Activiteit

Verhalenavond - Verschillende generaties aan het woord (Kortrijk)
Locatie: VC Mozaïek (Kortrijk)
Datum: 25/03/2014
Uren: 19:30 - 22:00

In de reeks Verhalenavonden hield CAVA ook halt in het Mozaïekcafé te Kortrijk. Het werd een bijzondere avond waarbij vier vrijzinnigen van vier verschillende generaties hun persoonlijk verhaal vertellen over de Kortrijkse vrijzinnigheid. Zoals steeds werd deze avond opgenomen. Hieronder vind je de verschillende geluidsfragmenten. Luister en herbeleef deze interessante avond.

Aan het woord zijn:
Donald Buyze, 50er, leerkracht
Rosa De Borger, 70er, gepensioneerd leerkracht
John Deloof, 20er, tewerkgesteld in de zorgsector, lid van de raad van bestuur van Mozaïek
Dascha Vandeputte, 40er, zelfstandige, lid van de raad van bestuur van Mozaïek

Deze verhalenavond vond plaats met de steun van de Vlaamse Overheid, deMens.nu, UPV-VUB en HVV.

Donald Buyze over Wervik, priester, kinderen, kerk


Donald Buyze: Toen ik de leeftijd bereikt had om mij voort te planten, gingen wij in het dorp Kruiseke wonen, waar ik nu nog altijd woon. Toen kwam de pastoor op bezoek. Ik was mijn plafond aan het afbreken van op mijn tafeltje. We waren — een beetje naast elkaar — een gesprek aan het voeren en ik wou toch wel beleefd blijven en blijven antwoorden. Op een gegeven moment stel ik de vraag: “Hoeveel inwoners telt het dorp Kruiseke bij Wervik?” En hij zei: “Dat telt 830 zielen.” En ik zei: “Ja, er zijn hier nu in dat huis” — we hadden juist dat huis gekocht — “vijf zielen doorgegaan. Dat zijn er dan nog 825 en er zijn geen zielen bijgekomen.” Goed, dat was misschien een oorlogsverklaring aan die pastoor. Zo heeft hij dat waarschijnlijk ervaren, maar ik wou gewoon zeggen: “Ik ben vrijzinnig.” Een paar weken later kregen wij onze eerste zoon, Kobie. Hij kwam toen naar de kraamkliniek — net zoals bij Rosa — en toen heeft mijn vrouw in een laatste soort wee hem kunnen ‘wegweeën’, zodat hij niet kwam. Kobie zou niet gedoopt worden. Drie zondagen later, toevallig in diezelfde periode, deed mijn neefje wel zijn plechtige communie. Hij moest dan naar de kerk gaan — hij is ook maar een paar keer geweest —, maar toevallig was dat dus in die periode waarin zijn eerste neefje niet gedoopt werd. Toen hoorde hij de priester iets zeggen, over het feit dat het naar beneden ging met de maatschappij: “En beminde parochianen, dat er zelfs in ons dorpje mensen zijn die hun kinderen niet laten dopen!” Dat waren wij dan. Jurgen — op dat moment 12 jaar — had dat heel goed gesnapt. Iedereen snapte heel goed wat hij bedoelde. Dat was de reden — want wij kwamen van andere dorpen — dat wij in dat dorp gedurende jaren, decennia, niet aanvaard zijn geweest.

Donald Buyze over kerkelijk huwelijk, Kortrijk, familie


Donald Buyze: Ik ben getrouwd voor de kerk en ik ga vertellen hoe dat gekomen is. Ik was al vrijzinnig vanaf mijn tiende, denk ik. Ik denk dat je vrijzinnig geboren wordt, maar dit terzijde. Vervolgens hangt het volgens mij een beetje af van uw opvoeding of dat blijft duren of niet. Mijn opa was het jaar voor ik trouwde gestorven en toen mijn oma — zo christelijk — hoorde dat wij niet voor de kerk gingen trouwen, maar een burgerlijk huwelijk zouden sluiten, ging zij in hongerstaking. Zij woog maar 40 kilo en je zou kunnen zeggen: “Ik veeg daar mijn voeten aan.” Dat zijn echter emotionele zaken op dat ogenblik en ik ben dan voor de kerk getrouwd.

Donald Buyze over misviering, Kortrijk, kerk, priester


Donald Buyze: Van mij was dat tamelijk… Dat was in mijn misdienaarcarrière, trouwens ook op het einde van mijn misdienaarcarrière, want die dag is het fout gelopen. Ik moest voor de eerste keer een trouwmis dienen. Mijn opa, Pol Buyze, draaide elk jaar in de winter de koorden samen met Danny, mijn neef, en mij: een driekleurkoord. Dat was dan voor de misdienaars en die moesten dan gedurende dat jaar daarmee de koppeltjes stroppen als ze uit de kerk gingen, al dan niet zingend. Zij moesten dan geld geven. Het was zo’n gebruik. Ik weet niet of dat dat nu nog zo is. Op een zeker moment was ik ook van dienst en ik moest mijn eigen touw vastnemen, samen met mijn vriend, collega en misdienaar. Dat was iemand uit onze buurt die trouwde en die gaf overvloedig. Ik weet nog het bedrag: 1517 Belgische franken. Wij zagen al de frank- of de dollartekens in onze ogen. Het was elk 700 en zoveel — wij hadden dat al uitgerekend — en daar bleef welgeteld 20 frank van over voor ons. Dan heb ik gezien: “Ja, daar gaat het over in de kerk.” Dat was voor mij, los van alle religieuze overwegingen, toch al een teken: “Ja, het zit eigenlijk niet goed met die kerk.” Dat was in de jaren 1960.

