager trouwens dat de minister niet het recht heeft “discretionair uit te maken of het levensbeschouwelijk onderricht in overeenstemming is met de eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen van de ouders […]; dat dit zelfs onaanvaardbaar zou zijn wanneer de cursus NCZ neutraal zou zijn.” Het is opmerkelijk dat in die periode op vraag van Coens een voorwoord tot de leerplannen NCZ wordt geschreven (omzendbrief van minister Coens van 2 juli 1986) om de vrijstellingen onmogelijk te maken, wat uiteindelijk niet lukt, die nu nog als ‘Principeverklaring’ voor de leerkrachten NCZ wordt gehanteerd.21

Het voorval toont de lange geschiedenis waarin er wordt gepoogd om NCZ te minimaliseren als ‘restvak’, een term die Verstegen ook gebruikt.

5. De dynamiek van het Schoolpact: pluralisme

Met de oprichting van het Humanistisch Verbond is er een opening naar meer pluralisme, dat zich vertaalt in een minder uitgesproken antiklerikalisme. Dat de vrijdenkersbonden daar minder voor openstaan, valt gezien de historische context te begrijpen.22 De strijd rond begraafplaatsen is wat dit betreft voor een hedendaags publiek een bevreemdende illustratie. Toch laten de discussies rond medische ethiek zien dat het vrijzinnig humanisme de confrontatie niet zal schuwen en nog steeds strijdt om wetgeving en katholieke moraal uit elkaar te houden.

Ook het Schoolpact draagt bij tot pluralisme. Hierover bestaat enige consensus. De CVP’er Frank Swaelen, een van de getuigen van het Schoolpact, schrijft: “Het merkwaardige is echter dat het pact in werkelijkheid als catalysator heeft gefungeerd voor een grondige evolutie in de geesten en de opvattingen.23 Of Jan De Groof: “Het schoolpact […] mag een mijlpaal worden genoemd in de Belgische politiek en voor de pacificatie van de onderlinge verhoudingen tussen ideologische en filosofische strekkingen.24 Charles Glenn, professor opvoedkunde aan de universiteit van Boston, ziet het Schoolpact als een model voor een seculiere maatschappij, die tolerantie en integratie nastreeft. Hij vergelijkt het seculariseringsmodel van het Schoolpact met het Jacobijnse model, dat ook in Amerika wordt gehuldigd. Een openbare ruimte die elke vorm van levensbeschouwing weert, is een slechte vorm van secularisering. Slecht, omdat het een conflictmodel blijft en nooit uitkomt op echte tolerantie.25

Al samenwerkend hebben de inspecteurs-adviseurs van de levensbeschouwelijke vakken elkaar leren waarderen. Ze hebben structuren waar ze elkaar regelmatig ontmoeten en gezamenlijk overleggen. De eerste contacten zijn er al in 1980 op initiatief van Herman Corijn, die dan inspecteur-generaal is. Het is dan beperkt tot de inspecteurs in het officieel onderwijs. De kernleden zijn Luc Devuyst voor de vrijzinnigen, Roger Vereecken voor de katholieken en Hugo Van De Walle voor de protestanten. Dit geeft aanleiding tot de ‘Commissie levensbeschouwelijke vakken’ (1994). Ze bespreekt gemeenschappelijke problemen voor de levensbeschouwingen en geeft gezamenlijk adviezen.26 Met het ‘Nascholingsinstituut levensbeschouwelijke vakken’ richten zij zich vanaf 1998 met studiedagen tot alle leraren levensbeschouwelijke vakken. Het instituut gaat dieper in op het inhoudelijke, tolerantie wordt gezien als het respecteren van de anderen zonder de eigen levensbeschouwelijke identiteit te moeten verloochenen. De erkende instanties en vereniging van de verschillende levensbeschouwingen hebben eveneens hun overlegstructuren vanaf 1999.27

Maar dieper dan overleg gaat de wederzijdse aanvaarding en het uitwerken van een model van tolerantie. Tolerantie is het uitgangspunt van de inspecteurs-adviseurs levensbeschouwelijke vakken als ze in 2004 meewerken aan een doorlichting van deze vakken, die is gepubliceerd in ‘Onderwijsspiegel schooljaar 2004-2005, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap’.28 De bijdrage heeft de titel ‘Opvoeden en onderwijzen tot tolerantie – karakteristieken van het levensbeschouwelijk onderricht in het licht van GOK (Gelijke onderwijskansen).’ Een citaat: “Het leren kennen en respecteren van ‘de ander’ komt uitdrukkelijk naar voren binnen de levensbeschouwelijke vakken. We kunnen de ander pas tegemoet treden als we weten wie we zelf zijn. Alleen als we bewust zijn van onze eigen levensbeschouwing en ons daarin verdiepen, kunnen we op een vruchtbare manier met de ander in dialoog treden” (o.c., p. 139). De enquêtes van leerlingen, leraren en directeurs zijn over het algemeen positief voor deze vakken.

