Activiteit

Verhalenmiddag - Jong en vrijzinnig (Hasselt)
Locatie: VOC Hasselt
Datum: 15/09/2013
Uren: 12:00 - 14:00

In de reeks Verhalenavonden hield CAVA ook halt in het VOC Hasselt. Voor een keer werden de verhalen, getuigenissen, anekdotes en herinneringen niet ‘s avonds, maar smiddags verteld. Het centrale thema was: jong en vrijzinnig. Zoals steeds werden de gesprekken opgenomen. Hieronder vind je de verschillende geluidsfragmenten. Luister en herbeleef deze interessante middag.

Aan het woord zijn:
Ken Godfroid, 20er, student, lid van hujo
Jill Neven, 30er, tewerkgesteld in de zorgsector
Lut Machiels, 50er, lid van HV/HVV-Hasselt
Henri Vrancken, 80er, gepensioneerd bibliothecaris, lid van Grijze Geuzen

Deze verhalenavond vond plaats met de steun van de Vlaamse Overheid, deMens.nu, HVV en UPV.

Vrijwilligers transcribeerden de audiofragmenten die gemaakt werden tijdens deze verhalenavond. Onder elk audiofragment kan u de uitgetypte tekst terugvinden. Het zijn telkens woordelijke transcripties, geen letterlijke.

Ken Godfroid over moreel consulent, jeugdwerking, Sint-Truiden, vrijzinnigheid, familie, niet-confessionele zedenleer, onderwijs



Ken Godfroid: In het jaar 2005 is er in Sint-Truiden een antenne opgestart geweest. Dat was een moreel consulent die bij zedenleer een beetje informatie kwam geven over vrijzinnige jeugdbewegingen, enz. Ikzelf zat toen in het katholiek secundair onderwijs in Sint-Truiden. Vrijzinnigheid, dat kenden wij thuis niet. Thuis wist ook niemand wat dat was of waar dat juist voor stond. Vrienden hebben mij daar eigenlijk in meegenomen in die jeugdbeweging om dat op te starten. Dan zijn we daar meer over beginnen praten en dan is het begrip ‘vrijzinnigheid’ voor mij duidelijk geworden. Wij komen uit een katholiek gezin. In het lager onderwijs zat ik in een gemeenschapsschool en daar volgden bijvoorbeeld ook maar twee of drie mensen zedenleer. Het zal misschien iets regionaals geweest zijn, dat er een sterke katholieke gemeenschap was. Het is eigenlijk vooral via die jeugdbeweging gebeurd.

Ken Godfroid over vrijzinnigheid, jeugdwerking, familie, Sint-Truiden, hujo



Ken Godfroid: Omdat het gewoon niet bekend was, was de eerste reactie “Ja maar, wat is het dan? Het is toch geen soort sekte?” Ze wisten gewoon niet wat het was. Na veel gesprekken gevoerd te hebben ’s avonds in de zetel, heb ik duidelijk kunnen maken dat daar geen vreemde en bizarre dingen gebeurden. Het is gewoon een samenzijn en praten over dingen die ons elke dag bezighouden en vragen hebben over dingen en daar in een groep over kunnen praten.

Jimmy Koppen (interviewer): Dat werd dan als heel eigenaardig beschouwd?

Ken Godfroid: Zeker. Dat werd als heel eigenaardig beschouwd. Waarom heb je er nood aan om over die dingen te praten? De moreel consulent van de antenne in Sint-Truiden ging rond in de zedenleerklassen en heeft daar dan een aantal geïnteresseerden gevonden om dat op te starten, waaronder een groep van vrienden van mij. Zij hebben mij uitgenodigd op de eerste vergadering, bij de opstart. Ik had wel interesse en het was een gezellig samenzijn met vrienden om dingen te gaan doen. In het begin was dat niet per se als “de jonge humanisten”. Ik wist ook niet wat het allemaal betekende. Voor mij was het meer een soort van samenzijn met een groep vrienden. En dan later, door activiteiten te organiseren, begin je erover na te denken.

Jimmy Koppen (interviewer): Dus het waren eerst activiteiten, fuiven bij wijze van spreken? En dan pas de achtergrond?

Ken Godfroid: Ja. Vlak na de opstart zijn we op weekend geweest. Daar was die moreel consulent ook bij. Door een soort gezelschapsspelletjes te spelen, gingen we op verkenning naar wat het juist was en wat het betekende. Ik vond dat zeer tof en zo kom je natuurlijk ook iets te weten.