Donald Buyze over lentefeest, OVM, Feesten Vrijzinnige Jeugd, Kortrijk, VOC


Donald Buyze: Mijn historie als regisseur van het Lentefeest, OVM Kortrijk, enz. Die 50 jaar hebben we — misschien een doekje voor het bloeden — de schouwburg altijd gratis gekregen voor het Feest Vrijzinnige Jeugd. Ja, natuurlijk weegt dat niet op tegen al de miljoenen die ze kregen voor de kerkfabrieken in Kortrijk. Men heeft mij verteld dat dat verworven rechten waren al die jaren en nu nog altijd. Maar goed, wij krijgen die schouwburg en dat is wel goed. Wij zitten hier in het Vrijzinnig Centrum. Ik kan daar niet zoveel over vertellen. Ik zie mensen in de zaal die daar meer over kunnen vertellen: wat de impact is van subsidiering van de stad voor dit centrum. Het is echter een strijd die wij al die jaren wel gevoerd hebben. Ik herinner mij nog dat wij met OVM vroeger in Brasserie Du Théâtre zaten. Dat was een frituur voor de schouwburg. Ik weet dat nog heel goed, want dan moest ik helemaal ‘ontfrituurd’ worden na zo’n vergadering. In het begin deed ik daar verse kleren voor aan en nam ik een douche om dan mooi voor de dag te komen in die bestuursvergadering van OVM. En ’s anderendaags rook je, nee, was je in feite frituur, qua geur. Wij hebben dan gezegd: “Ja, we moeten toch wel een eigen huis hebben.” Dat is dan het ‘vocske’ geworden, ‘VOCtje’, hier in de buurt. Dan is het dat hier geworden, dankzij Doris en Filip en Erik en Pascal en de mensen. Prachtig dat we dat hier hebben. Om maar te zeggen dat we toch een weg hebben afgelegd. Dat zij een weg hebben afgelegd, in Kortrijk toch.

Donald Buyze over Feesten Vrijzinnige Jeugd, Kortrijk, katholicisme, niet-confessionele zedenleer


Donald Buyze: Die mentaliteit zit er nog altijd in. Het katholieke Vlaanderen bestaat nog altijd. Het is moeilijk uit te roeien — in zoverre dat we dat willen doen natuurlijk. Ik denk niet dat wij grote roeiers zijn; ik denk niet dat wij een roeiverleden hebben. Als leerkracht zedenleer zie ik mijn geschiedenis met eenleerlingklasjes. Je kan zeggen: “Kwantitatief gezien ben je erop vooruit gegaan.” Voor wat betreft de feesten: we hebben al een paar keer moeten splitsen in Kortrijk, omdat we te veel kinderen hadden. We hebben ooit een keer met zo’n 1300 mensen in de schouwburg gezeten. Dat ze kwamen zeggen van: “Ja, dat is niet meer te doen hier, he. We hadden dat moeten uitsplitsen.” We hebben dat dus regelmatig gedaan ook. Maar wat mij betreft is het altijd zo geweest dat de kwantiteit niets te maken had met de kwaliteit.

Donald Buyze over gemeenteschool, Kortrijk, niet-confessionele zedenleer, college, atheneum, godsdienstles, leerkracht, Ieper


Donald Buyze: Het is eigenlijk gewoon dezelfde geschiedenis die ik heb gehad, ook die katholieke, bij mij in de gemeenteschool in Geluveld, zogezegd een neutrale school. Daar wordt nu zedenleer gegeven aan heel veel kindjes. Toen ik daar zat, bestond dat niet. Ik heb die indoctrinatie gekend, zoals Rosa dat verteld heeft, en ik ben misdienaar geweest, een ‘mis-dienaar’. Dan is het misgelopen met de kerk, denk ik. Toen mocht ik niet naar het college — want ik was voorbestemd om naar het college te gaan in Ieper, Sint-Vincentius — maar mijn papa had het daar een keer op een lopen moeten zetten voor een sektegenoot van Roger Vangheluwe. Ik mocht niet naar het college van mijn papa, want hij wist wat er daar te koop was. Ik moest naar het atheneum, een beetje tegen mijn zin. Ik heb de Heer echter dank gezegd dat ik in het atheneum ben terechtgekomen. In het zesde Latijn — dat was dan het eerste middelbaar — heb ik een godsbewijs gevraagd aan de heer Emiel Benoot, notoir boekbespreker in De Standaard, toenmalig godsdienstleraar met het Romeins dingetje aan zijn hals. Hij had wel een vriendin, openlijk — en terecht ook, vond ik toen al. Wij vroegen met z’n allen eigenlijk, met een deel van de klas, een godsbewijs aan hem toen we 12 waren en hij kon dat niet geven volgens ons. Dan zijn we die eerste maand — dat was tot eind oktober dat we mochten veranderen — met z’n allen naar de zedenleer bij Frans Thevelin gegaan in Ieper.

John Deloof over godsdienstlessen


John Deloof: Ik heb geen lessen zedenleer gehad. Ik kan daar eigenlijk niet zoveel over zeggen. Ik heb wel lessen godsdienst gehad, maar ik moet wel zeggen — zeker in de latere jaren, in het middelbaar — dat dat eigenlijk ook niet meer over God ging. Ik denk dat dat heel zeker aan mijn leerkracht gelegen heeft. Dat was de leerkracht die filosofie en psychologie gaf en die gaf toevallig — want ze vonden niemand anders — ook godsdienst. Eigenlijk werd daar nooit over God gesproken, maar er werd wel gefilosofeerd over belangrijke thema’s in het leven en hoe iedereen daarover dacht. Daar heb ik toch de eerste keer ook de vrijheid ervaren in het onderwijs: om daar een eigen mening over te vormen, die niet moest stroken met een zeker ideaal of een zekere waarheid die in het boek stond. Ik denk dat dat voor mij toch ook wel een motivator geweest is om dat als jonge gast verder te gaan onderzoeken.

