Het vrijzinnig humanisme in enkele data

De 18e eeuw

Jozef II schaft kloosters af

In de jaren 1780 trachtte Jozef II in de Oostenrijkse Nederlanden een aantal hervormingen door te voeren. Hij bemoeide zich daarbij ook met kerkelijke aangelegenheden. Zo schafte hij 163 in zijn ogen ‘nutteloze’ kloosters af. De politiek van Jozef II was een mooi voorbeeld van het burgerlijk gezag dat zich mengde in religieuze zaken. De opstellers van de Belgische Grondwet wilden dit soort situaties in de toekomst vermijden. Sindsdien functioneren Staat en Kerk volledig onafhankelijk van elkaar, maar ze staan wel nog steeds met elkaar in verbinding.

1789: Déclaration des Droits de l’Homme

Na de bestorming van de Bastille op 14 juli 1789 werd de Franse staat in een sneltempo hervormd. Een van de leidraden bij die omwentelingen was de Verklaring van de Rechten van de Mens en van de Burger. Aan het einde van een reeks van bewogen vergaderingen werd in augustus een tekst afgekondigd waarin de soevereiniteit van het volk werd afgekondigd. De Verklaring bood aan iedere burger de mogelijkheid van een zo groot mogelijke vrijheid te genieten, zolang ten minste dit vrijheidsstreven andere burgers geen schade berokkende.

De 19e eeuw

1831: De Belgische Grondwet

Meteen na de Belgische onafhankelijkheidsverklaring kwamen liberale en katholieke verkozenen in congres samen met als doel een grondwet op te stellen. Al op 7 februari 1831 werd deze afgekondigd. Ze was de meest moderne uit haar tijd: wetgevende, uitvoerende en gerechtelijke macht werden gescheiden, en ook tussen Kerk en Staat werden zo weinig mogelijk banden behouden. Maar de Staat verbond zich er wel toe om bijvoorbeeld de lonen en pensioenen van priesters op zich te nemen. Daarnaast garandeerde de Belgische grondwet een aantal liberale vrijheden. Iedereen had voortaan vrijheid van mening en godsdienst, iedere burger had het recht zich bij een vereniging aan te sluiten of er eentje op te richten, en op de pers stond geen censuur meer.

1834: De stichting van de Université Libre de Bruxelles & 1894: Vrij Onderzoek aan de ULB

Na enkele jaren van onderbreking werd in juni 1834 de Katholieke Universiteit opnieuw in het leven geroepen. Als reactie hierop bepleitte de Brusselse liberale advocaat Pierre-Théodore Verhaegen de oprichting van een eigen, vrije universiteit. Door gelobby van Verhaegens vrijmetselaarsloge Les Amis Philanthropes werd al op 20 november de Université Libre de Bruxelles geopend. De nieuwe universiteit ontplooide zich tot een kweekvijver van vrijzinnige opiniemakers en politiek talent.

1852: ’t Zal wel Gaan

Het Taalminnend Studentengenootschap ’t Zal wel Gaan werd in 1852 opgericht aan het atheneum van Gent. Twee jaar later werd haar uitvalsbasis verplaatst naar de Rijksuniversiteit, waar zij zich al snel profileerde als antiklerikaal, liberaal en flamingant. In 1885 ontstond uit ’t Zal de Bond van Oudleden, met onder ander Paul Fredericq en Julius Hoste als gangmakers. Beide verenigingen speelden een niet onbelangrijke rol in het vernederlandsingsproces van de universiteit, maar hun invloed oversteeg de Gentse universitaire gemeenschap. Meer dan honderd jaar na haar oprichting werd nam ’t Zal de bijkomende spreuk ‘Geen God, Geen Meester’ aan, hoewel er al lang geen twijfel meer bestond over haar anti-autoritaire en vrijzinnige voorstelling.

1856: Oprichting Nederduitsch Taalminnend Genootschap, de voorloper van het Brussels Studentengenootschap (zie: geschiedenis VUB)

1862: Begrafenis van Pierre-Théodore Verhaegen

Medaille van Pierre-Théodore Verhaegen (Collectie CAVA)

Medaille van Pierre-Théodore Verhaegen (Collectie CAVA)

Toen Pierre-Théodore Verhaegen in december 1862 op sterven lag, was het zijn uitdrukkelijke wens dat hij geen laatste sacramenten zou ontvangen en burgerlijk begraven zou worden. De uitvaart van Verhaegen was niet de eerste burgerlijke begrafenis uit de Belgische geschiedenis, maar was ongetwijfeld de meest roemruchte. Duizenden mensen, waaronder vrijmetselaars met hun decors, volgden de rouwstoet die aan het Brusselse sterfhuis vertrok. Gezien Verhaegens maatschappelijke positie was deze grote publieke belangstelling niet vreemd. Als voormalig voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, liberaal burgemeester, initiatiefnemer van de Université Libre de Bruxelles en Grootmeester van het Grootoosten van België was Verhaegen een boegbeeld van de vrijzinnigheid avant-la-lettre.