Lut Machiels over familie, paus, misviering



Lut Machiels: Mijn vader was tot op het moment dat hij gestorven is zeer katholiek en heel pausgezind. Als de paus op televisie kwam, moesten we allemaal zwijgen en stil zijn en begon hij er — bij wijze van spreken — bijna bij te kwijlen. Het was dan ook wel een beetje een gevecht om onder dat juk uit te komen, als we op bepaalde leeftijd — Wanneer begint dat te wringen? Toen we een jaar of 14, 15 waren? — zeiden: “We gaan niet meer mee naar de mis!” Dat was elke zondag een gevecht om niet naar de mis te moeten. Onze pa sleurde ons dan uit ons bed en we moesten dan wel naar de mis. Voor de lieve vrede gingen we dan toch maar mee. Elke keer opnieuw was dat een gediscussieer. Na een tijd wordt dat toch opgegeven: hij heeft opgegeven om ons te verplichten en ik heb het opgeven om met hem te discussiëren met argumenten en om hem te overtuigen dat hij misschien ook eens fout zou kunnen zijn. Ik verstond ze eigenlijk niet. Toen ik heel jong was, was het nog in het Latijn en ik begreep dat dus amper. Ik vond dat wel wat mystiek, maar ik begreep het niet. Toen kwam het in het Nederlands en ik begreep het nog altijd niet. Dat was inderdaad een probleem, maar ook wel het feit van het niet-geloven en dan te moeten meedoen met die poppenkast, eigenlijk tegen mijn eigen overtuiging. Dat was heel moeilijk. En maar discussiëren met mijn vader met argumenten. Volgens hem bestond er maar één juiste godsdienst en dat was de katholieke. In tegenstelling tot Jill, dacht ik niet dat hij gelijk had. Ik zei tegen hem: “Je beseft toch dat als jij protestant, moslim of boeddhist geweest zou zijn, ik dat ook geweest zou zijn? Je beseft toch dat er geen ware godsdienst bestaat.” Dat was een argument dat hij niet vatte. We zijn wel altijd blijven omgaan met elkaar, maar de grens was bereikt: ik was niet gelovig en hij wel. Problemen met hem persoonlijk heeft dat nooit echt gegeven. Het werd gewoon niet aanvaard. Alleen had hij het er een beetje moeilijk mee. Er werd niet over gesproken.

Lut Machiels over Feesten Vrijzinnige Jeugd, lentefeest, communie, familie, niet-confessionele zedenleer



Lut Machiels: We waren met veel kinderen. Bij elke eerste en plechtige communie werd een groot feest gegeven met alle nonkels en tantes. Bij mijn moeder en vader waren ze telkens met acht thuis, dus dat was altijd een heel groot familiefeest. Er waren altijd met de hand gerolde kroketten. Het voorgerecht was ook altijd hetzelfde: ofwel krabcocktail ofwel koninginnenhapje. Het was altijd zeer klassiek. Dat waren echt wel serieus grote feesten.

Jimmy Koppen (interviewer): Dus je associeert een communiefeest eigenlijk met een echt feest, met eten — en niet zozeer met de plechtigheid?

Lut Machiels: Nee, dat klopt. Het communiefeest? Dat vormsel was eigenlijk helemaal niet belangrijk. De cadeautjes en het feest waren wel belangrijk.

Jimmy Koppen (interviewer): En voor je eigen kinderen? Wat heb je daarvoor gekozen?

Lut Machiels: De kinderen volgden zedenleer, dus zij vierden automatisch het lentefeest en het feest van de vrijzinnige jeugd. We hebben de kinderen het lentefeest laten doen, omdat het voor hen logisch was dat ze dat meededen met de kinderen van de school. De meeste kinderen deden hun eerste communie en dus was het logisch dat onze kinderen ook een feest kregen. Je doet mee met dat feest omdat je ze niet wil uitsluiten uit het feestelijk gebeuren. Wij vierden dat feest om ook een feest te hebben, om de kinderen die dag in de belangstelling te zetten en ook cadeautjes te laten krijgen. Het was ook een groot feest met de familie, maar wel zonder kroketten. Spijtig genoeg had ik wel veel broers en zussen, maar aan de papa zijn kant was er helaas maar één broer, dus het evenwicht was wel een beetje verstoord.

Jimmy Koppen (interviewer): Dan kom je bij het feest vrijzinnige jeugd terecht. Dat is dan toch wel iets anders? Dat is moeilijker om in te vullen, veronderstel ik?