Donald Buyze over vrijzinnigheid


Donald Buyze: Het is niet echt modegericht denken: je eigen ding doen en je eigen invulling geven in je eigen leven. Dat is belangrijk en ik denk dat mijn drie panelgenoten, mijn ‘panelliefjes’, dat al ongeveer gezegd hebben. Dat je altijd en overal je eigen ding doet, je eigen mening hebt,… Als je bijvoorbeeld bekijkt wat er tegenwoordig op ons afkomt via de media. Je moet daar toch altijd je eigen mening over hebben en je eigen ding kunnen doen. Dat je daar gewoon altijd jezelf in blijft.

Donald Buyze over vrijzinnigheid, katholicisme, Grote Dialoog


Donald Buyze: Dat is humanisme, dat is nu eens vrijzinnigheid: dat je het uitvindt, dat je zegt: “Kijk, waar staan wij voor? Wat gaan wij doen? Wat zijn onze waarden ten opzichte van de katholieke waarden, enz.?” Voor een deel zijn die katholieke waarden — begrijp me niet verkeerd — menselijke waarden, humanistische waarden. Dat is overlappend, maar er waren een aantal waarden die niet overlapten en dat hebben wij dan in die ‘Grote Dialoog’ daar uit gepuurd, denk ik. Bijvoorbeeld: het feit van het kind centraal te stellen. Als je nu — met alle respect — de plechtige communie anno 2014 bekijkt… Ik mag daar eigenlijk niet over oordelen, maar men zegt mij dat. Dat is nog altijd hetzelfde: de pastoor die gebeden zegt en dan komt er voor 40% een kind aan bod. Wel, ik zeg dat onze feesten hier in Kortrijk voor 100% door de kinderen gemaakt zijn.

Donald Buyze over Polyfinario, Kortrijk, niet-confessionele zedenleer, hujo


Donald Buyze: Los nu van die feesten, waar ik ook wel heel veel mee te maken heb gehad, wil ik nog iets toevoegen. Ik denk dat we hier in Kortrijk een heel mooi experiment hebben qua jeugdbeweging: Polyfinario, waar ik ook mee aan de wieg van heb gestaan. Dat is dus een jongerenvereniging. Nationaal heet dat Humjos of hujo of zo. Sorry dat ik dat niet weet, maar ik heb me altijd al voor Polyfinario ingezet. Dat was gewoon iets in het verlengde van mijn cursus moraal. Ik vond dat normaal dat ik dat deed voor mijn leerlingen en dat ik daarmee ook op vakantie ging. Met mijn twee uurtjes kwam ik namelijk niet toe om hen waarden bij te brengen. Ik vond dat dus waardevol om met die leerlingen dan bijvoorbeeld — ik zeg maar wat — naar de Pyreneeën te trekken om daar een bivak te gaan doen van drie weken met ezels en dergelijke, om hen dingen te leren die meer dan waardevol zijn in een leven van een mens. Ik ben zo gelukkig als die twintigers nu naar mij toe komen, mij vastpakken en zeggen: “Donald, dat was het.” Polyfinario bestaat nu nog altijd. Volgende week vertrek ik weer met zes- en zevenjarigen op ‘Poly-boerke’ in het Polygoonbos. Daar gaan we aan de vrijzinnige waarden gaan werken.

Donald Buyze over niet-confessionele zedenleer, Ieper


Donald Buyze: Ik herinner mij dat wij ooit de revolutie hebben gepredikt vanuit de les zedenleer, echt waar. Ik was toen studentenleider, ik was 18 toen, en de enige die verantwoordelijk kon zijn voor de stoepwandeling in die jaren. Dat is dus gebeurd en dat kwam uit de les zedenleer. Ik zeg nu niet dat de les zedenleer moet oproepen tot iets politieks, maar het heeft mij in ieder geval politiek bewust gemaakt, zeker weten.

Donald Buyze en Rosa De Borger over Menen, ziekenhuis


Donald Buyze: Bij ons was dat in de vrijzinnige Bond Moyson-kliniek in Menen en toch werden wij daar overvallen door allerlei soorten pastoors en weet ik allemaal die daar de heilige boodschap kwamen brengen omwille van het imago van de kliniek. We gingen speciaal naar daar om niet geconfronteerd te worden met kruisbeelden en zusters en dergelijke en toch was het van dat — in 1979.

Rosa De Borger: Dat heb ik niet ondervonden. Ik ben daar een paar keer geopereerd in het Medisch Instituut en ik heb daar niets gehoord of gezien van pastoors of van wat dan ook. Nee, dat kan ik niet zeggen.

Donald Buyze: Ja, dat kan.

Rosa De Borger: Dat was in de jaren 1980.

Donald Buyze: Wat ik daarnet vertelde was in 1979, het jaar waarin Kobie werd geboren. In 1981 in feite ook, maar daar kan ik geen voorbeelden van geven. Maar in 1979 hadden wij daar echt last van.

Rosa De Borger: Ik heb dat niet ondervonden.

Donald Buyze: Maar sorry, de dokters waren wel in orde, hoor.

