Activiteit

Verhalenavond - Een avond vol vrij zinnige verhalen (Brugge)
Locatie: VOC De Sleutelbrug (Brugge)
Datum: 19/02/2014
Uren: 20:00 - 22:00

In de reeks Verhalenavonden hield CAVA ook halt in het VOC De Sleutelbrug. Het werd een avond vol verhalen, getuigenissen, anekdotes en herinneringen over het vrijzinnig-humanisme in en rond Brugge. Zoals steeds werd deze avond opgenomen. Hieronder vind je de verschillende geluidsfragmenten. Luister en herbeleef deze interessante avond.

Aan het woord zijn:
Christiane Blieck, 70er, bestuurslid Socialistische Vrouwenvereniging
Monique De Canck, 70er, vrijwillig moreel consulente
Charles Verlinde, 80er, mede-oprichter en bestuurslid HV-Brugge
Gust Verspeelt, 80er, voormalig secretaris HV-Brugge

Deze verhalenavond vond plaats met de steun van de Vlaamse Overheid, deMens.nu, HVV en UPV.

Vrijwilligers transcribeerden de audiofragmenten die gemaakt werden tijdens deze verhalenavond. Onder elk audiofragment kan u de uitgetypte tekst terugvinden. Het zijn telkens woordelijke transcripties, geen letterlijke.


Christiane Blieck over kerkelijke begrafenis, socialisme, Brugge



Christiane Blieck: Mijn grootvader was werkzaam bij de Spoorwegen. Hij heeft een werkongeval gehad en is overleden. Dat was in het jaar 1932. Hij was ook vaandeldrager van het toenmalige Nationaal Syndicaat, wat nu het ACOD is. Die vlag werd op de kist gelegd. Maar eenmaal bij de kerk aangekomen mocht die van de pastoor niet binnen in de kerk. Toen heeft mijn vader op zijn strepen gestaan. Het was ofwel met vlag ofwel zonder. Toen heeft de pastoor de vlag toegelaten, maar diende die wel achteraan in de kerk te blijven. Ze mocht absoluut niet vooraan. En toen heeft mijn vader gezworen geen voet meer in de kerk te zetten.

Monique De Canck over abortus in het buitenland, Centrum voor Gezinsplanning en Seksuele Opvoeding, Brugge



Monique De Canck: Ik ben met verschillende vrouwen naar Groede gereden voor een abortus. Voor mij was dat een enorm risico. Wij moesten daar ‘s morgens om 9u zijn en na de middag –

Publiek: Mag ik even? Let op: op dat ogenblik is er geen vrij verkeer van personen. Er was nog altijd een grensovergang – douane en consoorten.

Monique De Canck: Ja, ik heb dat verschillende keren gedaan. Ik heb maar nadien beseft welk risico ik elke keer nam. Eén keer waren we net over de grens wanneer de vrouw tegen mij zei “Stop eens, zou ik dat nu wel doen?” Daarop zei ik: “Mevrouw, jij hebt gekozen, als je het nog steeds wil, rijden we verder en als je niet meer wil dan gaan we terug naar Brugge.” Ze heeft het toch gedaan. Op donderdagavond had ik vaak permanentie in de bibliotheek van ons CGSO, samen met de dokter. Toen ben ik heel dikwijls met een volle fietszak naar huis gereden.