Lut Machiels: Feest van de vrijzinnige jeugd: dan zijn ze eigenlijk al op weg naar de jonge volwassenheid. Je probeert van dat feest toch iets aparts te maken. “Jullie zijn op weg naar volwassenheid. Doe er iets mee. Denk er eens over na.” Dat is echter niet zo evident op die leeftijd. Dus het feest en de cadeautjes zijn op dat ogenblik nog altijd belangrijker dan de echte invulling.

Lut Machiels over Hasselt, onderwijs, leerkracht, misviering, abortus, atheneum



Lut Machiels: In het lager onderwijs was er het gekende verhaal van de negertjes en het behalen van stempeltjes in de mis. Als je een bepaald aantal stempels had, kreeg je meer punten op goed gedrag. Dergelijke zaken. In het secundair was dat wel al iets beter. Sommige leerkrachten waren een beetje maniakaal en andere wat minder. Met het ouder worden, waren er ook wel leerkrachten die openstonden voor dynamiek, voor discussie en die je eigenlijk zelf deden nadenken. Zij gooiden ook van alles in de klas om over te discussiëren en namen altijd een controversieel standpunt in. Uiteindelijk was dit wel positief: er werd veel gediscussieerd waarbij de ene dit zei en de andere dat. Op die manier leerden we wel nadenken en begrijpen hoe het in elkaar zat.

Jimmy Koppen (interviewer): Wat bedoelt u met controversiële standpunten? Want u zat op een katholieke school?

Lut Machiels: Ja, de leerkracht nam bijvoorbeeld een standpunt in in verband met abortus, een heel actueel thema begin jaren 1970. Dan zei hij bijvoorbeeld dat we tegen abortus moesten zijn. Dat lokte weer een hele discussie uit. Dat soort thema’s haalde hij aan.

Jimmy Koppen (interviewer): Het was dus mogelijk om in discussie te treden?

Lut Machiels: Ja, op dat moment wel.

Jimmy Koppen (interviewer): Wat u nu zegt, is toch een groot verschil met de periode waarin u bij de Grauwzusters zat en er nog een directrice was die in habijt rondliep?

Lut Machiels: Ja, dat klopt. De ene was zeer progressief en de andere niet. Er was bijvoorbeeld een leerkracht wiskunde, een vervangster, en zij was zwanger, maar bleek niet gehuwd te zijn. Zij moest de school verlaten. Er waren wel zaken die absoluut niet konden, maar er waren ook zaken die dan weer wel konden. Het was een beetje geven en nemen, omdat het toen eigenlijk ook allemaal aan het veranderen was.

Jimmy Koppen (interviewer): Hoe stond men dan tegenover de andere scholen, bijvoorbeeld het Atheneum? Was dat aanvaardbaar?

Lut Machiels: Neen, het woord ‘atheneum’ alleen al kenden we niet. Die school werd zo niet genoemd. Dat waren scholen die niet konden, zogezegd scholen voor het slechte volk, de basse classe. Dat werd niet voor vol aanzien. Het werd ook zo benoemd en wij voelden dat ook zo aan, aangezien wij ook van thuis uit meekregen dat die scholen niet deugden. Het waren staatsscholen.

Lut Machiels over vrijzinnigheid, familie, school, Hasselt, Humanistisch Verbond



Lut Machiels: Ik kwam uit een katholiek gezin en ging naar een katholieke school. Al van in het lager onderwijs begon ik mij stilletjes aan emotioneel vragen te stellen. In het derde leerjaar werd er bijvoorbeeld gezegd dat kindjes die niet gedoopt zijn, nooit naar de hemel kunnen gaan. Zij gaan naar het voorgeborchte, wat dat ook moge zijn. Het was een stukje voor de hemel. Wij kwamen thuis uit een groot gezin. We zijn met elf kinderen, dus er werd wel regelmatig een baby’tje geboren. Als er een baby’tje geboren werd — dat totaal niks te zeggen had — bedacht ik mij dat dat kindje er niks aan kan doen dat het niet gedoopt is en bijgevolg niet naar de hemel mag. Ik vond dat eigenlijk niet eerlijk. Wat ze eigenlijk allemaal vertelden op de school, is zo langzaamaan beginnen te wringen.

Jimmy Koppen (interviewer): Welke school was dat?

Lut Machiels: Dat was wat we hier in Hasselt ‘de Blauwe Nonnen’ noemen, de humaniora Virga Jesse. De mensen zullen die school allicht wel kennen.

Jimmy Koppen (interviewer): De Grauwzusters?