 1864: Quanta cura

Bij zijn intronisatie werd Pius IX nog beschouwd als een moderne en zelfs ‘liberale’ paus. Deze opvatting verdween vrij snel. Met de encycliek Quanta Cura liet de paus in 1864 geen twijfel meer bestaan over zijn reactionaire houding. De pauselijke tekst op zich was niet zo overweldigend, maar de bijlage hierbij – de zogenaamde ‘Syllabus’- des te meer. Hierin werden 80 vergissingen of ‘dwalingen’ opgesomd, zoals rationalisme, socialisme en communisme, liberalisme en andere meningen en opinies die de belangen van de Katholieke Kerk in de samenleving zouden schaden. Aan katholieke zijde was de invloed van de Syllabus bijzonder groot.

1872: Schrapping van de Opperbouwmeester

H020cet Grootoosten van België, dat in zich zowat alle vrijmetselaarsloges van het land verenigde, had in 1854 alle bezwaren aangaande politieke en religieuze gespreksthema’s binnen de tempelmuren laten varen. In 1872 werden aansluitend alle verwijzingen naar de Opperbouwmeester van het Heelal, alsook naar de bijbel, facultatief gemaakt. Dit voorbeeld werd vijf jaar later gevolgd door het Grootoosten van Frankrijk. Hiermee had de Belgische vrijmetselarij definitief de weg van de vrijzinnigheid, en op termijn van het atheïsme, ingezet.

1885: Oprichting van de Fédération Nationale des Sociétés de Libre Pensée

Bij haar oprichting in 1885 groepeerde de Fédération nationale des Sociétés de Libre Pensée ruim 35 vrijdenkersbonden, voortkomend uit allerhande overtuigingen en beweegredenen. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog was het aantal aangesloten of gelieerde verenigingen opgelopen tot driehonderd, goed voor een totaal van 25.000 leden. Ook andere koepels van vrijdenkersbonden vonden onderdak bij de Fédération Nationale, zoals de Vlaamse Vrijdenkersfederatie en de invloedrijke Fédération rationaliste de Charleroi. Tijdens het Interbellum vond de Fédération Nationale een hernieuwde adem. Op het congres van 1932 werden nieuwe statuten aangenomen,  waarbij het belang van solidariteit en broederlijkheid tussen de verschillende rationalistische en vrijzinnige verenigingen werd onderstreept. Het zwaartepunt lag echter bij de Franstaligen: na de Tweede Wereldoorlog waren een zevental regionale federaties in Brussel en Wallonië actief, elk met hun eigen standpunten. In het noorden ging de in 1895 opgerichte Vlaamse Vrijdenkersfederatie in 1951 over in de Vrijdenkersunie.

1894: Opname van het principe van Vrij Onderzoek in de statuten van de ULB

In 1856 werd de term ‘Libre Examen’ of Vrij Onderzoek voor het eerst gebruikt in een tekst van de Union des Anciens Etudiants van de Université Libre de Bruxelles. Het moet beschouwd worden als een reactie op de dogmatische manier van lesgeven en onderzoek die aan de KU Leuven floreerde, terwijl de docenten van de ULB hun eigen visies naar voren wilden brengen zonder op de Index geplaatst te worden. In de periode 1890-1894 hadden heftige onlusten aan de universiteit plaats. Deze ontstonden vooral uit een generatieconfict tussen de oude beheerders van de universiteit en de jongere professoren en studenten. De oude beheerders bleven trouw aan hun liberaal doctrinaire ideeën en waren filosofisch gezien spiritualisten en deïsten. De jongeren hingen een in hun ogen progressief liberalisme, het socialisme of het anarchisme aan; zij waren positivisten en agnostici. Na de afwijzing van een aggregatie-thesis in de filosofie over experimentele psychologie, waarbij zintuigelijke waarnemingen effectief op rationele wijze getest werden, verwierpen de studenten het oordeel van de promotor en eisten toepassing van het Vrij Onderzoek. Hieruit ontstonden hevige onlusten, waarbij de rector gedwongen werd ontslag te nemen. De vrijzinnige standpunten van de studenten werden geïllustreerd door het studentenlied Le Semeur, in 1890 geschreven door de studenten Georges Garnir en Charles Mélant, die betrokken waren bij de onlusten. Het werd al snel de hymne van de hele universitaire gemeenschap.