Monique De Canck over Brugge, communie



Monique De Canck: Mijn moeder was katholiek; mijn vader zeker niet. Drie dingen hebben mij in mijn leven enorm pijn gedaan, ook als kind. Ik ging naar een katholiek schooltje en was daar zeer ongelukkig. Ik kreeg daar nooit antwoord op mijn vragen en mijn moeder stuurde mij naar de stadsschool in Gent. In de gemeente waar ik woonde, Melle, wees iedereen mijn ouders met de vinger omdat hun dochter naar de stadsschool ging. Het deed mij pijn dat er over mijn ouders geroddeld werd. Ik ging naar de catechismusles, want ik deed mijn plechtige communie. Bij mezelf dacht ik: “Nu kan ik echt iets voor mijn ouders doen. Ik ga dat studeren van a tot z en ik zal de eerste zijn van de plechtige communicanten.” In die tijd kregen wij een rood lint op ons wit kleed en een paar nieuwe schoenen. Ik deed mijn communie een klein beetje voor die nieuwe schoenen, maar toch het meest voor mijn ouders. Ik heb hard gestudeerd om hen blij te maken. Ik werd afgeroepen en ik was de laatste. Ik dacht: “Oei, dat klopt hier niet.” Dat zijn dingen die als kind echt pijn doen en die vragen doen stellen. We hebben de oorlog meegemaakt, waaronder twee bombardementen in Merelbeke. Toen de oorlog pas was gedaan, hoorde ik op de radio over de Jodenvervolging en al die mensen die vermoord waren. Ik zei: “Er kan toch geen God bestaan. Dat kan toch niet?” En dan was het bij mij gedaan. Toen ben ik vrijzinnig geworden.

Monique De Canck over moreel consulent, ziekenhuis, Brugge, stervensbegeleiding



Monique De Canck: Ik ben als eerste moreel consulente binnengekomen in het AZ Sint-Jan Brugge. Ik ben me gaan voorstellen aan de directie. Er waren daar drie directeuren: geneeskunde, verpleegkunde en ik ging mij voorstellen aan de directrice. Ze zei: “Een moreel consulente, wat is dat? Leg dat eens uit? En ga jij hier echt binnenkomen? En wie heeft daarover beslist?”. Ik heb dan heel mijn ver¬haal gedaan. Op dat moment was ook Karel Van Welden directeur in het AZ, een vrijzinnige. Van hem heb ik heel veel steun gekregen. Maar het was niet evident om daar als moreel consulente te beginnen. Ten eerste moesten er formulieren ingevuld worden door de mensen die binnenkwamen. Pas dan mocht je bij de patiënten gaan. Je moest dus kunnen aantonen dat de patiënt het formulier had ingevuld en naar mij had gevraagd. Ik kreeg geen enkel formulier. Ik liep daar zeer ongelukkig rond. Ik kwam daar elke keer werken, maar wist dat ik niet gewenst was. Ik deed een stervensbegeleiding en die man vroeg mij om iemand op te bellen die hij nog een laatste keer wou zien. Bij de verpleegkunde vroeg ik een telefoonboek en daarin vond ik twee formulieren die maanden geleden voor mij ingevuld waren. En die verpleger wist niet hoe die daarin terechtgekomen waren. Ik zei “Waarschijnlijk heeft de Heilige Geest de formulieren daarin gestoken.” Op iedere afdeling werd telkens gevraagd om de formulieren te tonen en werd voortdurend gevraagd of ze wel ondertekend waren. De eerste vier, vijf jaar was het zeer moeilijk werken. Niet leuk hoor.

Charles Verlinde over opvang vzw, Brugge, VUB, Frank Van Acker, De Sleutelbrug


Charles Verlinde over Brugge, opvang vzw, vrijzinnigheid



Charles Verlinde: Ik wil toch graag een anekdote vertellen. Ik heb me tientallen jaren beziggehouden met de sollicitatiegesprekken voor de opvang – maar daar kom ik straks op terug – en wij noemden onszelf Vrijzinnige Pleeggezinnendienst Opvang. Iedere keer dat er een sollicitant kwam, vroeg ik: “Leg eens uit: Wat is voor jou ‘vrijzinnig’?”. Ik heb daar nooit een antwoord op gekregen. Dat waren nochtans voor 90% mannen en vrouwen die uit het gemeenschapsonderwijs kwamen, maar die niet wisten hoe ze ‘vrijzinnigheid’ moesten verduidelijken. Als je nu aan mij vraagt: “Wat is voor jou vrijzinnigheid?” Wel, het woord zegt het zelf: zinnig vrij zijn. Meer wil ik daar niet aan toevoegen. Het is iets dat in je buik zit.