Lut Machiels: Ja, die school was het eigenlijk. Zo ben ik beetje bij beetje mijn geloof verloren – vooral in de kerk. Het woord ‘vrijzinnig’ kenden wij niet, dus er werd geen etiket op geplakt van “ik ben vrijzinnig”, maar gewoon van “ik ben niet meer gelovig”. In de jaren tachtig — door contacten met andere mensen — heb ik mij dan aangesloten bij het HV.

Jimmy Koppen (interviewer): Was die aansluiting een bewuste keuze?”

Lut Machiels: Op dat moment wel. In die zin dat ik mij niet absoluut wou engageren bij een andere groep dan de katholieke kerk, maar vooral om de mensen die niet gelovig waren — de vrijzinnigen — een groter platform te geven, om een stempel te kunnen drukken op de groep niet-gelovigen, vrijzinnigen. Dat is eigenlijk de reden waarom ik mij toen lid gemaakt heb.

Lut Machiels over Hasselt, onderwijs, katholieke school



Lut Machiels: Op dat moment was ik eigenlijk al niet meer gelovig, maar ik zat nog altijd op een katholieke school en wij moesten dan op bezinningsweekend. Waarschijnlijk zijn er nog veel mensen onder ons die dat wel kennen, het fameuze bezinningsweekend. Daar moesten we dan ook nog voor betalen en dat was eigenlijk wel redelijk duur. Samen met een aantal medeleerlingen ben ik daartegen gaan reclameren bij de onderdirecteur om te zeggen dat het niet correct was dat wij verplicht werden om iets te volgen waar wij niet achter stonden en dat wij daar ook nog voor moesten betalen. Ik had een hele lijst gemaakt met argumenten waarom dat niet kon. Die man zei: “Kijk, je ouders hebben ervoor gekozen om je naar een katholieke school te sturen en zij hebben er dus ook voor gekozen dat je al die zaken volgt.” Ja, toen waren we natuurlijk uitgepraat en ik ben toch moeten gaan.

Lut Machiels over doop, familie, kinderen, ontdopen, Hasselt



Lut Machiels: Het was een bewuste keuze van mijn partner en mij, omdat we niet al op voorhand onze kinderen in een bepaald kader wilden duwen. Het was de bedoeling om hen zelf de wereld te laten ontdekken en zelf hun keuzes te laten maken. Als wij dat voor hen doen, kunnen zij die keuze niet meer maken. Dat hebben ze met ons gedaan, want wij zijn gedoopt en kunnen niet meer anders. Dat hebben we willen vermijden en dus hebben we de bewuste keuze gemaakt om hen niet te dopen. Als we hen al in een kader zouden willen duwen, dan zeker niet binnen de katholieke kerk. Het was dus inderdaad een bewuste keuze. Al is dat niet zo evident, want het werd zeer moeilijk aanvaard. Thuis was ik niet de eerste, maar de tweede die zijn kinderen niet heeft laten dopen. Voor mijn partner was het de eerste keer en dat is niet zo evident om ze niet te laten dopen.

Jimmy Koppen (interviewer): Je kan jezelf natuurlijk ook altijd laten ontdopen?

Lut Machiels: Dat weet ik, maar de katholieke kerk krijgt daar nog altijd geld voor. Of je nu ontdoopt bent of niet. Dus ik zie daar niet meteen het nut van in.

Jill Neven over Feesten Vrijzinnige Jeugd, lentefeest, communie, Hasselt



Jill Neven: Als kind vond ik het altijd zeer storend dat ze steeds vroegen: “Wat heb jij gekregen voor jouw communie?” Ik heb zelf ook mijn lentefeest en mijn feest van de vrijzinnige jeugd gedaan. Mijn oudste zoon heeft dit jaar ook zijn lentefeest gedaan. We hebben samen met de mensen hier een plechtigheid gehouden, waar we alle waarden en normen die we in ons gezin belangrijk vinden, aangehaald hebben. Hij heeft daarin ook zelf inspraak gehad. We hebben een soort contract gemaakt over wat wij verwachten en wat hij verwacht. Ik vind dat wel belangrijk. Je mag jonge kinderen al zeggen wat je van hen verwacht en je mag de discussie op gang brengen van wat jij belangrijk vindt en wat zij belangrijk vinden in het leven. Dat lentefeest was er een goede aanzet toe. Ik vind dat wel belangrijk en ik vind die feesten geen vervanging van een communie.

Jimmy Koppen (interviewer): Namen veel mensen deel aan het lentefeest?