In 2006 maakt de Commissie een visietekst waarin de leraren worden gevraagd om projecten rond respect voor anderen te ontwikkelen.29

Wanneer het ‘Memorandum van de Vlaamse regering 2009’ verschijnt, hebben de levensbeschouwelijke vakken een hele evolutie achter zich. We lezen in het Memorandum: “Met het oog op de realisatie van een gezamenlijk aanbod ‘levensbeschouwing’, naast de huidige keuzemogelijkheden binnen het officieel onderwijs, maken we de samenwerking mogelijk tussen de aanbieders van de verschillende levensbeschouwelijke vakken.” De voorzitters van CD&V, sp.a en N-VA kunnen bij navraag enkel antwoorden dat er niets is beslist en verwijzen door naar de minister van Onderwijs voor overleg. De erkende instanties en vereniging nemen het initiatief om een project uit werken. De Commissie Levensbeschouwelijke vakken krijgt de opdracht om de ‘interlevensbeschouwelijke competenties in het kader van dialoog en samenleven’ uit te schrijven.31 De uitgangspunten zijn: 1) Start vanuit de eigen levensbeschouwelijke identiteit; 2) Respect voor identiteit maakt dialoog mogelijk; 3) Tolerantie is onmogelijk door het wegduwen van verschillen. Reëel pluralisme bestaat enkel als de verschillen niet worden weggemoffeld, maar kunnen worden uitgesproken. De eigen levensbeschouwing behoort tot de individuele identiteit en repressie werkt averechts. Pas als iemand zich aanvaard weet en veilig voelt, zal die persoon willen dialogeren. Kader van tolerantie is onderling respect voor verschillen. Een kader dat uitzicht geeft op samenleven in gelijkwaardigheid. De maatschappelijke taak van de school is om de aanzet te geven in zo’n socialiseringsproces, een taak waaraan de levensbeschouwelijke vakken een belangrijke bijdrage willen leveren. Een levensbeschouwing hebben is een keuze voor zichzelf, maar niet als een eiland. De eigen keuze is geen keuze tegen anderen en poogt niet anderen uit te sluiten. Een belangrijke competentie hier is de interne pluraliteit van de eigen levensbeschouwing erkennen: de ene vrijzinnige is de andere niet en uiteraard geldt dit voor elke levensbeschouwing. Er is op die manier geen fundamentalistische invulling mogelijk als leraar. Tevens is er de erkenning van het individu in een levensbeschouwing en zijn recht op een eigen ervaring.

Op vraag van de minister van Onderwijs, Pascal Smet (sp.a), en de voorzitter van het Vlaams parlement, Jan Peumans (N-VA), presenteren de erkende instanties en vereniging van de levensbeschouwelijke vakken de competenties in het parlement op 27 september 2013. Met deze presentatie ondertekenen zij een engagementsverklaring om de competenties te implementeren. Dat zal beginnen met projecten uitgewerkt door de verschillende leerkrachten levensbeschouwing voor minimum twee uren en maximum zes uren of een à drie lesweken. De competenties worden een addendum bij de leerplannen en daarmee verplicht voor de leraren. Ook tijdens de eigen lessen moet er aandacht zijn voor anderen. In een persmededeling spreekt Pascal Smet van een historische stap: “Er wordt vertrokken vanuit het eigen vak en de diversiteit binnen de eigen levensbeschouwing. Dit vormt de opstap om open naar andere levensbeschouwingen te kunnen kijken. […] Vooroordelen en vijandsbeelden moeten doorbroken en voorkomen worden.” Tevens onderstrepen alle betrokkenen het belang van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder.32

Niet een eenheidsvak waarvoor sommigen pleiten, zoals Patrick Loobuyck, maar het pluralisme van de verschillende levensbeschouwelijke vakken is het instrument waarvoor hier wordt gekozen. En weer komt het begrip neutraliteit naar voren. Een neutraal levensbeschouwelijk vak is voor de verdedigers van de levensbeschouwelijke vakken een contradictio in terminis.33

6. Relevante literatuur en bronnen34

Literatuur

Over de strijd om het onderwijs in België verschenen al een aantal publicaties. Het onderwerp werd hierbij vanuit een aantal invalshoeken benaderd. Enkele (basis)werken kunnen alvast een houvast bieden voor wie verder onderzoek wil doen naar de schoolstrijd, het Schoolpact en de plaats van de levensbeschouwelijke vakken binnen het Belgisch onderwijssysteem.