Charles Verlinde over Pol Dermul, Brugge



Charles Verlinde: Pol Dermul is een periode zeer actief geweest. Hij was de man van het Humanistisch Verbond.

Jimmy Koppen (interviewer): Was hij de stichter?

Charles Verlinde: Neen, dat bestond al. Ik weet niet hoe hij daar bijgekomen is. Hij organiseerde zeer veel voordrachten. Die voordrachten hadden plaats in de Sint-Jakobsstraat, waar nu de Lumière is.

Publiek: In de kerk en in het concertgebouw. Waar nu de Lumière is, dat was het concertgebouw.

Charles Verlinde: Dat zeg ik toch? Maar Pol heeft dat niet lang gedaan in Brugge – of ben ik mis?

Gust Verspeelt: Ik denk dat je mis bent, maar doe maar verder.

Jimmy Koppen (interviewer): Neen, vul maar aan.

Charles Verlinde: Ik zal niet zeggen dat veel mensen zich door Pol bekeerd hebben tot de vrijzinnigheid, maar Pol heeft er toch voor gezorgd dat meer mensen zich geëngageerd hebben in de vrijzinnigheid. En dat is zeer belangrijk geweest, ook voor Brugge.

Charles Verlinde over Raymond Maeckelberghe, Humanistisch Verbond, Brugge



Charles Verlinde: Mijn eerste stap in de vrijzinnige wereld was in 1953 – er zijn er veel die toen nog niet geboren waren. Ik zat pas in het atheneum. Een leraar van de rijksmiddelbare school, Raymond Maeckelberghe, organiseerde dat jaar een eerste vergadering van het Humanistisch Verbond in Brugge in de bovenzaal van het Hotel Wellington. Ik ben daar naartoe geweest en zo ben ik vrijzinnig geworden en heb ik verder een vrijzinnig parcours afgelegd. Bij mijn ouders – mijn vader was een commerçant – mocht er niet over politiek (we spraken er toch over) of vrijzinnigheid gesproken worden. Er werd daar niet veel over gesproken. Ik had drie zussen: één is communiste geworden en gebleven, de andere gaat nog iedere week naar de mis en de derde is vrijzinnig. Dat is niet van thuis uit. Maar ik werd daarin vrij gelaten.

Charles Verlinde over Brugge, crematie, Pol Dermul, vrijmetselarij, Frank Van Acker



Charles Verlinde: De vrijzinnigheid heeft volgens mij een paar keer geluk gehad. Ten eerste hebben we enkele zeer geëngageerde mensen gehad: Pol Dermul en ook Eric Van Langeraert mogen we niet vergeten. Ze hielden zich bezig met de Belgische Vereniging ter Bevordering van de Lijkverbranding. Je moet er rekening mee houden dat crematie eind jaren 1950-1960 iets ongewoons was. Dat is stilletjes aan gegroeid. Het HV en het Vrijzinnig Laïciserend Centrum hebben allebei stapjes gezet en een positieve evolutie teweeg gebracht. Was Brugge vrijzinnig? We hebben – volgens mij – het geluk gehad dat er een socialistische burgemeester verkozen werd. Na 96 jaar katholiek burgemeesterschap, kregen we plots een socialistische burgemeester. In een van de eerste interviews die in de kranten verschenen, werd de vraag gesteld: “Burgemeester, ben jij vrijzinnig?” “Ja, ik ben vrijzinnig.” De tweede vraag die ze stelden, was: “Ben je lid van de loge?” “Ja, ik ben lid van de loge.” Dat de eerste burger van de stad zich uitte als vrijzinnige, is enorm goed geweest voor alle vrijzinnigen. Dat heeft ons veel goed gedaan, denk ik.

Charles Verlinde over Brugge, IMD, Oostkamp, Dirk Verhofstadt


Charles Verlinde en Gust Verspeelt over Raymond Maeckelberghe, Robert Vrielynck, Roland Willemyns, Brugge, N-VA/Volksunie


Gust Verspeelt over Bijzondere Opsporingsbrigade, Humanistisch Verbond, Brugge, Koude Oorlog



Jimmy Koppen (interviewer): We hebben het daarnet gehad over de BOB. U sprak daarstraks over initiatieven die veel volk op de been brachten. Mag ik er dan van uitgaan dat er regelmatig een of twee BOB’ers in de zaal zaten?