Donald Buyze, Rosa De Borger en Dascha Vandeputte over West-Vlaanderen, onderwijs, Kortrijk, atheneum


Donald Buyze: De boerenbuiten was katholiek tot en met. Weet je dat bijvoorbeeld, in de jaren 1990, in die dorpen in Groot-Zonnebeke ze het nog voor elkaar hebben gekregen om vrije katholieke basisscholen — dat waren dan de vroegere meisjesscholen, de nonnenscholen, ik denk in Passendale — te fusioneren met de gemeentelijke basisscholen. Men vond dat normaal. De toenmalige burgermeester heeft me dat eens verteld — nu nog: Dirk Cardoen. Hij vond dat normaal. Ik zei: “Ja, dat kan toch niet. Een gemeentelijke school is toch iets heel anders dan een vrije katholieke school.” Hij wist daar niets van en hij moest daarover oordelen, begrijpt u? Hij was de baas daarover, hij was de burgemeester.

Rosa De Borger: Toen ik de jaren 1950 op het atheneum zat, was er hier in Kortrijk een echte hetze tegen het rijksonderwijs. Ik weet nog dat men dan zei dat het een slechte school was. Van zodra de nonnekes wisten dat ik naar het atheneum zou gaan, werd ik apart geroepen en werd mij gezegd: “Gaat gij naar het atheneum? Zo’n slechte school!” Ze bedoelden dan dat ik op het slechte pad zou geraken. Dat was het slechte dat ze bedoelden, want dat was een gemengde school. Er gebeurde daar nogal iets tussen al die meisjes — niet zoveel meisjes, maar enfin — en die jongens. Dat kan je wel denken, dus het was een slechte school. Dat is lang zo geweest, hoor. Ik weet niet hoe ze daar nu allemaal over spreken, maar in die tijd was dat—

Dascha Vandeputte: Nu is dat nog voor een stuk zo. Toen ik begin jaren 1980 in het middelbaar zat, deden wij judo en we hadden daar veel vrienden die ook in het katholieke net zaten. Bepaalde van onze vrienden mochten van hun ouders niet meer met ons omgaan — omdat we in het rijksonderwijs zaten en zedenleer volgden en mijn ouders daarenboven ook nog eens gescheiden waren. Wij waren dus heel slecht en zouden de zieltjes bederven. Vandaag de dag: Vic zit nu niet in het gemeenschapsonderwijs. Hij volgt het Freinet in de Levensboom en daar zijn er mensen die vragen: “Waar zitten de groten? In het atheneum? Oh, zo’n slechte…” Dan denk ik: “Hoe kan jij dat nu weten? Je hebt er nooit school gelopen.” Ik ga ook geen oordeel vellen over een katholieke school. Ik heb er nooit gezeten en ik ken niemand persoonlijk die daar zit. Ik ga daar geen oordeel over vellen.

Donald Buyze en Dascha Vandeputte over Grote Dialoog, ontdopen, tijdschrift, Menen


Donald Buyze: Ik was ooit redactielid van Grote Dialoog, het vaktijdschrift moraal, en daar hebben wij ook — in de jaren 1970, 1980 denk ik — een actie gedaan van ontdopen. Toen schreven wij ook het bisdom Brugge aan om dat een beetje in orde te brengen en toen zeiden zij iets in de aard van: “Ja, meneer, kijk, of mevrouw, geachte, u bent geboren dus u kunt u niet ontboren laten worden, net zoals u zich niet kunt laten ontdopen.” Dat was toen het antwoord. Enfin, ondertussen is daaromtrent wel heel wat anders rond gebeurd, maar dat was toen het m.i. laconieke antwoord van het bisdom Brugge.

Dascha Vandeputte: Mijn ontdopen gebeurde niet zo heel lang geleden. Ik heb het gedaan tijdens de vorige actie hier — twee jaar terug, denk ik. Ik heb er echt heel veel moeite voor moeten doen: tot vier keer opnieuw moeten schrijven. Ik was ook gedoopt in het Medisch Instituut in Menen. Ja, de parochie? Ik ben gedoopt in het ziekenhuis. Dat is het enige dat ik weet. Mijn ouders zijn overleden, dus meer kon ik daar niet over zeggen. Op een bepaald moment heb ik uiteindelijk de telefoon genomen en gezegd: “Hoe zit het hier? Gaan jullie echt moeilijk doen over zo’n detail? Mijn ouders zijn overleden. Het trouwboekje is weg. Wij hebben dat niet meer. Ik kan dat niet terugvinden. Dat moeten jullie toch kunnen terugvinden in jullie registers.” Dat was echt moeilijk doen: “Ja, wij hebben zoveel aanvragen om het doopsel te schrappen.” Dan dacht je ook: “We zijn anno 2012 en toch nog zo moeilijk doen om iets te schrappen.” Ik vond het eigenlijk zelfs redelijk vernederend: het feit dat je zo twee of drie keer dezelfde papieren moet invullen en telkens tekst en uitleg moet geven bij je redenen. Ik dacht ook: “Er heeft mij niemand gevraagd: “Wil je wel gedoopt worden?”” Dat is ook iets dat mij werd opgedrongen. Mijn ouders hebben dat gedaan om de grootmoeder een plezier te doen. Nu is dat echter mijn bewuste keuze. Ik zie niet in waarom ik al die uitleg moet geven aan jullie en waarom jullie al die details moeten weten.

Rosa De Borger over familie, Kuurne, burgerlijk huwelijk, doop, kinderen


Rosa De Borger: Ik was de tweede in Kuurne. De eerste was mijn zuster, die nochtans altijd godsdienst gevolgd had. Ik was eigenlijk de tweede die niet voor de kerk trouwde, maar mijn ouders hielden dat wel stil. Ik had een moeder en een stiefvader, die trok zich van niets iets aan. Mijn moeder was zes maanden voor dat ik trouwde een café begonnen en zij dacht: “Als mijn dochter niet trouwt voor de kerk, dan ben ik hier mijn klanten kwijt of dan kan ik hier geen klanten krijgen.” Ik was oud genoeg opdat mijn ouders er niet meer moesten bij zijn en dat gebeurde in stilte: geen feest en ’s anderendaags op huwelijksreis. Mijn kinderen zijn ook niet voor de kerk getrouwd — mijn dochter tenminste, want mijn zoon is niet getrouwd.