Robert Houben en Frans Ingham, beiden jarenlang als onderwijsspecialisten verbonden aan CEPESS, de studiedienst van de CVP, en nauw betrokken bij de onderhandelingen omtrent het Schoolpact, publiceerden in de vroege jaren 1960 hun gezaghebbend boek Het schoolpact en zijn toepassing.35 Ook Alfons Laridon en Jacques Mertens, beiden van vrijzinnige signatuur, publiceerden enkele jaren later over de schoolstrijd en het Schoolpact.36

Iets recenter verschenen van de hand van Jeffrey Tyssens, Els Witte en Roel De Groof een aantal werken omtrent de schoolstrijd en vrijzinnigheid.37 Wie zich nog verder in de materie wil verdiepen, doet er ook goed aan een blik te werpen op twee andere publicaties, die verschenen naar aanleiding van colloquia in respectievelijk 1998 en 2010, en die een retrospectief bieden van het vrijzinnig-humanistisch levensbeschouwelijk onderwijs in België en Vlaanderen.38

Het Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid (TORB)39 ten slotte heeft door de jaren heen in heel wat artikels aandacht besteed aan de strijd om het onderwijs en kan een interessante basis vormen voor wie het onderwerp vanuit een eerder juridische invalshoek wil benaderen.

Bronnenmateriaal40

Overheidsarchieven vormen een uitermate interessante bron. De archieven van het voormalig Ministerie van Onderwijs41 worden bewaard in het Rijksarchief, dat naast de archieven van de buitendiensten van de nationale/federale en van de Vlaamse overheid42 ook overheidsarchieven van instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest43 en van de Franse en de Duitstalige Gemeenschap bewaart.44

Wat het Vlaamse onderwijs betreft, kan ook het archief van het Vlaams Parlement (1971-heden) een interessant startpunt zijn. Deze archiefdienst staat in voor de bewaring en ontsluiting van documenten die hun oorsprong vinden in de parlementaire werking. Bovendien laat de archiefdienst ook toe dat volksvertegenwoordigers, politieke fracties van het Vlaams Parlement en de paraparlementaire instellingen hun archieven overdragen.

Aanvullingen op dergelijke overheidsarchieven zoekt men best in de private archieven van directe betrokkenen (individuen, politieke partijen, instellingen), aangezien deze vaak unieke stukken bevatten. Via de websites van de verschillende archiefinstellingen kan men op zoek gaan naar archiefmateriaal.

Men kan ook in de archieven van de Vlaamse politieke partijen zelf informatie zoeken. Het Liberaal Archief bewaart de archieven van de verschillende geledingen van de liberale partijen. De archieven van de christendemocraten kunnen geraadpleegd worden in het KADOC, waarbij het archief van CEPESS, het Centrum voor Politieke, Economische en Sociale Studies van de CVP,45 bijzondere aandacht verdient. De archieven van de Belgische socialistische partijen en hun plaatselijke afdelingen kunnen geraadpleegd worden in het Amsab-ISG en die van de Vlaams-nationalistische partijen in het ADVN.

De persoonsarchieven van onder andere Louis Kiebooms (1937-1968), Robert Houben (1940-1981), Daniël Coens (1965-1987) en Frank Swaelen (1967-2000) geven uiteraard de CVP-visie op schoolkwesties; ze worden bewaard in het KADOC.46 Ingevolge de bruikleenovereenkomst die in 2009 afgesloten werd tussen Amsab-ISG en het Antwerps stadsbestuur, werd het archief van Camille Huysmans overgebracht van het AMVC Letterenhuis naar Amsab-ISG.47 Amsab-ISG bewaart ook archieven als die van Gaston Colebunders (1949-1988), Willy Calewaert (1965-1982) en Michel Oukhow (1950-1991).48 Tot slot bewaart ook het Algemeen Rijksarchief een aantal persoonsarchieven.

De archieven van de Oudervereniging voor de Moraal (OVM), die bewaard worden door CAVA, zijn eveneens rijk aan uniek materiaal. Het nationaal secretariaat organiseerde o.m. jaarlijks een congres (thema’s waren onderwerpen als het Schoolpact, de NCZ en onderwijs in het algemeen). CAVA bewaart verder ook de archieven van andere grote vrijzinnige verenigingen als het Humanistisch Verbond (HV) en de Unie Vrijzinnige Verenigingen (UVV), die eveneens een schat aan informatie in verband met NCZ bevatten.

Archieven van drukkingsgroepen bieden ook aardig wat perspectieven. Het archief van de West-Vlaamse tak van het Algemeen Verbond ter Bevordering van het Officieel Neutraal Onderwijs (AVBO, 1933-1994) wordt op het Liberaal Archief bewaard. Ook de Ligue de l’enseignement et de l’éducation permanente beschikt over een uitgebreid archief, dat een aantal interessante reeksen bevat.49

Ten slotte komen natuurlijk ook de archieven van scholen (zowel de inrichtende macht als de scholen zelf) in aanmerking. De administraties van het katholiek onderwijs en van het gemeenschapsonderwijs beschikken over omvangrijke en interessante archieven. Over gemeentescholen kan informatie teruggevonden worden in gemeentearchieven, die ter plaatse of in het Rijksarchief bewaard worden. Ook parochiearchieven kunnen materiaal opleveren. De archieven van de scholen zelf worden veelal door die instellingen zelf bewaard, maar ook hiervan bevinden er zich enkele in bijvoorbeeld het Rijksarchief (dat vooral archieven uit het Rijksonderwijs bezit) en de grote private archiefinstellingen.