Toen de Raad van Bestuur in 1894 terugkwam op zijn besluit om de beroemde anarchistische geograaf Elisée Reclus uit te nodigen voor een lessenreeks, braken er opnieuw onlusten uit en had er een schisma plaats. De studenten wonnen het pleit en nog dat jaar volgde de opname van het principe in de statuten van de universiteit, die voortaan in haar eerste artikel stelde dat haar onderwijs op het Vrij Onderzoek gebaseerd was. De beroemde stelling van de Franse wiskundige Henri Poincaré – ‘Het denken mag zich nooit onderwerpen…’ – volgde later.

De 20e eeuw

1905: Loi de Séparation

Naar 1900 toe volgde de Franse regering een onmiskenbaar antiklerikaal beleid: vanaf 1901 was het voor kloosterorden en katholieke congregaties niet langer mogelijk om erkenning door de overheid aan te vragen, terwijl anderen het label van ‘non-autorisé’ kregen opgekleefd. De spanningen met de Kerk leidden in 1904 tot de verbreking van de diplomatieke banden met het Vaticaan. Een jaar later werd het concordaat, dat Napoleon in 1801 met de Heilige Stoel had afgesloten, eenzijdig opgeblazen. Met de afkondiging van de Loi de Séparation op 9 december 1905 waren Kerk en Staat in Frankrijk voortaan volledig van elkaar gescheiden.

1909: Francisco Ferrer

In 1909 werd de Catalaanse pedagoog, vrijdenker en vrijmetselaar Francisco Ferrer i Guàrdia ten onrechte ervan beschuldigd aanstichter te zijn van revolutionaire en anarchistische rellen in Barcelona. Na een een schijnproces werd hij door een militaire rechtbank ter dood veroordeeld en gefusilleerd. De internationale protesten, vooral dan aan vrijzinnige en socialistische zijde, waren groot. Tal van scholen en straten werden naar Ferrer genoemd, en in 1911 droeg de  vrijmetselaarsloge Les Amis Philanthropes ertoe bij dat een monument in de Brusselse binnenstad werd opgericht. Sinds 1984 bevindt zich dit op de Rooseveltlaan, vlak tegenover de hoofdgebouwen van de ULB. Ferrer zelf werd door de Spaanse overheid al in 1912 gerehabiliteerd.

1923: Verbod op promotie van abortus

De wet van 20 juni 1923 verbood alle publiciteit rond abortus. Ze was het gevolg van een wetsvoorstel dat voormalig christendemocratisch premier Henry Carton de Wiart goed anderhalf jaar eerder had ingediend. Er volgde een lange discussie in het parlement, maar uiteindelijk werd de wet, die een tweetal artikels uit het Strafwetboek wijzigde, toch gestemd. Hierdoor werd ‘aanzetting tot vruchtafdrijving’ en ‘propaganda tot het voorkomen van zwangerschap’ strafbaar. Pas in 1973 werden deze artikels opnieuw gewijzigd.

1951: De Vrijdenkersunie en het Humanistisch Verbond

In memoriam Lucien De Coninck, uit: Het Vrije Woord (Collectie CAVA)

In memoriam Lucien De Coninck, uit: Het Vrije Woord (Collectie CAVA)