Jill Neven: Hier in Hasselt was het een zeer grote groep, maar wij hebben het voor onze zoon zelf georganiseerd en niet meegedaan met de school. Het is hier in Hasselt echt wel een hele grote groep en ik denk dat ze het over twee dagen hebben moeten verdelen.

Jill Neven over Genk, Hasselt, lentefeest, onderwijs, atheneum, niet-confessionele zedenleer, leerkracht



Jill Neven: In Genk had je alle godsdiensten, dus daar werd niet gekeken naar wat je precies volgde. Dat was in Hasselt wel zo. In de eerste jaren werd je door klasgenootjes wel wat gepest en voor minderwaardig aanzien. Het ergste wat ik heb gehoord was toen mijn nichtje in het eerste leerjaar zat en haar lentefeest ging doen. De dagen dat de andere kinderen naar de catechese waren — want dat was tijdens de lessen — moesten zij en haar klasgenootje die zedenleer volgden naar een andere klas. Zij moesten schrijven: “Alle fatsoenlijke kinderen gaan naar de kerk en ik niet.” Voor een rijksbasisschool was dat er toch wel over. Dat is nadien wel uitgepraat met de directie. Om even terug te komen op wat Lut daarnet zei over de blauwe nonnen: ik heb op een Atheneum gezeten en toen ik daar in het laatste jaar zat bestond toch nog steeds die rivaliteit tussen Jessecollege — zoals het toen al heette, want het was toen reeds samengegaan met het College — en het Atheneum. We gingen wel met elkaar om en wij deden wel veel dingen samen. We kenden elkaar allemaal als laatstejaars, maar de rivaliteit van “wij zijn beter” leefde toen nog altijd. Geen idee of het nu nog bestaat, want het is voor mij nu ook bijna twintig jaar geleden.

Jimmy Koppen (interviewer): Heeft die leerkracht die u toen had invloed op u gehad, op uw manier van denken?

Jill Neven: Ja, eigenlijk wel en niet alleen die van zedenleer. In mijn laatste jaren van het middelbaar kon je bij heel veel vakken eigenlijk discussiëren met leerkrachten. Bij zedenleer is mij bijvoorbeeld bijgebleven — behalve dan de ‘leraar-hoppers’ noem ik dat: het ene jaar is de godsdienstleerkracht leuk en volgden ze godsdienst; het jaar erna volgen ze zedenleer — dat we met de leerkracht een Plan-kindje geadopteerd hebben. Die man was zelf heel geëngageerd voor van alles en nog wat. Daar heb ik wel veel van opgestoken, ook leren argumenteren. Dan gaf hij een onderwerp en dan moest je daar argumenten voor zoeken, ook al stond je er niet achter. Je moest dat toch leren beargumenteren. Dat was wel leuk eigenlijk.

Jill Neven over Hasselt, vrijzinnigheid, familie



Jill Neven: Ik heb het gewoon van thuis uit meegekregen en ik heb het op een gegeven moment ook gemerkt op school. Wij waren met twee die dat niet deden. De kindjes die godsdienst volgden, vertelden allerlei zaken en ik heb mij altijd vragen gesteld bij wat zij vertelden. Ik heb ook altijd gedacht: “Neen, thuis zijn ze juist”. Ik heb mij dus nooit afgezet tegen hetgeen ik thuis heb meegekregen. Ik heb mij nooit moeten afzetten, want ik heb mij altijd kunnen vinden in wat thuis verteld werd. Ik heb dat wel in vraag gesteld, maar ik ben tot de conclusie gekomen dat ze het thuis bij het rechte eind hadden. De waarden en normen die thuis hoog in het vaandel gedragen werden, waren gelijkheid, vrijheid,… Ik mocht van kleins af aan al in discussie treden met mijn ouders. Zolang ik mijn standpunt kon argumenteren, werd dat gerespecteerd. “Waarom? Daarom!” was thuis nooit van toepassing. Het werd altijd uitgelegd. Ik kon mij niet vinden in de discussie “Er is een god.” “Waarom?” “Omdat ik het zeg.” Dat strookte niet.