Iconografisch/audiovisueel materiaal (tentoonstellingen)

De eerder aangehaalde archieven van de Ligue de l’enseignement et de l’éducation permanente zijn ook rijk aan beeldmateriaal. Een kleine greep uit het aanbod kan geraadpleegd worden op de website van de Ligue.50

Verder bevatten de archieven van de productiehuizen die de ‘uitzendingen door derden’ verzorgden, ook audiovisueel materiaal. De archieven van Lichtpunt, voor de vrijzinnige levensbeschouwing, werden overgebracht naar CAVA.

Het KADOC bewaart een verzameling films van het Aartsbisdom Mechelen, waaronder ‘De toekomst begint vandaag’, die kadert in de mobilisatie rond de Schoolstrijd. Ook de archieven van de Pedagogische Dienst voor Filmkultuur van het Nationaal Secretariaat van het Katholiek Onderwijs (NSKO) en de Katholieke Filmliga kunnen interessante stukken bevatten.51

Lokale archieven (parochiearchieven e.d.) kunnen ook interessant (beeld)materiaal bevatten, zoals pamfletten over de schoolstrijd e.d.

Lacunes in het onderzoek

Het meeste onderzoek lijkt zich voorlopig te focussen op de grote (breuk)lijnen. De bredere context werd al geregeld in kaart gebracht, maar goede lokale studies lijken voorlopig te ontbreken, mede ook omdat bepaalde types van archieven (zoals schoolarchieven), gedurende lange tijd aan de aandacht van de archivarissen ontsnapt zijn. De beleving van de schoolstrijd blijft daardoor onderbelicht. Ook eventuele communautaire vraagstukken, die de problematiek verzwaarden, verdienen aandacht.

Naar de schoolstrijd in Belgisch Congo werd al enig onderzoek gedaan,52 maar er bestaat wel degelijk ruimte voor verdere uitdieping van dit onderwerp. Bronnen die zeker in aanmerking komen, zijn de archieven van het Ministerie van Koloniën.53 Het archief van dit ministerie (het zogeheten ‘Afrikaans archief’) was gedurende vele jaren opgenomen in de archiefdienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Op 11 december 2014 werd echter een Memorandum of Understanding afgesloten tussen de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en het Rijksarchief en werd bepaald dat voor 2018 meer dan 10 km archief uit de periode 1885-1962 zal verhuizen naar het Rijksarchief.54 Deze archieven kunnen worden geraadpleegd wanneer zij minstens 30 jaar oud zijn. Voor de raadpleging van documenten die meer dan 30, maar minder dan 50 jaar oud zijn, moet toestemming verkregen worden.

Ook andere archiefinstellingen beschikken over interessante privé-archieven. Zo bewaart het Liberaal Archief het archief van Robert Godding, de Belgische politicus die tijdens zijn ministerschap (1945-1947) het rijksonderwijs in de kolonie aanmoedigde. In het KADOC kan het archief van August-Edmond De Schrijver (1920-1988), minister van Belgisch-Kongo en van Ruanda-Urundi in 1959-1960, geraadpleegd worden, evenals de (omvangrijke) archieven van Scheutisten als Albert Brys, die nauw betrokken waren bij de Congolese schoolstrijd.55 Onder andere het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika bewaart een aantal persoonsarchieven, die relevant kunnen zijn, zoals de archieven van Jules Gérard-Libois, oprichter van het Afrika Studie- en Documentatiecentrum (ASDOC), dat thans deel uitmaakt van het KMMA. Ook een aantal buitenlandse archieven bevatten nuttige informatie over dit onderwerp.56

Tot slot rijst de vraag of de ontkerkelijking en laïcisering niet al zover gevorderd is dat een schoolstrijd nog mogelijk is. Er zijn andere structuren ontstaan en het werk van de Commissie Levensbeschouwelijke vakken dient om iets dergelijks te voorkomen. Maar onder de paarse regering van Verhofstadt werd soms wel gerefereerd naar een nieuwe schoolstrijd. De wrevel over de schaalvergrotende hervormingen in het universitair onderwijs, die uiteindelijk zuilgebonden gerealiseerd werden, wijst erop dat de problematiek zeer gevoelig blijft en dat verdere uitdieping mogelijk is.