Hoewel de Vlaamse Vrijdenkersfederatie aan het einde van de jaren 1930 een veertigtal lidverenigingen telde, schoot daar na de Tweede Wereldoorlog niet veel meer van over. Toen de Federatie zich in 1951 omvormde tot Vrijdenkersunie, was het eigenlijk alleen maar de Antwerpse afdeling die stelselmatig activiteiten organiseerde, zoals het Feest van de Vrijzinnige Jeugd. Het antiklerikalisme en de antigodsdienstigheid van de Vrijdenkersunie was in feite een overblijfsel van de 19e eeuw. Intussen was er, onder meer onder impuls van de Nederlander Jaap Van Praag, een andere invulling gegeven aan vrijzinnigheid. Voortaan werd de mens, en niet zozeer het antiklerikalisme centraal gesteld. Het was vanuit deze benadering, en onder impuls van de ideologische bewustwording ten gevolge van de Koningskwestie en de daarop aansluitende verkiezingsoverwinning van de CVP, dat eveneens in 1951 het Humanistisch Verbond werd opgericht. De initiatiefnemers waren Robert Dille – directeur van de Antwerpse Stedelijke Hogere en Middelbare School,  Karel Cuypers – studieprefect van het atheneum van Hoboken, en Lucien De Coninck – bioloog aan de Rijksuniversiteit Gent. De contacten tussen Dille en Garmt Stuiveling, ondervoorzitter van het Nederlandse Humanistisch Verbond, werkten inspirerend. Met de financiële, morele en ideologische steun van drie Nederlandstalige vrijmetselaarsloges – Marnix van Sint Aldegonde in Antwerpen, De Zwijger in Gent en Balder in Brussel – werden in het voorjaar van 1951 de eerste vergaderingen van het Humanistisch Verbond gehouden.

1956: La Pensée et les Hommes

De nationale radio-omroep NIR kende in 1932 aan de Fédération Nationale des Sociétés de Libre Pensée het recht toe om maandelijks een uitzending van een kwartier te verzorgen. De Federatie deed al eens stof opwaaien en de eerste uitzending, die zou handelen over meisjesonderwijs, werd meteen al door de katholieke minister die verantwoordelijk was voor de NIR uit de ether gehouden. Na de tweede wereldoorlog kreeg de Katholieke Radio-Omroep de gelegenheid om -naast de traditionele eucharistievieringen- veelvuldig programma’s uit te zenden. Ook bij de start van de NIR als televisiezender in 1953 konden de katholieken jaarlijks rekenen op 26 uitzendingen van telkens een halfuur. Niemand vertegenwoordigde de vrijzinnigheid; daarom verzorgde de NIR zelf wekelijks een uitzending van 10 minuten in de geest van de lekenmoraal.  In 1956 werd er voor de uitzendingen een comité opgericht, wat resulteerde in de eerste aflevering van La Pensée et les Hommes. Gevoelige thema’s zoals voorbehoedsmiddelen, vrouwenrechten, de doodstraf of seksuele opvoeding vormden niet zelden de kern van deze uitzendingen. In 1963 werd een formeel akkoord tussen de verschillende godsdiensten en levensbeschouwingen afgesloten wat betreft hun radio- en televisieprogramma’s. Voor de Nederlandstalige vrijzinnigen werd in 1975 het Humanistisch Instituut voor de Massamedia (HIMM) opgericht, die onder meer de organisatie van de radiouitzendingen op zich nam; in 1981 volgende de oprichting van de vzw Het Vrije Woord, met daaronder de vrijzinnige televisieomroep Lichtpunt.

1958: Het Schoolpact

Socialistisch minister Léo Collard verscherpte in 1955 de subsidievoorwaarden voor het vrij onderwijs. Collard stelde met de wet van 27 juli 1955 ook dat de keuze tussen godsdienst en zedenleer – dat als schoolvak in 1924 in het leven was geroepen – in het technisch onderwijs niet langer verplicht was. In dit geval konden de ouders voor hun schoolgaande kinderen vrijstelling van godsdienstlessen krijgen, maar kregen ze er niets voor in de plaats. Deze en andere beleidsdaden gaven aanleiding tot een nieuwe schoolstrijd. De gemoederen bedaarden uiteindelijk in 1958, toen de socialistisch-liberale regering Van Acker was vervangen door een nieuwe bewindsploeg onder leiding van de CVP’er Gaston Eyskens. Onderhandelingen tussen de drie traditionele partijen leidden op 20 november tot de afkondiging van het Schoolpact. De wet die hieruit voortvloeide stelde regels op voor de organisatie van het onderwijs en de subsidiëring, en dit voor de officiële en vrije netten. Veel van de afspraken van 1958 hebben vandaag nog niet aan belang ingeboet. Het Schoolpact werd ingegeven door twee fundamentele principes met betrekking tot onderwijs: keuzevrijheid en democratisering. Voortaan hadden alle officiële lagere en middelbare scholen de opdracht om aan de ouders de keuze tussen moraal en godsdienst aan te bieden.