Jimmy Koppen (interviewer): En zijn ze gedoopt?

Rosa De Borger: Ze zijn ook niet gedoopt en daar is eigenlijk ook een anecdote aan verbonden. Ik lag in de kraamkliniek en mijn dochter werd zes weken te vroeg geboren, dus prematuur. Zij lag direct vanaf de eerste dag in de couveuse en dat voor een paar weken denk ik, ik weet dat zo precies niet meer. De tweede of de derde dag kwam de aalmoezenier van de kliniek langs. Ik geloof dat ze dat zo noemen. Die kwam dus vragen: “Ja mevrouw, wanneer gaat ge het kleintje laten dopen?” En ik zei: “Dat wordt niet gedoopt.” Die mens kreeg precies alle kleuren: hij was kwaad en verontwaardigd. “Niet dopen, niet laten dopen? Ja, maar ja, ik heb dat eigenlijk al laten dopen, want ge kunt dat wel weten met een prematuurke.” Dat zei hij dus tegen een moeder die pas bevallen was van haar eerste kindje, dat in de couveuse lag. Dat was het antwoord dat ik kreeg en dat vond ik toch wel bijzonder grof.

Rosa De Borger over heiligen, familie, atheneum, jeugd, communie, Kortrijk, niet-confessionele zedenleer


Rosa De Borger: Toen ik bij de zusters naar het school ging — in de lagere school — kregen we daar natuurlijk godsdienst, veel godsdienst. We moesten de catechismus uit het hoofd leren. Dat heb ik dus gedaan. We kregen daar gewijde geschiedenis. Dat waren verhaaltjes uit de Bijbel, maar het Oude Testament vond ik wel interessant. Dat waren zo’n mooie verhalen. Ik had het echter al moeilijk — van toen ik een jaar of tien, elf was — met God en de hemel en de hel en God die almachtig was en alwetend en wat weet ik allemaal. Die Heilige Drievuldigheid: dat was nog het moeilijkste van allemaal. Ik kon dat precies niet geloven. Maar toen vertelde de zuster natuurlijk ook over de paus en ik geloof dat ze zei dat hij 60 talen sprak: Geweldig, he. Dat was een heel verstandig man, dacht ik. Ik was zo verwonderd dat die verstandige man dat allemaal geloofde. Eigenlijk heb ik dus altijd getwijfeld en eigenlijk is het dan wel begonnen met het naar het atheneum te gaan, lessen zedenleer te volgen en heeft zich dat dan geleidelijk ontwikkeld.

Jimmy Koppen (interviewer): Waren uw ouders praktiserend?

Rosa De Borger: Niet echt, nee. Ze waren wel gelovig, maar ze gingen niet naar de kerk. Ik heb wel mijn plechtige communie, enz. gedaan.

Jimmy Koppen (interviewer): Maar dan toch naar het atheneum daarna?

Rosa De Borger: Ja. Dat was eigenlijk toevallig. Een kennis van ons zei dat er in Kortrijk — want ik woonde in Kuurne — een school was, het atheneum, waar je kosteloos onderwijs kon krijgen. Aangezien ik juffrouw wilde worden — ik wist dat al van toen ik een jaar of vijf was — zou ik dus verder studeren. Ik was de oudste van vier uit een arbeidersgezin en ze konden zich dat eigenlijk niet permitteren. Het atheneum was echter kosteloos. Dankzij het rijksonderwijs heb ik kunnen studeren. Ik denk dat ze dat nu allemaal zo niet meer weten, maar dat was toch zo.

Rosa De Borger over vrijzinnigheid


Rosa De Borger: Voor mij is dat eigenlijk: vrij denken, geen god of macht of wat dan ook aanvaarden die zegt wat je moet denken of hoe je moet handelen. Je informeren, vrij nadenken over, tot een besluit komen en zo tot bepaalde principes komen over alle kwesties, over al wat je tegenkomt, over alles. Vervolgens die principes trouw blijven en handelen volgens die principes. Natuurlijk altijd open blijven staan voor de ideeën van anderen of het veranderen van de tijd, enz., maar toch altijd in diezelfde lijn denken.

Rosa De Borger over niet-confessionele zedenleer, Kortrijk, atheneum, Oudervereniging voor de Moraal, leerkracht


Rosa De Borger: Toen ik in de jaren 1950 zedenleer volgde op het atheneum gingen de lessen over wellevendheid, over hoe men zich moest gedragen. Ik leerde dan nieuwe woorden zoals ‘fair play’. Dat was toen voor mij een nieuw woord, in de zesdes of vijfdes. Het woord ‘partner’ was een nieuw woord. Dat ging dus over man en vrouw, de verhouding tussen man en vrouw, gelijkwaardigheid, enz. Dat waren ‘partners’. Ik vond dat een heel mooi woord. ‘Fair play’ vond ik ook een mooi woord. Ze hadden het over ‘tact’. Ik weet niet of dat nu nog in het woordenboek staat en of de jeugd dat nog kent. Ja, ook ouderen kennen het niet meer, niet alleen de jeugd. Dan filosofeerden we over geluk. Wat is geluk voor u? Dan werd daar zo algemeen over gefilosofeerd. Dat waren onze lessen zedenleer. Er waren geen feesten toen. Er bestond geen OVM. Er bestond niks. Ik weet niet of de leraar gesteund was door collega’s of door inspectie. De leraar gaf zijn lessen en als je een goede leraar had, dan was dat goed zeker. Ik dacht dat wij een goede leraar hadden, dus ik had de lessen zedenleer graag. Het was een minderheid van de klas die zedenleer volgde. In onze klas zaten we met 24, waaronder zes meisjes. Vijf van de zes volgden zedenleer en maar een paar jongens, dat weet ik nog. Dat was misschien toeval in onze klas, dat weet ik niet, maar dat was toch zo. Ik heb daar hele goede herinneringen aan.