Voetnoten

  1. M. Olin, Verslag van de middenafdeling in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, in Pasinomie, 4 (1879), 14, 187.
  2. J. Lory, La résistance des catholiques belges à la loi de malheur 1879-1884, in Revue du Nord, 1985, p. 730-751.
  3. M. Magits, De evolutie van het niet-confessioneel levensbeschouwelijk onderricht in België. Een vrijzinnig humanistische visie, in Hildegard Warnink (red.), Godsdienst en levensbeschouwing in het onderwijs = Godsdiensonderrig op skool, Leuven, Peeters (Scripta Canonica 4), 2003.
    E. Witte, Une question de conscience. Over de houding van de Belgische katholieken tegenover het openbaar onderwijs en de betekenis van de schoolpactperiode (1945-1963) in deze relatie, in E. Witte, J. De Groof en J. Tyssens (red.), Het schoolpact van 1958. Ontstaan en toepassing van een Belgisch compromis, Brussel, VUBpress, 2002, p. 433-495.
  4. Annales Parlementaires, 1894-95, Kamer van Volksvertegenwoordigers, 15 september 1895, p. 2194.
  5. R. De Groof, Het onderwijsbeleid van Jules Destrée als deelproject van de schoolpolitieke compromisvorming (1919-1921), in Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, XX (1989), 1-2, p. 141-180; J. Lory & A. Thion, L’enseignement de la morale indépendante en Belgique (19e-20e siècles), in Variations sur l’éthique. Hommage à Jacques Dabin, Bruxelles, Presses de l’Université Saint Louis, 1994, p. 254-255; P. De Keyzer, Ken U zelf. Leidraad in zedenleer voor Middelbare Scholen en drie lagere klassen der Athenea, Gent, 1926.
  6. E. Witte, J. De Groof & J. Tyssens, Het Schoolpact van 1958, p. 458.
  7. Ministeriële omzendbrief omtrent de neutraliteit in het Rijksonderwijs, in Bulletin Ministerie Nationale Opvoeding en Cultuur, 22 (1961), p. 1053.
  8. Website RIBZ / Leerkracht NCZ / Deontologische richtlijnen.
  9. www.cavavub.be/meer-weten-over-vrijzinnigheid/geschiedenis-en-kenmerken-vrijzinnigheid (geraadpleegd op 22 september 2017).
  10. A.R. Van Cauwelaert & J. Van Ussel, De mens en zijn wereld, Antwerpen, De Sikkel, 1960.
  11. Ethiek en Maatschappij, 6 (2003), 3-4, p. 189-209; extranummer t.g.v. 40 jaar moraalwetenschappen aan de Universiteit Gent. Het artikel kan geraadpleegd worden via www.ethiekenmaatschappij.ugent.be/wp-content/uploads/2012/07/EM_63-4-2003-De-Cock.pdf.
  12. Uitgave van de RIBZ met een voorwoord van de toenmalige voorzitter Karel Poma.
  13. Website van de RIBZ / leerplannen NCZ.
  14. N. Stuij, Humanistisch vormingsonderwijs in Nederland, in L. Devuyst & Ch. Van Waerebeke (red.), De toekomst van de levensbeschouwelijke vakken. De eerste stappen naar de gelijkberechtiging: 50 jaar Schoolpact, Brussel, VUBpress, 2010; R. Buitenweg, Humanistische educatie en vrijheid van levensovertuiging, in L. Devuyst & Ch. Van Waerebeke (red.), De toekomst van de levensbeschouwelijke vakken. De eerste stappen naar de gelijkberechtiging: 50 jaar Schoolpact, Brussel, VUBpress, 2010.
  15. A. Overbeeke, Levensbeschouwelijk onderricht: keuzepalet en keuzevrijheid in Vlaanderen anno 2002, in Tijdschrift voor Onderwijsrecht & Onderwijsbeleid, 2 (2002-2003), p. 115-157.
  16. L. Devuyst, Oorsprong & evolutie van de levensbeschouwelijke vakken in het Belgisch onderwijs, in L. Devuyst & Ch. Van Waerebeke (red.), De toekomst van de levensbeschouwelijke vakken. De eerste stappen naar de gelijkberechtiging: 50 jaar Schoolpact, Brussel, VUBpress, 2010.
  17. Website RIBZ / Leerkracht NCZ / Bekwaamheidsbewijzen en Attesten.
  18. www.vlor.be/sites/www.vlor.be/files/advies/ar-adv010.pdf (geraadpleegd op 23 september 2017).
  19. R. Verstegen, Een nieuw vak over levensbeschouwingen en ethiek in het licht van art. 24 G.W. en de fundamentele rechten en vrijheden?, in Tijdschrift voor Onderwijsrecht & Onderwijsbeleid, januari-februari
    2003, p. 271-290.
  20. M. Magits en E. Borms, Ethiek en levensbeschouwing in het onderwijs, in Tijdschrift voor Onderwijsrecht & Onderwijsbeleid, januari-februari 2004, p. 220-225.
  21. Website van de RIBZ / leerkracht NCZ / Deontologische richtlijnen.