Jill Neven over jeugdwerking, Hasselt, Leuven, rode kruis



Jill Neven: Een humanistische jeugdbeweging was er hier niet. Wel ben ik ooit als vijfjarige met een groep uit het Leuvense op kamp geweest. Maar het was niet logisch om daar elke week naar toe te gaan. Thuis waren ze heel formeel: KSA, KSJ, Chiro, VKSJ waren ‘not done’. Ik mocht daar niet naartoe. Toen is mijn achterbuurjongen mij komen halen, want in Sint-Lambrechts-Herk had je het Jeugd Rode Kruis. Dat was pluralistisch en daar mocht ik wel naartoe. Ik ben daar tot ik 20, 21 jaar oud was, bijgebleven. Dat was wel heel tof. Je leerde er iets, bijvoorbeeld wondzorg, maar we deden ook heel veel spelletjes. Een deel van die leidingsgroep was eigenlijk wel vrijzinnig, dus we drukten die stempel er wel wat op. We deden ook veel spelletjes tegen racisme, enz. En daarna ben ik ook bij het Rode Kruis gebleven als vrijwilliger.

Jimmy Koppen (interviewer): Dus het Jeugd Rode Kruis was eigenlijk een soort vrijzinnige levensbeschouwing?

Jill Neven: Niet helemaal. Helemaal in het begin was één van de leiders daarbuiten ook nog misdienaar en leider in de Chiro. Maar zij stonden wel open voor dingen. Je kon ermee in discussie treden. Daarnaast waren het allemaal mensen die van hun ouders niet bij katholieke organisaties mochten aansluiten. Dus het was niet uitgesproken, het werd niet gezegd, maar we hadden allemaal dezelfde achtergrond.

Jimmy Koppen (interviewer): Heeft u ooit problemen gehad bij het uitdelen van stickers?

Jill Neven: Ja. Elk jaar rond 1 mei vindt die stickeractie plaats. Ik stond in Sint-Lambrechts-Herk aan de kerk op zondagmorgen stickers te verkopen. Wij stonden op bepaalde plaatsen: het Salvatorziekenhuis, de kerk, de Delhaize in Sint-Lambrechts-Herk. Ik stond op de trappen van de kerk en de pastoor duwde mij er af. “Weg hier! Ik wil geen ketters op mijn stoep!” Ik kon vertrekken. Ik ben maar vertrokken, want het was niet het moment om daar als zestien-, zeventienjarige een scène te gaan maken.

Henri Vrancken over doop



Henri Vrancken: In die tijd vroeg men jou, wanneer je jezelf ergens voorstelde: “Ben je gedoopt?” Dat vroeg men jou. Dat was er bij.

Henri Vrancken over Grijze Geuzen, vrijzinnigheid, Hasselt, fakkel, onderwijs, symbolen, Vrijzinnig Ontmoetingscentrum



Henri Vrancken: Ik ben hier — bij de Grijze Geuzen — ongeveer tien jaar. Vorig jaar hebben we het tienjarige jubileum gevierd in het huisvandeMens. Iets later ben ik hier aangekomen en heb ik de vrijzinnigheid ontmoet. Maar vrijzinnig? Dat sluit zowat bij iedereen aan. Ik moet daarvoor teruggaan naar 1943. Ik zat toen op de school Broeders van Liefde. Daar kon je van alles leren, behalve liefde. Daar kreeg je een kaartje en dat kaartje diende om mee naar de mis te gaan, want je kreeg elke dag een stempel, als je naar de mis was geweest. Er zullen nog wel mensen zijn die hetzelfde meegemaakt hebben. Ik werd toen als vierde stem in het zangkoor ‘De Demervinkjes’ opgenomen, omdat ik een goede stem had. Daar moest ik alle kyrie’s van buiten leren en daar ben ik het in feite beu, kotsbeu geworden. Dat was er te veel aan, want we hadden middagpauze van half twaalf tot half twee en ze verminderden dat met een half uur, omdat het dan de les was voor de kyrie’s. Toen ongeveer heb ik gezegd: “Nu is het gedaan!” Toen ik 14 jaar was, heb ik dat allemaal ‘adieu’ gezegd en de missen waren gedaan. Als dat het begin van vrijzinnigheid is, dan heb ik daar de eerste steen gelegd. Het woord ‘vrijzinnig’ bestond toen echter nog niet. Natuurlijk, het symbool van de fakkel — het staat hier voor de deur — bestond al in de jaren 1800. Hier, op het oude kerkhof in Hasselt, op de graven van de oude liberalen die toen in verzet kwamen tegen het grote monopolie van de christelijkheid, staat de omgekeerde fakkel. Ik kan u die graven aantonen. Het bestaat dus al veel langer.

Jimmy Koppen (interviewer): Maar die fakkel heeft u pas gezien op het moment dat u hier binnenkwam?

Henri Vrancken: Natuurlijk.

Jimmy Koppen (interviewer): Dat is ongeveer twintig jaar geleden, bij het ontstaan van de VOC.