Gust Verspeelt en Charles Verlinde: Jazeker, elke keer. Bij de vergaderingen van het HV.

Jimmy Koppen (interviewer): Hoe reageerde u daar dan op?

Gust Verspeelt en Charles Verlinde: Niet, onverschillig. Ja, ze zijn daar weer, punt. Wij gingen onze gang.

Jimmy Koppen (interviewer): Waarom was die BOB daar dan aanwezig?

Gust Verspeelt: Zoals ik al zei, niet in opdracht van het Parket, maar uit eigen beweging. Ik moet daaraan toevoegen dat dat te verklaren is, waarom zij uit eigen beweging kwamen. Natuurlijk, nu gaan we ver, hé. Je mag niet vergeten dat waarover ik spreek betrekking heeft op de jaren tussen 1963 en 1966. Welnu, dat is de periode, na de Tweede Wereldoorlog, van de Koude Oorlog, van het conflict communisme versus liberalisme. Men was bevreesd dat er een subversiviteit zou ontstaan. Het deed er niet toe waar deze vandaan kwam, men wilde ze bij voorbaat kennen. Ik kan een klein voorbeeld geven: in de fichebak van de gerechtelijke politie zat op dat ogenblik – en misschien zit het er nu nog – een fiche op naam van de zangvereniging Lijsternestje uit Eeklo als zijnde een mogelijke subversieve vereniging. Ik geeft dat voorbeeld om aan te geven hoe ver dat ging. Dat is paranoïde. Zo eenvoudig is dat.

Gust Verspeelt over Pol Dermul, abortus, Centrum voor Gezinsplanning en Seksuele Opvoeding, abortuskliniek, Bijzondere Opsporingsbrigade, Robert Vrielynck, Brugge, Walter Legley



Gust Verspeelt: Vooraleer het Centrum voor Geboorteregeling en Seksuele Opvoeding in Brugge werd opgericht (er bestond reeds een CGSO in Gent), verzamelden Pol Dermul en ikzelf de aanvragen voor abortus. We hebben dat een aantal jaar gedaan, zodat een paar vrijzinnigen uit het Parket ons waarschuwden en zeiden: “Als een dief een keer steelt, heeft hij weinig kans om gevat te worden, maar als hij blijft stelen, wordt hij zeker gevat, dus jullie moeten daar mee stoppen.” Dat is de aanleiding geweest om een CGSO op te richten. Zogezegd om aan seksuele voorlichting te doen, maar in feite repareerden we televisies. Pol en ikzelf hadden afgesproken dat wanneer er een geval van abortus was en we telefonisch contact hadden, wij niet over abortus spraken, maar over een kapotte televisie die dringend hersteld moest worden. Waarom? Omdat de Rijkswacht – die op dat ogenblik onder het ministerie van Landsverdediging zat – een eigen politionele dienst had, los van het Parket – de bijzondere opsporingsbrigade (BOB). Dat waren de mannen die bijvoorbeeld naar de voordrachten kwamen van HV, checkten wie daar was, wie die spreker was, hoeveel mensen er waren,… Ze maakten daar een rapport over, niet om over te maken aan het Parket, maar om gewoon in hun administratie te bewaren. De kans zat erin dat zij onze telefoon op een zeker ogenblik zouden aftappen. Vandaar dus de kapotte televisies. Dat kon niet blijven duren.