  22. J. Tyssens & E. Witte, De vrijzinnige traditie in België, Brussel, VUBpress, 1996.
  23. E. Witte, J. De Groof & J. Tyssens, Het Schoolpact van 1958, p. 889.
  24. Het Schoolpact is dood. Leve de Grondwet!, in Tijdschrift voor Onderwijsrecht & Onderwijsbeleid, 1-2 (2009-2010), p. 3.
  25. E. Witte, J. De Groof & J. Tyssens, The Belgian model of peace-making in educational policy, in Het Schoolpact van 1958, p. 685.
  26. www.ond.vlaanderen.be/inspectie/lbv (geraadpleegd op 12 januari 2015).
  27. M. Van Stiphout, Scheiding van kerk & staat als achtergrond en oorzaak van de samenwerking tussen de organisatoren van de levensbeschouwelijke vakken in Vlaanderen, in L. Devuyst & Ch. Van Waerebeke, De toekomst van de levensbeschouwelijke vakken.
  28. www.ond.vlaanderen.be/inspectie/Organisatie/Documenten/spiegel/2004-2005.pdf (geraadpleegd op 12 januari 2015).
  29. www.ond.vlaanderen.be/inspectie/lbv/files/samenwerking-visietekst-061027.pdf (geraadpleegd op 12 januari 2015).
  30. Vlaanderen 2009-2010. Een daadkrachtig Vlaanderen in beslissende tijden. Voor een vernieuwende, duurzame en warme samenleving, p. 28.
  31. www.ond.vlaanderen.be/inspectie/lbv (geraadpleeged op 12 januari 2015).
  32. www.politics.be/persmededelingen/36583.
  33. P. Loobuyck & L. Franken, Het Schoolpactcompromis in vraag gesteld. Pleidooi voor een nieuw vak over levensbeschouwingen en filosofie in het Vlaams onderwijs, in Tijdschrift voor onderwijsrecht & onderwijsbeleid, 1-2 (2009-2010), p. 44.
  34. Deze aanvulling werd verzorgd door M. Hoebeek, medewerker van CAVA.
  35. Robert Houben en Frans Ingham, Het schoolpact en zijn toepassing, Brussel, CEPESS, 1962.
  36. Alfons Laridon en Jacques Mertens, Schoolstrijd en schoolpact, Oostende, Vermeylenfonds, 1988.
  37. Jeffrey Tyssens, Strijdpunt of pasmunt? Levensbeschouwelijk links en de Schoolkwestie (1918-1940), Brussel, VUBPress, 1993, 120 p.; Jeffrey Tyssens, Een Vlaamse inbreng in de vrijzinnige actie rond de schoolkwestie in de jaren ’30: van de Vrienden van het Officieel Onderwijs naar het Algemeen Verbond ter Bevordering van het Officieel Onderwijs, in BTNG, 24, 1993, p. 353-397; Jeffrey Tyssens en Els Witte, De vrijzinnige traditie in België. Van getolereerde tegencultuur tot erkende levensbeschouwing, Brussel, VUBpress, 1996; Jeffrey Tyssens, Guerre et paix scolaires, 1950-1958, Parijs/Brussel, De Boeck Université, 1997; Jeffrey Tyssens, De schoolkwestie in de jaren vijftig. Van conflict naar pacificatie, Brussel, VUBPress, 1997; Jeffrey Tyssens, Om de schone ziel van ‘t kind… Het onderwijsconflict als een breuklijn in de Belgische politiek, Gent, 1998, 194 p.; Roel De Groof, Omnia instaurare in Christo: kerk, staat en onderwijs in België van 1830 tot 1919; een analyse van de impact van het episcopaat en de katholieke partij op de schoolpolitieke besluitvorming in het licht van de spanning tussen katholiek integralisme en moderniteit, Brussel, VUB (doctoraatsverhandeling), 2003.
  38. In december 1998 vond aan de Vrije Universiteit Brussel het internationaal colloquium ’40 jaar Schoolpact’ plaats. De teksten van dit colloquium werden gebundeld in: Els Witte, Roel De Groof, Jeffrey Tyssens (red.), Het Schoolpact van 1958. Ontstaan, grondlijnen en toepassing van een Belgisch compromis, Brussel, ASP, 1999. In maart 2010 organiseerden de Raad voor Inspectie & Begeleiding niet-confessionele Zedenleer (RIBZ) en de Unie Vrijzinnige Verenigingen (UVV) het congres ‘De toekomst van de levensbeschouwelijke vakken’. De congresteksten werden eveneens gepubliceerd: Luc Devuyst, Christophe Van Waerebeke (red.), De toekomst van de levensbeschouwelijke vakken. De eerste stappen naar de gelijkberechtiging: 50 jaar schoolpact, Brussel, ASP, 2011.
  39. Dit tijdschrift wordt uitgegeven door Die Keure. De jaargangen van 2002 tot nu kunnen online geraadpleegd worden via www.jurisquare.be/nl/journal/torb/index.html. Een overzicht van de verschenen artikels voor de periode 1991-2014 kan geraadpleegd worden via documents.uitgeverij-diekeure.be/TORB_CUMULATIEVE_INDEX.pdf.