Henri Vrancken: Ja. Ik wist dat wel. Via mijn nicht ben ik hier ongeveer tien jaar geleden binnengekomen.

Henri Vrancken over VOC, Hasselt, vrijzinnigheid



Henri Vrancken: Vrijzinnig zijn? Dat is leven zonder complexen. Dat is vrijzinnig zijn. Dat moeten — “Je moet dit, je moet dat.” — dat is er niet. Wij moeten niks. Wij leven ons eigen leven. Dat is vrijzinnig zijn. We hebben hier nu een huis waar we ons thuis voelen. Ik ben dus blij dat ik dat hier gevonden heb. Ik voel mij hier goed. Ik zal besluiten met het volgende: “In het huisvandeMens verloopt alles naar wens.”

Henri Vrancken over filmzalen in Hasselt



Henri Vrancken: Als we nu eens kijken naar de naoorlogse tijd: de kerken zaten vol, de mensen stonden zelfs tot buiten aan de deur. In die tijd was men natuurlijk zeer devoot. Er hing wel een groot bord met de namen van de cinema’s aan de kerk: Cameo, Plaza, Eden Palace, Rerum Novarum en CMK. Dat was toen nog altijd een soldatenkring. Wat stond daarachter? “Kinderen niet toegelaten”, “Kinderen niet toegelaten”, ”Kinderen toegelaten”, “Te mijden” — Eden Palace. Ik kan u daarover vertellen. Er speelde in die periode een film en die heette Clochemerle. Dat was de eerste film — in Hasselt sprak men er schande van — waarin een blote tiet te zien was en een meisje met een dikke buik. Amai, wat was dat voor een schandaal!? Maar elke zaal zat vol. Devote Hasselaren waren ook daar. Dat kan ik u vertellen.

Het publiek over Hasselt, gemeenteschool, communie, atheneum, Brussel, niet-confessionele zedenleer, Universiteit Gent, Humanistisch Verbond, Lucien De Coninck



Publiek: Ik kom uit een tijd, waar er in de lagere school waar ik gezeten heb niet gekeken werd naar godsdienst of zedenleer. Dat bestond niet. Dat was een gemeenteschool en wie zijn communie wou doen, moest dan speciaal naar een catechesecursus. Deze ging enkele weken voor de eigenlijke communie door en zij deden dan hun communie, maar kwamen daarna terug naar de les in het zesde leerjaar. In de lagere school heb ik daar dus nooit iets van gehoord. Ik zat in de lagere school van 1940 tot 1946/7. Ik ben dan naar het Atheneum van Brussel gegaan en daar waren toen lessen godsdienst — katholieke godsdienst — en zedenleer. Dat was de situatie die Denise beschreven heeft, namelijk wij kregen les van een romanist in zedenleer, maar het waren thema’s die behandeld werden. Nu, ik heb daar geluk gehad, want dat was een man die ons ook kritisch heeft leren denken. Dat was mijns inziens toch iets bijzonders aan de lessen zedenleer/moraal. Een keer afgestudeerd in het Atheneum in Brussel — waar ik eigenlijk zedenleer gevolgd heb —, ging ik naar de universiteit. Het was in 1951, aan de universiteit van Gent, dat we in contact gekomen zijn met het begin — het opborrelen — van het idee van een vereniging. Toen is namelijk het HV — het Humanistische Verbond — gesticht. Eén van onze proffen, professor De Conink, was een voorvechter en was betrokken bij de start van dat HV. Voor zover ik mij herinner, waren we in ons jaar — mijn vrouw was daar ook bij — met acht studenten. Ik geloof niet dat daar overtuigde katholieken bij waren. Ik herinner mij dat toch niet. De meesten werden dan als student lid van dat team van het Humanistisch Verbond. Wij zijn dat ook gebleven, ook nadat we afstudeerden. Ik heb dan — als Brusselaar — kennis gemaakt met Limburg en ik moet zeggen dat achteraf gezien mijn mond openviel van wat er hier nog als ideeën rondspookte over gelijkheid, denken, vrij denken. Ik heb daar persoonlijk geen problemen mee gehad. Ik kwam in het Atheneum van Genk terecht en daar bleken er op dat gebied ook geen problemen mee te zijn. Het was zo gemengd: met Italianen, met mensen die de Hongaarse opstand hadden beleefd en daar terecht gekomen waren — kinderen enzovoort — waardoor er echt geen sprake was van tegenstellingen. Persoonlijk heb ik dus nooit de problemen meegemaakt die hier aangehaald worden. Het enige — ik kan het u vertellen, want het is voorbij — mijn vader kon geen gebed lezen. Mijn vader was absoluut niet anti-godsdienstig, maar was gewoon niet godsdienstig. Mijn moeder wel en zo zijn wij uiteindelijk toch voor de kerk getrouwd om de lieve vrede ten opzichte van mijn moeder te bewaren. Zo ging dat en er is nooit echt discussie geweest. Wij dateren in onze opleidingen van de tijd voordat de tegenstellingen zo tot uiting zijn gekomen. Ik vond het dus zeer logisch om hier in Limburg mee te werken — dat was toen met Herman Lievens — om hier een HV te starten en sedertdien — ik weet niet meer precies in welk jaar dat was — ben ik lid gebleven en ben ik actief gebleven.