1961: OVM

Ten gevolge van het Schoolpact moest er worden nagedacht over de precieze invulling van het vak zedenleer en de opleiding die de leerkrachten ervan moesten volgen. In maart 1961 werd door de minister van Onderwijs een specifiek leerplan voor dit vak, gegeven in de lagere scholen, uitgevaardigd. Het vak was verplicht in het rijksonderwijs en vrij te kiezen in de gemeentescholen.  Onder invloed van inspecteur zedenleer Richard Van Cauwelaert, en met steun van de Antwerpse afdeling van het Humanistisch Verbond, werd op 23 juni 1961 de Oudervereniging voor de Moraal opgericht. De OVM kende direct succes. In haar doelstellingen riep de OVM op om alle krachten te verenigen die begaan waren met de cursus niet-confessionele moraal. Haar ambitie bestond erin om de cursus uit te bouwen, de leerkrachten te steunen en wantoestanden en misbruiken aan te kaarten. Op de Algemene Vergadering van december 1962 werd een nationaal bestuur aangesteld, onder meer samengesteld uit voorzitter Juliaan Van Hoeylandt en leden Jaap Kruithof, André Vanhassel en Herman Buskens. De OVM werd bovendien gedefinieerd als een werkgroep van het Humanistisch Verbond.

1964: Stichting voor Morele Bijstand aan Gevangenen

In 1958 namen zes leden van Humanitas het initiatief om het probleem van de vrijzinnige bijstand aan gevangenen te bestuderen. Vier jaar later stemde de minister van Justitie in om, bij wijze van experiment, vier morele consulenten aan te stellen in de gevangenissen van Mechelen en Nijvel. In 1963 volgde de oprichting van de Stichting voor Morele Bijstand aan Gevangenen vzw, waarvan de statuten in april 1964 werden neergelegd. Per Koninklijk Besluit van 6 oktober 1964 is de Stichting erkend als instelling van openbaar nut. In Antenne. Kontaktblad voor morele dienstverlening werd de morele consulent kort voorgesteld:

Logo van de Stichting Morele Bijstand aan Gevangenen (Collectie CAVA)

Logo van de Stichting Morele Bijstand aan Gevangenen (Collectie CAVA)

De morele consulent bezoekt zijn beschermeling meestal in de cel, de plaats waar de gevangene zijn privacy opbouwt. Dit menselijk contact is de belangrijkste taak van de morele consulent, ze is delicaat en geheel vertrouwelijk. Hoe men best deze taak tot een goed einde brengt hangt af van verscheidene factoren. De begeleiding vergt aanleg en kennis. De morele consulent dient zich bewust te zijn van deze taken en van de verantwoordelijkheden die hij hieromtrent dient te nemen. Bij iedere beschermeling afzonderlijk wordt een aangepast contact opgebouwd dat afhankelijk is van de gevangene zelf. Immers niet iedereen heeft dezelfde noden. Ook tegenover de directie en de gevangenisbewaarders moet een relatie opgebouwd worden. Dit werk is geen sinecure. Het begint pas goed na een jaar regelmatig bezoek in de instelling. In de meeste gevallen doet de morele consulent aan zelfvorming. Niet altijd is het contact gemakkelijk. (uit: Antenne, jg2, nr.1, maart 1984, p.9)

1966: UVV

Meerdere vrijzinnige verenigingen en organisaties gingen in 1965-’66 over tot de stichting van een koepelorganisatie, de Unie Vrijzinnige Verenigingen. Onder de initiatiefnemers vonden we, naast HV, onder meer de Oudstudentenbond van de VUB, de OVM, HJB en Humanitas. Op dat ogenblik was het niet aan de orde dat UVV de officiële gesprekspartner tussen de georganiseerde vrijzinnigheid en de overheid zou worden. Die bevoegdheid kwam pas later. Intussen vormde de feitelijke vereniging zich in 1971 om tot vzw. Vandaag telt UVV meer dan dertig lidverenigingen, gevestigd in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. UVV stelt zich tot doel de vrijzinnige niet-confessionele gemeenschap te vertegenwoordigen. Daarnaast heeft zij de opdracht de niet-confessionele dienstverlening te coördineren. Dit laatste verloopt via de Centra voor Morele Dienstverlening en de huizenvandeMens. In 2011 heeft UVV de roepnaam deMens.nu aangenomen in haar communicatie naar het publiek.

Campagne vrijzinnigheid, 1987 (Collectie CAVA, archiefbestand UVV)

Campagne vrijzinnigheid, 1987 (Collectie CAVA, archiefbestand UVV)

1968: HJ

De Humanistische Jongeren of Hujo is vandaag zowat de enige vrijzinnig-humanistische jeugdvereniging in Vlaanderen. Oorspronkelijk richtte de vereniging zich tot de leeftijdsgroep van 16 tot 35 jaar. Ze ontstond in 1968 uit de fusie van een aantal werkgroepen en verenigingen. Het is dus een koepelorganisatie waaronder plaatselijke afdelingen autonoom activiteiten en vormingen kunnen organiseren.