  40. Meer informatie omtrent de hieronder aangehaalde archieven kan je terugvinden via de websites van de respectieve archiefinstellingen, via www.odis.be, via www.archiefbank.be en in Bronnen voor de Studie van het Hedendaagse België van Patricia Van den Eeckhout en Guy Vanthemsche, online raadpleegbaar op www.kcgeschiedenis.be/nl/biblioNumerique/bronnen_nl.html.
  41. De bevoegdheid voor onderwijs ressorteerde van 1932 tot 1960 onder het (federale) Ministerie van Openbaar Onderwijs, dat in 1960 werd herdoopt tot Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur. In 1969 werd dit ministerie gesplitst in enerzijds een Ministerie van Nationale Opvoeding en Nederlandse Cultuur en anderzijds een Ministère de l’Education Nationale et de la Culture Française. Ten gevolge van de derde staatshervorming in 1988 werden beide ministeries afgeschaft en werd de onderwijsbevoegdheid quasi volledig overgeheveld naar de gemeenschappen. Voor een uitgebreid overzicht van de geschiedenis van het voormalig Ministerie van Onderwijs en Cultuur en van de op heden beschikbare inventarissen, zie: Jeffrey Tyssens, Het voormalige Ministerie van Onderwijs en Cultuur, in Patricia Van den Eeckhout en Guy Vanthemsche (red.), Bronnen voor de studie van het hedendaagse België, 19e-21e eeuw, Brussel, Koninklijke Commissie voor Geschiedenis, 2009, p. 489-495, online te raadplegen via www.kcgeschiedenis.be/pdf/bronnen/10_16VoormaligeMinisterieOnderwijsCultuur.pdf.
  42. Het IAVA-project zorgde er indirect voor dat belangrijke archiefbestanden van de Vlaamse administratie (in sommige gevallen met inbegrip van hun rechtsvoorgangers) werden overgedragen aan het Rijksarchief, meer bepaald aan het Rijksarchief te Beveren.
  43. Het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest beschikt over een eigen archiefdienst, die onder meer stukken van de oude, unitaire provincie Brabant bewaart, stukken van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en ook particuliere fondsen.
  44. De Regierung der Deutschsprachigen Gemeinschaft droeg inderdaad reeds bestanden over (notulen van de zittingen voor de periode 1986-1999). Deze zijn echter niet openbaar. De Rat der Deutschsprachigen Gemeinschaft bewaart zijn archieven zelf.
  45. Dit archief werd samengesteld door Frans Ingham en Jacques Plumart. Het onderdeel dat betrekking heeft op onderwijs (1960-1978) bevat heel wat informatie omtrent het Schoolpact en zijn herziening.
  46. Louis Kiebooms was politicus en hoofdredacteur van de Gazet Van Antwerpen. Zijn archief bevat onder meer informatie omtrent de Schoolstrijd in het arrondissement Antwerpen. Robert Houben was als onderhandelaar nauw betrokken bij het Schoolpact. Zijn archief bestrijkt dan ook de voorgeschiedenis en voorbereidingen ervan. Het archief van voormalig federaal en Vlaams onderwijsminister Daniël Coens biedt de onderzoeker toegang tot diens dossiers inzake de schoolpacthernieuwing. Deze dossiers maken deel uit van een groter geheel, zijnde de archieven van de CVP-onderwijscel voor de periode 1965-1970. De CVP’er Frank Swaelen, ten slotte, besteedde een groot gedeelte van zijn politieke loopbaan aan onderwijsdossiers en groeide zo uit tot de specialist ter zake binnen zijn partij. Zijn archief bevat een afzonderlijk deel ‘onderwijsbeleid’, met verschillende dossiers inzake de Nationale Schoolpactcommissie en de schoolpactherziening.
  47. Camille Huysmans was o.a. minister van Openbaar Onderwijs in de periode 1947-1949, maar het bewaarde archief bestrijkt de periode 1900-1936 en is bovendien niet raadpleegbaar, net zo min als het archief van de Stichting Camille Huysmans (1952-1998), dat eveneens door Amsab-ISG bewaard wordt.
  48. Gaston Colebunders stond in de jaren 1950 mee aan de wieg van de schoolpactwetgeving en was van 1968 tot 1981 kabinetschef van vijf opeenvolgende socialistische onderwijsministers. Zijn archief documenteert het onderwijsbeleid in België in de afgelopen decennia. Het bevat onder andere voorbereidende dossiers voor wetsontwerpen, het partijprogramma inzake onderwijs en de congressen aan dit onderwerp gewijd. In het archief van Willy Calewaert, Vlaams minister van Nationale Opvoeding in 1973-1974 en 1980-1981, komen onderwerpen als vrijzinnigheid en onderwijs (o.a. de Schoolpactcommissie) aan bod. Het archief van Michel Oukhow, ten slotte, die inspecteur moraal was en lid van het Uitgebreid Hoofdbestuur ACOD-Onderwijs afdeling Antwerpen, bevat eveneens relevante stukken. De nadruk ligt hier vooral op Oukhow in zijn functie van inspecteur moraal.