Wij hadden ondertussen Robert Vrielynck, die notaris was, ontmoet en die stelde ons voor om een centrum op te richten zoals er in Gent reeds bestond – en ik denk ook reeds in Antwerpen, maar daar ben ik niet zo zeker van. Ondertussen bleven de aanvragen voor kapotte televisies maar komen. Dat moest dringend opgelost worden. Het centrum werd dan opgericht met enkele vrijzinnigen die nog altijd bereid waren om hun kop uit te steken. Het Parket had ons verwittigd. “Zelfs al heb je een centrum voor seksuele opvoeding, men voelt ook wel aan bij het Parket dat het daartoe niet beperkt blijft. Je mag je de komende dagen aan een huiszoeking verwachten.” Met andere woorden, de documentatie en de administratie werd elke dag dat er zitting was – een paar keer per week – meegenomen naar huis door de dokter van dienst of door iemand anders die op dat ogenblik de permanentie deed. Het centrum moest ook een huisvestiging hebben. Wij huurden het gelijkvloers van een appartementsgebouw in de Naaldenstraat –

Monique De Canck: Nummer 11.

Gust Verspeelt: Waarom in de Naaldenstraat? Omdat dat centraal was in de stad, maar vooral omdat het een donkere straat was die weinig of niet verlicht was. Daardoor konden de kandidaten of patiënten die op bezoek kwamen – ik zal bijna zeggen – clandestien binnen en buiten gaan. Ik herinner mij één beeld nog zeer goed. Wij denken altijd dat abortus is voor de jongeren van 16 of 17 jaar. Neen, dat was ook voor mensen die reeds 10 of 15 jaar gehuwd waren, maar die dus malheuren tegenkwamen en die wensten opgelost te zien. Welnu, ik herinner mij één beeld van een avond waarop ik permanentie had. Die mensen hadden een consultatie van een dokter – we kunnen het daar nog over hebben als je dat wilt – achter de rug. Hij had hen blijkbaar voorgelicht en ik heb die mensen buitengelaten. En bij het buiten gaan – het was avond, in een donkere straat – zie ik ze nu nog altijd dansend, ik zeg wel dansend weggaan, omdat ze eindelijk verlost waren van dat taboe in het kader van hun eigen relatie door die consultatie. Welnu, dat is mij bijgebleven in de zin dat ik daar mentaal kan intreden in die situatie. En je moet goed beseffen wat dat centrum op dat ogenblik deed. En die dokter, die allereerste, Walter Legley, die man deed dat. Hij was als uroloog en niet als gynaecoloog afgestudeerd aan de VUB. Die man deed dat gratis en kwam daar, denk ik, twee keer per week.

Monique De Canck: Ja, twee keer per week: dinsdag en donderdag.

Gust Verspeelt: En dan bleven er natuurlijk de abortussen. Maar die abortussen konden wij door het grote risico niet uitvoeren in Brugge zelf. Die moesten dus naar het buitenland uitwijken waar het wel kon – over de grens in Sluis, Goes, Oostberg, enz. Daar kon het gebeuren en daar kan Monique zelf veel meer over vertellen, denk ik.

Gust Verspeelt over Pol Dermul, Humanistisch Verbond, Brugge



Gust Verspeelt: Ik ben 15 jaar lang secretaris geweest van HV Brugge onder het voorzitterschap van Pol Dermul. Op de eeuwigheid afgemeten, is die 15 jaar natuurlijk maar een fractie van een seconde, maar dat is toch een lange termijn, waarbinnen je je stempel kan drukken – zeker wat betreft het naar buiten treden van de vrijzinnigheid. Dat is een feit. Er is een groot verschil tussen de eerste generatie, die van Raymond Maeckelberghe en Charles Verlinden, en de tweede generatie, die van Pol Dermul en mijzelf. Onze generatie is veel strijdbaarder, veel agressiever geweest. Er werd op de Halletoren een banderol geplaatst op misschien 20 meter hoogte: “Eerste bal van de vrijzinnigheid”. Je moet je dat voorstellen – in 1965 of 1966. Dat was het eerste bal en het jaar nadien was er een tweede bal en het jaar nadien was er een derde bal. Daar kwam iedere keer om en bij de duizend man op af, met alle rompslomp die daarbij hoort en alle troebelen van dien, die George Jassogne opgelost heeft.