1969: CAL

Na de Tweede Wereldoorlog was de Fédération Nationale des Sociétés de Libre Pensée in vrije val. Ironisch genoeg schudde de brand in het Brusselse warenhuis ‘A l’Innovation’ in 1967 de Franstalige vrijzinnigen wakker: bij de herdenkingsplechtigheid van de meer dan 200 slachtoffers was er geen officiële vertegenwoordiging van de vrijzinnigheid uitgenodigd. Het doel van het nieuwe Centre d’Action Laïque, als vzw opgericht in 1969, was niet alleen aan Franstalige zijde de vrijzinnigheid te vertegenwoordigen, maar ook om de werking van de aangesloten lidverenigingen te coördineren en te ondersteunen. De samenstelling van de federatie is echter een stuk complexer dan deze van haar Vlaamse evenknie UVV. Er bestaan onder de CAL bijvoorbeeld 27 losse verenigingen maar ook 7 regionale federaties.

1969: Ontdubbeling ULB-VUB

In 1968 wordt de unitaire Katholieke Universiteit Leuven gesplitst, waaruit de nieuwe en eentalig Franse  universiteit van Louvain-la-Neuve zal ontstaan. Ten gevolge hiervan wordt ook de Université Libre de Bruxelles, waar al een reeks van opleidingen in het Nederlands werd gegeven, ontdubbeld. Met ingang van het academiejaar 1969-1970 gaat de Vrije Universiteit Brussel als onafhankelijke volwaardige universiteit verder. Op een voormalig oefenterrein aan de rijkswachtkazerne van Etterbeek wordt een nieuwe campus gebouwd.

1972: De fakkel

In 1972 namen alle Belgische vrijzinnig-humanistische verenigingen de gestileerde rode fakkel als symbool aan. Voordien werden er al fakkels, in alle mogelijke verschijningsvormen, gebruikt om de vrijzinnigheid te verbeelden. Het was echter het ontwerp van het lid van het Oostends Vrijzinnig Ontmoetingscentrum – de naam van Gilbert Deygers wordt daarbij het meest genoemd – dat vandaag algemeen aanvaard is. De vlam stelt licht, hoop en vooruitgang voor. De zes zwarte figuurtjes staan symbool voor de universele broederlijkheid. Sinds 1977 wordt de fakkel ook gebruikt op doodskisten en als hoofding van overlijdensberichten.

1972: CVR

Sinds 1972 is de Centrale Vrijzinnige Raad/Conseil Central Laïque actief. UVV en CAL leveren telkens vijf vertegenwoordigers, waarbij de voorzitters van beide koepel s gezamenlijk het voorzitterschap van de CVR waarnemen. De CVR is het officieel orgaan van het vrijzinnig humanisme in België. Het is de officiële gesprekspartner van de overheid.

1975: Humanistisch Vrijzinnig Vormingswerk

In 1975 werd het decreet op het socio-cultureel vormingswerk voor volwassenen afgekondigd. Dit had voor HV en OVM rechtstreeks gevolgen. Tot dan toe organiseerden HV en OVM groepsactiviteiten en vormingen naast hun andere opdracht. Die opdracht bestond voor HV uit de verdediging van de vrijzinnnig-humanistische levenshouding in het algemeen en voor de OVM uit onderwijsgerelateerde materies.  De socio-culturele activiteiten werden losgekoppeld en voortaan georganiseerd door een nieuwe organisatie: het Humanistisch Vrijzinnig Vormingswerk (HVV). HVV werd echter onmiddellijk gekoppeld aan ofwel HV, ofwel OVM – precies omdat vormingen, uitstappen of evenementen voor het doelpubliek van HV anders waren dan voor dat van OVM. En zo ontstonden overal regionale HVV/HV- en HVV/OVM-kernen. Intussen ging ook het OVM-Ouderblad op in Het Vrije Woord – niet onder druk van de wetgever, maar uit financiële overwegingen.