Het publiek over niet-confessionele zedenleer, vrijzinnigheid, leerkracht, opleiding moraalwetenschap



Man uit het publiek: Ik wil gewoon duiden dat wij de vrijzinnigen nog niet zo lang kennen — ik denk een jaar of zes, zeven. Dat is een geweldige ervaring voor ons geweest. Als wij nu echter eens een andere kennis zien — buiten de vrijzinnige kring — en zeggen dat we hiernaartoe komen, dat we daar zo van kunnen genieten en dat we kunnen praten, dan moet je niet veel meer zeggen of je wordt uitgeschakeld en scheef bekeken. Dan ben je niet normaal. Dat is de ervaring die wij hebben. Op de school hebben we dat ook zo ervaren. Onze zoon zat op de handelsschool. Toen hij naar het middelbaar ging, waren ze met twee van de 24 die zedenleer volgden. Telkens de les godsdienst begon, moesten zij twee buiten: “De twee ketters dienen het lokaal onmiddellijk te verlaten.” Dat was altijd zo. Dat heeft een jaar geduurd en het jaar daarna waren er al 12 kinderen die zedenleer volgden. Er waren 12 ketters bij. Dat waren zondaars.

Het publiek over Brussel, atheneum, leerkracht, niet-confessionele zedenleer, Gent, HV, Lucien De Coninck, familie, vrijzinnigheid, Limburg



Publiek: Ik heb het grootste deel van mijn loopbaan moraal gegeven. Ik heb ook moraal gevolgd, vanaf het eerste middelbaar al. In die tijd kregen wij zedenleer — zo noemde men dat toen —, maar dat had er weinig mee te maken. Het ging over het Rode Kruis — het waren meer maatschappelijke problemen die daar besproken werden. Later echter, toen ikzelf moraal gaf in het middelbaar — van het eerste tot het laatste jaar — bestond er nog geen opleiding specifiek om moraal te mogen geven. Ik heb dus handels- en financiële wetenschappen gedaan op de hogeschool; ik ben dus licentiaat handels- en financiële wetenschappen. Ik heb één keer economie en wiskunde — een interimjob — gegeven. Daarna heb ik Nederlands, Frans en Geschiedenis gegeven. Uiteindelijk ben ik moraal beginnen geven en ik heb dat de rest van mijn loopbaan gedaan. Op dat ogenblik werd ik aangesteld in Tongeren in de Rijksnormaalschool. Ik moest daar een opleiding geven in het regentaat voor toekomstige leraren moraal. Ervoor was er echter niks. Ik kon dus ook nergens op steunen. Alleen maar vanaf toen was er een speciale opleiding. Aan de universiteit is het — denk ik, als ik mij niet vergis — zelfs nog later begonnen. Voordien, oorspronkelijk, in de jaren 1950, waren het dus allemaal mensen die geen opleiding gehad hadden, die gewoon, zoals je zei, als ze niet genoeg hadden met Nederlands en Engels, dan maar een paar uurtjes lessen moraal moesten bijgeven en iemand anders moest ook maar een paar uurtjes moraal bijgeven. Toen ik begon in Tongeren gaf ik les aan de kleuterleidsters, aan de onderwijzers, aan de regenten,… en ik moest naar het middelbaar gaan met mijn studenten om lessen te volgen en lessen te laten geven. Die dame die daar toen moraal gaf in het middelbaar was katholieker dan de paus. Ze had ook zeven of acht kinderen en mocht van haar man niet aan geboortebeperking doen en van die toestanden. Ja, dat was toen zo. Er was geen opleiding en dan was het vaak zo: “Als u een tekort hebt, geef het dan maar.” Toen had dat weinig met een opleiding te maken. Ik denk dat het pas later meer een vrijzinnige stempel gekregen heeft.

Reacties gesloten