Gust Verspeelt over vrijzinnigheid



Gust Verspeelt: Je kan niet vrijzinnig zijn zonder over voldoende kennis te beschikken. Bij gebrek aan kennis die een eventuele andere levensbeschouwing kan toelaten, bevindt u zich in – wat ik noem – een dogmatisch beeld en bevindt u zich dus niet meer in de vrijzinnigheid

Gust Verspeelt over Frank Van Acker, georganiseerde vrijzinnigheid, De Sleutelbrug, Brugge



Jimmy Koppen (interviewer): Was Frank van Acker een belangrijke figuur voor de Brugse vrijzinnigheid?

Gust Verspeelt: Weinig. Persoonlijk was hij inderdaad vrijzinnig, net zoals zijn vader, maar de georganiseerde vrijzinnigheid vond hij, denk ik, eerder een lastpost. Wij hebben bijvoorbeeld dit lokaal hier aan Frank Van Acker te danken. Maar in wezen heeft hij het wel gegeven aan de vrijzinnigheid, maar wou hij voor de rest met rust gelaten worden. Dus dat is hier in mijn ogen een vergiftigd geschenk.

Charles Verlinde en Gust Verspeelt over Brugge, Vrijzinnig Ontmoetingscentrum, West-Vlaanderen



Gust Verspeelt: Ik zou bijna zeggen dat het hier in West-Vlaanderen en Brugge bijna meer nodig was dan in Gent of zelfs in Kortrijk. Van Brussel en Antwerpen gaan we niet spreken. Het moest hier barsten. Dat kon niet anders. Alleen heb ik het altijd jammer gevonden dat de intellectuele elite uit het Brugse ging studeren in Gent, Leuven en Brussel en nadien niet meer naar hier terugkwam. Tenzij ze op een dag op pensioen gingen – dan kwamen ze natuurlijk terug. In feite hebben ze hun streekgenoten in de steek gelaten. We moeten dat zeggen.

Charles Verlinde: Dat is normaal: in Brugge heb je geen industrie, geen hogeschool, geen universiteit. Het is normaal dat die gasten naar Brussel of Gent trekken. Ik wil er toch iets aan toevoegen: West-Vlaanderen is heel typisch. We hebben 11 vrijzinnige centra in West-Vlaanderen. Het is de enige provincie die er zo veel heeft. Hoe komt dat? Omdat er initiatieven worden genomen. Wie gaat er nu denken dat er in Menen, in Harelbeke, in Waregem, in Oostkamp– [Het publiek onderbreekt zijn opsomming.] Oei, daar is er niets. Ik zou daar dan iets beginnen. In Bredene, in Oostende,…: overal zijn er prachtige centra. Twee weken geleden zijn we nog naar de opening van een nieuw VC in Waregem geweest. Dat is prachtig. Je wordt daar als vrijzinnige trots van, als je dat ziet. Hopelijk krijgen we binnenkort in Brugge ook iets gelijkaardig.

Charles Verlinde en Gust Verspeelt over Brugge, Jean-Jacques De Gucht, Lucienne Herman-Michielsen, West-Vlaanderen, strijdvaardigheid



Gust Verspeelt: Vroeger was het veel meer nodig dan nu. Om te beginnen: in tegenstelling tot vroeger is de vrijzinnigheid nu wel aanvaard. Als ik bovendien vergelijk met vandaag, moesten wij destijds als vrijzinnigen druk uitoefenen op de politici opdat zij iets zouden doen voor de ideeën waar wij achterstonden. Vandaag – denk ik – is het omgekeerd. Binnen alle partijen zijn er politici te vinden die – zelfs al zijn zij niet wezenlijk vrijzinnig – achter initiatieven staan of toch op zijn minst zelf initiatief nemen, zonder dat zij vanuit de gemeenschap of de vrijzinnige gemeenschap daartoe aangespoord worden. Vandaag is er dus minder druk nodig dan 50 jaar geleden. Het illustere voorbeeld is Jean-Jacques De Gucht, die vecht om de euthanasiewet voor kinderen erdoor te krijgen. Destijds was er Herman-Michielsen. Die mensen hebben dat gedaan vanuit hun eigen overtuiging, ongeacht of zij nu vrijzinnig zijn of niet. Ik denk dat we dat soort politici meer en meer vinden in de diverse partijen die er zijn. Ik wilde dat even opmerken.