1975: HIMM

Het Humanistisch Verbond verzorgde al enige tijd enkele programma’s op de nationale omroep, zoals de televisie-uitzendingen van Het Vrije Woord en het radioprogramma Lekenmoraal en Filosofie. Ter ondersteuning van deze uitzendingen ontstond in 1975 het Humanistisch Instituut voor Massamedia (HIMM). De inhoud van de radio- en televisieprogramma’s werd letterlijk weergegeven in het tijdschrift De Vrije Micro. Daarnaast organiseerde HIMM ook studiedagen en nam zij zichzelf voor ook boeken uit te geven en een documentatiecentrum uit te bouwen. De vzw werd in 2001 ontbonden, maar haar activiteiten werd al in 1995 overgedragen naar de nieuwe Humanistisch Vrijzinnige Dienst.

1978: HOOS

Vanuit HVV/HV werd aan het einde van de jaren 1970 de noodzaak gevoeld om een nieuwe dochtervereniging in het leven te roepen die zich specifiek met de Derde Wereld zou bezighouden. Zodoende ontstond in 1978 de Humanistische Organisatie voor Ontwikkelingssamenwerking of HOOS. De eerste doelstelling van HOOS bestond erin te reflecteren over de oorzaken van sociale ongelijkheid in de wereld, en om inkomsten te verwerven voor de financiering van projecten, zonder daarbij effectief en ter plaatse ontwikkelingshulp te organiseren. Wel werd indirecte hulp geboden door de verkoop van geïmporteerde producten, waarmee HOOS eigenlijk op hetzelfde terrein actief was als OXFAM. Door haar samenwerking met het Nationaal Centrum voor Ontwikkelingssamenwerking was HOOS ook betrokken bij 11.11.11. Een echt grote organisatie is HOOS nooit geworden, en na een terugval in de late jaren 1980 werd HOOS officieel in 1993 ontbonden.

1984: Recht op Waardig Sterven

Voorzitter Leon Favys omschreef in 1984 missie en ontstaan van de Vlaamse Vereniging voor Recht op Waardig Sterven:

Het doel van de vereniging is eigenlijk de idee van de vrijwillige, milde dood bespreekbaar maken, en ook een detaboeïsering van het idee van de dood. Op lange termijn proberen we ook een legalisering te bekomen van euthanasie. Dat is wat het doel betreft. De oorsprong is misschien een privaataangelegenheid geweest. Mijn vrouw en ik zijn allebei lid van de Franstalige vereniging AMD die toen de enige vereniging was die in België terzake bestond. Na enige tijd heeft men ons gevraagd of we in Vlaanderen een dergelijke vereniging wilden oprichten. Hier bestond niets en zo is het uit de hand gelopen, want wij zijn toen ook toegetreden met het idee, die mensen gaan ons helpen, moest er ooit iets gebeuren. Uiteindelijk is het iets heel anders, zijn we zelf begonnen met de mensen proberen te helpen al dan niet concreet, daadwerkelijk, maar wel op het vlak van de ideeën, de ideologie dus.

1990: De Mini-Koningskwestie

Hoewel de abortusthematiek sinds de jaren 1960 regelmatig op de agenda van de vrijzinnig-humanistische verenigingen stond, volgde de echte maatschappelijke doorbraak pas in de jaren 1980. In 1986 dienden de senatoren Lucienne Herman-Michielsens (PVV) en Roger Lallemand (PS) een wetsvoorstel in om abortus uit het Strafwetboek te lichten. De aanloop naar dit wetsvoorstel was lang en complex, en ook de behandeling ervan beroerde de gemoederen. Op dat ogenblik werd België bestuurd door een CVP/PSC-PVV/PRL-coalitie onder leiding van Wilfried Martens. De val van de regering over de kwestie-Voeren betekende niet het einde van de abortusdiscussie. Na zeer lange coalitiegesprekken brachten Martens en Jean-Luc Dehaene een nieuwe meerderheid op de been, nu gevormd door CVP/PSC-SP/PS-Volksunie. Het standpunt van de grootste partij van het land, de CVP, over abortus bleef ongewijzigd. Verzoeningspogingen haalden niets uit, maar niemand – ook niet binnen de CVP – wenste de regering te laten struikelen. Zo kreeg het parlement de vrijheid zelf een oplossing te vinden. Deze bestond erin abortus tot de twaalfde week toe te laten; nadien was dit enkel toegestaan wanneer het leven van de moeder in gevaar was of de foetus zeer zware afwijkingen vertoonde. De wet werd op 6 november 1989 door de Senaat goedgekeurd, op 29 maart 1990 volgde de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Om de nieuwe wet te kunnen bekrachtigen was de koninklijke handtekening nodig. Omwille van gewetensbezwaren weigerde Boudewijn zijn opdracht als staatshoofd uit te voeren. Premier Martens zag zich genoodzaakt om via een grondwetsartikel de koning ‘in de onmogelijkheid tot regeren’ te verklaren. Gedurende 48 uur werd de koninklijke functie ingevuld door het geheel van de regering. Alle ministers waren bijgevolg verplicht de abortuswet te ondertekenen.