  49. Aangezien deze archieven niet gedeponeerd werden, dient een aanvraag tot inzage rechtstreeks bij de Ligue te gebeuren.
  50. Naar aanleiding van 150 jaar Ligue de l’enseignement et de l’éducation permanente lanceerde de Ligue in 2014 een virtuele tentoonstelling op haar website (te raadplegen via 150ans.ligue-enseignement.be). Tevens werd een digitale kopie van de panelen van de rondreizende tentoonstelling van de Ligue online geplaatst (te raadplegen via ligue-enseignement.be/ressources/exposition-itinerante).
  51. De archieven van de Katholieke Filmliga illustreren de katholieke filmbeweging, het bestuur ervan, haar opvoedkundige taak, de problematiek van de filmkeuring en van de censuur. Het archief is dus nuttig voor onderzoek naar de positie van de katholieken ten aanzien van de Schoolstrijd.
  52. Niet alleen kozen een aantal studenten de schoolstrijd in Congo als thesisonderwerp (M. Van Laere, De schoolstrijd in Kongo onder Auguste Buisseret. 1954-1958, Leuven, KUL (ongepubliceerde licentiaatsverhandeling), 1986; Jean-Philippe Block, La guerre scolaire au Congo belge sous Auguste Buisseret (1954-1958): ses prémices et ses développements, Bruxelles (ongepubliceerde licentiaatsverhandeling), 1992.), ook andere vorsers bogen zich al over dit en aanverwante thema’s (Jan Briffaerts, De Schoolstrijd in Belgisch Kongo (1930-1958), in Els Witte, Roel De Groof, Jeffrey Tyssens (red.), Het Schoolpact van 1958. Ontstaan, grondlijnen en toepassing van een Belgisch compromis, Brussel, ASP, 1999; M. Depaepe, L. van Rompaey, In het teken van de bevoogding. De educatieve actie in Belgisch-Kongo (1908-1960), Leuven/Apeldoorn, Garant, 1995.)
  53. Het Ministerie van Koloniën werd ingericht op 30 oktober 1908 en onderging in de loop der jaren een aantal naamswijzigingen. Van 1958 tot 1960 was het gekend onder de naam Ministerie van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi. Van 23 juni 1960 tot aan de afschaffing op 1 augustus 1962 droeg het departement de naam Ministerie van Afrikaanse Zaken. Voor een uitgebreid overzicht van de geschiedenis van het voormalig Ministerie van Koloniën en van de op heden beschikbare inventarissen, zie: Patricia Van den Eeckhout en Guy Vanthemsche, Het voormalige Ministerie van Koloniën, in Patricia Van den Eeckhout en Guy Vanthemsche (red.), Bronnen voor de studie van het hedendaagse België, 19e-21e eeuw, Brussel, Koninklijke Commissie voor Geschiedenis, 2009, p. 495-501.
  54. Algemeen Rijksarchief, De FOD Buitenlandse Zaken draagt vanaf 2015 het zgn. ‘Afrika-archief’ over aan het Rijksarchief, www.arch.be/index.php?l=nl&m=nieuws&r=alle-nieuwsberichten&a=2014-12-11-defod-buitenlandse-zaken-draagt-vanaf-2015-het-zgn.-afrika-archief-over-aan-het-rijksarchief (geraadpleegd op 2 maart 2016).
  55. Pater Brys publiceerde overigens ook geregeld artikels over de onderwijskwestie in Congo. Voor een overzicht, zie: Koninkijke Academie voor Overzeese Wetenschappen, Belgische overzeese biografie, VII-B, 1977, kols. 40-44, online te raadplegen via www.kaowarsom.be/nl/notices_brys_albert_jozef_antoon.
  56. Volgend naslagwerk kan interessant zijn voor wie dergelijk buitenlands bronnenmateriaal wil opsporen: Marvin D. Markowitz, Cross and Sword: The Political Role of Christian Missions in the Belgian Congo, 1908-1960, New York, Hoover Publications, 1968.


Verwijzen naar dit artikel kan als volgt: Borms Eddy, Officieel onderwijs en niet-confessionele zedenleer, in Op zoek… De evolutie van het vrijzinnig humanisme in Vlaanderen sinds de Tweede Wereldoorlog, Brussel, Centrum voor Academische en Vrijzinnige Archieven, 2018, pp. 91-111.

Deze pagina werd voor het laatst geüpdatet op 10 april 2018.

Reacties gesloten