Donald Buyze en Rosa De Borger over OVM, FVJ, Kortrijk, schoolstrijd, niet-confessionele zedenleer, onderwijs, leerkracht, Grote Dialoog


Rosa De Borger: Ik ben lid geworden van OVM toen OVM ontstaan is, ik denk in 1964. Sedert die tijd heb ik alle Feesten Vrijzinnige Jeugd meegemaakt, tot ongeveer vijf jaar geleden.

Jimmy Koppen (interviewer): Was dat belangrijk, die Oudervereniging voor de Moraal? Waarom ontstond die, denkt u? Waarom was dat zo belangrijk, want die gaan overal in die jaren ontstaan. Er gaan overal afdelingen verschijnen.

Rosa De Borger: Ik vind dat wel belangrijk voor het Feest van de Vrijzinnige Jeugd. Voor die kinderen is dat wel belangrijk, vind ik.

Donald Buyze: Dat had ook te maken met een strijd: het mondig worden van het rijksonderwijs, na de schoolstrijd in de jaren 1950, enz. Daaruit was dan weer de cursus zedenleer gegroeid in de jaren 1960, voor wat betreft de lagere school betreft. Het was dan ook normaal dat er voor die kinderen ook een soort feest ging georganiseerd worden, net zoals er overal ter wereld voor twaalfjarigen een soort overgangsfeest gebeurt en in dat opzicht — laat ons eerlijk zijn — is de plechtige communie hier bij ons ook heel belangrijk voor twaalfjarigen. Dan was het maar normaal dat de vrijzinnigen ook daarvoor een alternatief boden. Vandaar zijn dan ook die feesten ontstaan en dat is ook de periode dat de OVM’s hier ontstaan zijn, nu 50 jaar geleden. Dit jaar hebben we het feest gevierd, een prachtig feest en terecht.

Jimmy Koppen (interviewer): Kan men dat beschouwen als een strijd die men gevoerd heeft vanuit de OVM in die jaren? Is het echt op zijn plaats om te zeggen: “Er is strijd gevoerd.”

Donald Buyze: Natuurlijk is er strijd gevoerd — heel terecht. Ik heb dat meegemaakt als leerkracht. Ik ben ongeveer 40 jaar geleden leerkracht zedenleer geworden en ik heb OVM altijd achter mij gevoeld. Toen ik met kindjes zat in mijn klas — eenleerlingklasjes —, kwam ik terecht in OVM-vergaderingen, eventueel één keer om de maand. Toen zeiden ze: “Ja, goed doe maar verder.” Zij hebben dan ook die werkgroepen in het leven geroepen, omdat ze ondervonden dat leerkrachten overal in het land redelijk geïsoleerd bezig waren. Dat was ook bij mij het geval, maar ook nog voor mijn tijd, want ik heb het warm water niet uitgevonden. Het was ook al — zoals Dascha al gezegd heeft — mijn heel goede vriend en leermeester, Joske Naessens, die hier in Kortrijk ook al die drang voelde om ervaringen te delen. Dat is iets dat wij een beetje hier vanuit Kortrijk hebben uitgedragen naar heel Vlaanderen toe met ons toenmalig tijdschrift Grote Dialoog. Een groot aantal mensen uit de streek: Eddy Van Eeckhoven, Jos Naessens, Donald Buyze, Ward Agneessens, Willy Vandemeulebroucke, Pol Naessens, — ik vergeet er hoor en ik heb mezelf al vernoemd, dat is dus niet mooi, dat is niet eerlijk — Danny Verbiest, onze Samson…, die zaten er allemaal bij. Wij hebben de cursus moraal een soort aanschijn gegeven: kinderen die zelf hun wereld en hun waarden leren ontdekken en dat was wel belangrijk.

Donald Buyze en Rosa De Borger over Vrijzinnig Ontmoetingscentrum, Humanistisch Verbond, Kortrijk, CVP


Rosa De Borger: Ik ben nooit geëngageerd geweest eigenlijk. Ik ben altijd lid geweest van een viertal vrijzinnige verenigingen, trouwe bezoekster van het VOC, enz., maar ik ben eigenlijk nooit geëngageerd geweest. Ja, ik ben een keer tien jaar secretaris van het HV geweest, maar dat was omdat de voorzitter dat vroeg en omdat er geen andere kandidaten waren, heb ik dat gedaan, terwijl mij dat eigenlijk niet ligt mij. Ik ben niet strijdvaardig, maar ik weet dat anderen wel hard gevochten hebben voor die vrijzinnige organisaties en hier voor het VOC of VC.

Donald Buyze: Ik heb ooit eens geprobeerd om het uiteen te zetten in een artikel: de katholieke impact en dan de vrijzinnigheid daarnaast. Dat is een tijdje geleden: ik kan niet meer juist zeggen wanneer dat het was. Je had toen te maken met een soort katholieke octopus: de katholieke zuil die zo machtig was. Men sprak toen in die tijd over de CVP-staat — dat was in de jaren 1980-1990, denk ik, de periode van Tindemans. En dat was ook zo: het katholicisme was overal. Alle klinieken waren praktisch katholiek, alle scholen waren vrij katholiek. Ja, heel het leven werd bepaald door de katholieke gemeenschap. Wij vrijzinnigen voelden ons daar toen in feite heel eng bij.