Uit: Het Vrije Woord, mei 1990 (Collectie CAVA)

Uit: Het Vrije Woord, mei 1990 (Collectie CAVA)

1993: Grondwettelijke erkenning van de vrijzinnigheid

Op donderdag 22 april 1993 stemde de voltallige senaat, met uitzondering van 13 tegenstemmers van de senatoren van Vlaams Blok en ROSSEM, voor het wetsvoorstel Lallemand ter aanvulling van grondwetsartikel 117. Het was de laatste stap alvorens de niet-confessionele gemeenschap kon worden erkend. In een persbericht bracht HV hulde aan iedereen die zich hiervoor had ingezet:

De erkenning toont aan dat geen moeite gespaard mag worden om, zelfs in een democratisch land, een samenleving op te bouwen, die op wederzijdse eerbied en op het aanvaarden van waardendiversiteit steunt. Het mag een verheugende ontwikkeling worden genoemd dat een zo opmerkelijk aantal parlementsleden het voorstel van de senatoren Lallemand, Vandersmissen, Hasquin, Seeuws, Vaas en Desmedt onderschreven. Het is tevens de gelegenheid hulde en dank te betuigen aan Willy Calewaert en Karel Poma, leden van de Raad van Bestuur van HV, die als parlementsleden de eerste stappen op deze erkenningsweg hebben gezet. HV zal dan ook door deze erkenning de vrijzinnige levensbeschouwing in al haar facetten verder uitdragen en optreden als verdediger van een totale integratie van de vrijzinnige levensbeschouwelijke waarden in onze maatschappij. (Kaderblad Humanistisch Vrijzinnig Vormingswerk,  nr.133, 1993, p.3)

De 21e eeuw

2002: Euthanasiewet

Sinds de jaren zestig stond euthanasie (het op eigen verzoek beëindigen van het leven of helpen bij zelfdoding wegens ondragelijk lijden) regelmatig op de vrijzinnig-humanistische agenda. In de jaren 1980 werd het vraagstuk onder de aandacht gehouden door de Association pour le Droit de Mourir dans la Dignité en haar Vlaamse evenknie Recht op Waardig Sterven. Met de paars-groene regering-Verhofstadt kon het euthanasiedebat via parlementaire weg worden afgerond: op 28 mei 2002 werd de zogenaamde ‘euthanasiewet’ afgekondigd. Deze stelt dat de aanvrager meerderjarig en handelsbekwaam moet zijn: hij of zij die euthanasie aanvraagt moet bewust de gezondheidssituatie kunnen inschatten en op de hoogte zijn van behandelingsmogelijkheden en alternatieven. Medisch gezien moet de toestand van de aanvrager uitzichtloos zijn, wat door de arts wordt bevestigd. De arts heeft wel het recht om euthanasie te weigeren. De wet kan in de toekomst wel verfijnd worden. Wat immers met minderjarigen en wilsonbekwamen en personen die euthanasie wensen omwille van ondragelijk psychisch lijden? Einde 2013, begin 2014 kwam deze problematiek opnieuw op de politieke agenda.

2003: Het huwelijk opengesteld voor iedereen

In 2001 was Nederland het eerste land ter wereld waar het voor  personen van hetzelfde geslacht mogelijk werd om een burgerlijk huwelijk te sluiten. Het Nederlandse voorbeeld werd twee jaar later door België gevolgd door de wet van 13 februari 2003. De rechten en plichten van de gehuwden zijn bijna gelijklopend aan die van heterohuwelijken, alleen zijn er enkele verschillen op het vlak van nalatenschap wat de kinderen van niet-heterokoppels betreft. Sinds 2006 kunnen gehuwden van hetzelfde geslacht zich ook als adoptieouders  aanmelden. Op deze vlakken is België misschien vooruitstrevender dan bijvoorbeeld Frankrijk, waar de debatten over de uitbreiding van het burgerlijk huwelijk tot in 2013 hoog oplaaiden. Naar aanleiding daarvan twitterde premier Di Rupo dat hij trots is op zijn land ‘waar alle koppels het recht hebben om te trouwen’.

Reacties gesloten