John Deloof over onderwijs, atheneum, Kortrijk


John Deloof: Ik weet nog dat ik, toen ik 14 jaar was, wou veranderen van richting: ik wou menswetenschappen gaan doen. Ik had dat opgezocht en ze hadden dat in het atheneum. Dus ik kwam thuis en ik zei: “Mama, ik wil naar het atheneum, want ze hebben daar menswetenschappen en dat wil ik doen. Mijn ouders waren daar niet zo mee opgezet. Ze wilden toch eerst een keer kijken of er nog scholen waren. Vervolgens zijn ze naar mijn school gegaan om daarover te praten — toen was dat nog zo — want de school waar ik zat, had dat niet en ze wilden een keer informeren waar dat nog aangeboden werd. Ik weet dat ze, terwijl ik er bij zat, tegen mijn ouders zeiden: “Nochtans, hij is slim genoeg voor het katholiek onderwijs, hoor. Ik zou hem toch niet naar het atheneum laten gaan.” Toevallig was dat ook het moment dat alle meisjes- en jongensscholen gemengd werden. In de school waar ik dan later naartoe geweest ben, werden jongens toen toegelaten, maar dan duurde het tot twee dagen voor het schooljaar begon voordat ze daar een beslissing over genomen hadden. Ze hadden die beslissing eerst een jaar uitgesteld en dus mocht ik naar het atheneum. Maar twee dagen voor de start van het schooljaar hadden ze laten weten dat ze dan toch jongens gingen toelaten en toen zeiden mijn ouders: “Dan ga je toch moeten gaan, jongen.” Vervolgens moest ik toch verder naar het katholiek onderwijs moeten blijven gaan.

Dascha Vandeputte over niet-confessionele zedenleer, Kortrijk, familie, doop


Dascha Vandeputte: Ik ben gewoon gedoopt geweest, maar mijn ouders deden dat om mijn grootmoeder aan vaders kant een plezier te doen, want zij was oprecht gelovig. De grootouders aan moeders kant waren dat al lang niet meer. “Die wisten wel beter,” zeiden ze. Eigenlijk heb ik al als kleuter dat gedachtegoed meegekregen. Ik heb het geluk gehad te mogen starten in het gemeenschapsonderwijs — toen nog het rijksonderwijs — en ik heb vanaf de eerste dag zedenleer mogen volgen. Ik ben toen bij Joske in de klas terechtgekomen en hij heeft echt een groot deel van mijn kinderjaren bepaald. Hij heeft ons echt geleerd om open te staan voor anderen en altijd vanuit de mens te vertrekken. Dat is iets dat ik van hem heb geleerd. Dat blijft je bij. Dat gaat nooit meer weg.

Dascha Vandeputte over priester, kinderen, doop, Gent, ziekenhuis


Dascha Vandeputte: Vooral in het zesde leerjaar: de pastoor kwam aan de deur en probeerde mijn moeder te overtuigen. Zij zei: “Neen, wij zijn vrijzinnig. De kinderen doen een lentefeest. Punt uit.”

Jimmy Koppen (interviewer): En waarvan probeerde hij haar dan te overtuigen?

Dascha Vandeputte: Dat onze zieltjes toch wel gered moesten worden en dat het beter was voor onze toekomst indien we ons vormsel toch deden. Ik kan nog een persoonlijke ervaring vertellen van een paar jaar later, in de trant van wat Donald heeft meegemaakt. Een vriend van ons, die met zijn fiets verongelukt was, werd op zijn zestiende verjaardag begraven. Dan hoor je die pastoor zeggen: “Mocht Koos misschien wat meer naar hier gekomen zijn, dan hadden we hier misschien niet samen gezeten om hem te begraven.” We zijn dan met een hele groep rechtgestaan en we zijn gewoon vertrokken. Toen was dat nog maar eens een bevestiging: “Oké, bij ons zit het wel goed. Wij mogen zelf denken en zelf voelen wat we voelen. Bij ons wordt er niks opgedrongen.” Wij wisten toen ook: “Dit zeg je niet. Dit link je niet aan het al dan niet naar de kerk gaan.” Mijn kinderen zijn niet gedoopt en hebben ook geen vormsel gehad. Mijn oudste dochter is ook prematuur geboren in het UZ in Gent. Dat klinkt heel grof, maar een paar uur na de bevalling, toen ik terug was op mijn kamer, kwam de hoofdpriester bij mij en hij zei: “Kijk, mevrouw, neem het mij niet kwalijk, maar ik moet het u nu vragen. Wenst u al dan niet een doopsel, want ik wil het nu weten, zodat er geen misverstanden kunnen zijn en we het ook aan de pastoor duidelijk kunnen maken?” Britt werd drie maanden te vroeg geboren, dus de kans bestond wel dat ze het niet ging halen. De manier waarop vond ik — dat was zakelijk en sec — heel oké. Dat voelde wel goed. Daar hielden ze echt wel rekening met jouw wensen als ouder. Dat was helemaal anders bij nummer twee, die is geboren in een ander ziekenhuis, in de Groenebriel in Gent. Daar wordt echt geprobeerd: “En ben je zeker?” “Ja, ik ben zeker. Ze wordt niet gedoopt.” Daar proberen ze dat dan wel.

Dascha Vandeputte over niet-confessionele zedenleer, Kortrijk, leerkracht


Dascha Vandeputte: Wat ik vooral als gevoel heb overgehouden aan onze lessen zedenleer in het lager tot en met het tweede middelbaar, is dit: “Oké, de tijden zijn aan het veranderen en wij zijn daar mee de oorzaak van. Wij brengen een verandering in het denken teweeg.” Ook op de speelplaats, want wij hadden altijd zedenleer net voor de speeltijd en de kinderen die godsdienst volgden vertelden ons dan: “Oh, het was weer zo saai en we hebben daar naar verhaaltjes moeten luisteren.” Bij ons was het helemaal anders. Joske zei soms één woord waarmee hij de stok in het kippenhok smeet en wij moesten daar dan over brainstormen. We mochten daar een collage over maken. Dat kon zijn dat we begonnen muziek te maken. Hij liet het initiatief vooral bij ons en nu en dan ging hij dan wel gericht — zonder dat we het zelf merkten op dat moment — bijsturen. We hadden echter altijd het gevoel van: “We helpen de maatschappij veranderen nu. We zijn een belangrijke schakel in de toekomst.” Het eerste en tweede middelbaar hadden we dat ook. Toen had ik les van Alex Vandendriessche. Hij bracht de gekende thema’s aan bod, zoals wereldoorlog, de concentratiekampen,… Maar de manier waarop hij er ons mee confronteerde en ons confronteerde met ons eigen denken en hoe hij ons hielp om ons denken te verwoorden, dat heeft ons wel sterker gemaakt. Dat is iets waarvoor ik altijd dankbaar ga zijn: dat ik die kansen heb gekregen op zo’n jonge leeftijd.

Het publiek over school, katholicisme, vrijzinnigheid, godsdienstles


Spreker 1: Wanneer heb ik mijn eerste slechte ervaring gehad — want ik heb ook godsdienst gevolgd? Dat was in het derde leerjaar en het is er nooit meer uit gegaan. Tot op dit moment kan ik mij die dag helder herinneren. Ik wil maar aangeven wat dat nagelaten heeft. Dat is zoiets dat je nu draagt, waar je onbewust tegen vecht. Ik kan mij inbeelden dat men dat op die momenten ziet als ‘anti’. Ik voel mij daarin niet ‘anti’, maar afschermend. Begrijp je wat ik bedoel?

Spreker 2: Men heeft mij op een moment in mijn puberteit, waarin je nog te weinig maturiteit hebt om je daartegen te verzetten, psychisch gekraakt. Ik overdrijf niet en ik durf hier zeggen — niet dat ik hier een held wil zijn — dat ik suïcidale neigingen heb gehad op 17-jarige leeftijd. De redding is geweest dat ik in die periode naar Nederland ben vertrokken. Dus als er iemand is, die bereid is om bij wijze van spreken de zaak te dynamiteren, dan ben ik het wel. Toch heeft dat niets te maken met het feit dat ik vrijzinnig geworden ben. Daar wil ik het eigenlijk over hebben. Ik vind het dus een verkeerd uitgangspunt om te zeggen: “Ik ben tegen het katholiek geloof of tegen het kerk als instituut. Ik heb daar slechte ervaringen mee en dus ga ik maar aan de andere kant van de lijn staan.” Dat bedoel ik in feite.

Spreker 3: Bij mij was op dit moment het volgende de trigger: “Ik denk hier zelf en het klopt hier niet, hetgeen jij mij vertelt.” Vandaar: pas als je zelf begint te denken, zet je de stap. Het kon evengoed naar iets ander geweest zijn. Ik herinner me perfect die les godsdienst. Ik krijg dan nog een kramp. Ik vloog ook buiten uit de les, omdat ik een vraag stelde. Op dat moment en ook nu nog begrijp ik niet hoe dat de reactie van die leerkracht kon zijn.

Het publiek over ethische dossiers, erkenning, georganiseerde vrijzinnigheid, toekomst


Publiek: In het algemeen zie je een engagement niet meer zo sterk voorkomen. Tien jaar geleden sprak men inderdaad van ‘hoppers’: zij hopten van de ene doelstellig naar de andere of van het ene engagement naar het andere. Een probleem dat zich misschien voor een stuk stelt, is dat de grote strijdpunten voor de vrijzinnigheid — en dan bedoel ik inderdaad ook niet tegen de anderen, zoals eerder gezegd —, onze waarden in feite, dus de grote doelstellingen als abortus, euthanasie en de erkenning van de vrijzinnigheid, dat die op papier, officieel, praktisch allemaal gerealiseerd zijn. Welke grote triggers hebben wij in de georganiseerde vrijzinnigheid, in de strijd voor de vrijzinnigheid, momenteel nog lopen? Men kan de zaken wel nog verfijnen, maar echt van die grote triggers — zo noem ik ze — om inderdaad de massa, veel volk mee te trekken, zijn er niet meer. Ik denk dat slecht kan zijn voor de toekomst van het engagement van de georganiseerde vrijzinnigheid, die die waarden zoveel mogelijk moet kunnen uitdragen. Ik vind het jammer dat wij niets meer kunnen aanbieden, want ik ben ook nog altijd strijdvaardig. Ik denk dat velen dat ook weten. Wat kunnen wij ons publiek, de mensen, de maatschappij, nu nog bieden? Inderdaad, die grote ethische punten die ik vermeld heb, zijn voor een stuk gerealiseerd. Ze zijn ook door veel anderen geaccapareerd en meegenomen, zodanig dat ze niet meer heel aantrekkelijk zijn voor ons alleen. Dat vind ik een probleem voor de toekomst.

Reacties gesloten