Jimmy Koppen (interviewer): Men is minder of meer compatibel?

Charles Verlinde: Het is ook niet nodig. Als je ziet hoeveel organisaties er in een provincie als West-Vlaanderen, traditioneel toch zeer katholiek, zijn die de vrijzinnigheid stimuleren: 11 VC’s, vijf huizenvandeMens,… Daar werken telkens vier of vijf mensen, die betaald worden om de vrijzinnigheid uit te stralen. Het probleem is volgens mij de jongeren. Ik heb in mijn familie iemand die zegt: “Charles ben je nu weer weg?” Ik zeg: “Ja, ik moet gaan spelen voor de vrijzinnigen.” “Maar waar wil je je mee bezighouden?” zegt die jongen – en die heeft gestudeerd in het atheneum en aan de Vrije Universiteit Brussel en nooit godsdienst gevolgd. Die vindt dat wij gek geworden zijn. Hij zegt: “We hebben toch alles wat we moeten hebben.” Ik denk dat het zo is: het ontbreekt de jongeren aan combattiviteit. Als je hier van de aanwezigen de gemiddelde leeftijd zou uitrekenen – ik trek hem nog omhoog– Het is toch niet fameus bij de jeugd.

Gust Verspeelt: De waakzaamheid van de vrijzinnigheid vandaag ligt op het technologisch gebied. Waarom? Omdat de altijd maar veranderende technologie fataal een veranderende moraliteit meebrengt. Daar moeten wij aanwezig zijn. Wij moeten de mensen leren omgaan met evoluerende technologieën. Ik kan u verzekeren dat het snel gaat. Daar zie ik de taak – veel meer dan een banderol te gaan ophangen aan de Halletoren.

Het publiek over socialisme, oudstrijder, grafmonument, antiklerikalisme, Brugge, symbolen



Publiek: Mijn grootvader was oud-strijder en is in 1979 gestorven. Hij had recht op een plaats op het ereveld der oud-strijders op het kerkhof van Sint-Andries. Mijn grootvader en mijn overgrootvader, die ik nooit gekend heb, waren arbeiders. Ze werkten 12 uur per dag en hadden geen tijd voor intellectuele vrijzinnige bezigheden. Ze waren vooral antiklerikaal. Bij het overlijden van mijn grootvader hebben we ons afgevraagd of hij vrijzinnig was. Hij was in de eerste plaats socialist en hij was tegen de kerk. Wij hebben ons afgevraagd wanneer de term ‘vrijzinnigheid’ is ontstaan. Wie is daarmee begonnen? Hoe heeft dat ingang gevonden? Wanneer begon men verenigingen zo te noemen? Maar hij kreeg een zerk op het ereveld met een kruisje op.

Publiek: De grond werd ter beschikking gesteld, maar de grafzerk moest je zelf betalen.

Publiek: Standaard stond op die zerken een kruisje. We hebben toen beslist dat een kruis op zijn steen niet kon en een fakkel evenmin, want hij was in de eerste plaats tegen de Kerk, niet vrijzinnig. Toen hebben we voor een roos gekozen, een symbool van de socialisten. Dat is voor de gemeenteraad gekomen, want er mocht geen zerk met een roos op het ereveld van de oud-strijders geplaatst worden.

Publiek: In welk jaar was dat?

Publiek: In 1979. Dat is dan voor de gemeenteraad gekomen, en – het spijt mij dat ik het moet zeggen – dankzij de steun van Pieter Leys goedgekeurd.

Het publiek over socialisme, antiklerikalisme, Brugge, burgerlijke begrafenis, fakkel, symbolen, niet-confessionele zedenleer, communie, georganiseerde vrijzinnigheid



Patje De Buck: Ik kom uit een socialistisch, ongelovig nest. Er werd niet gezegd dat wij vrijzinnig waren; wij waren ongelovig en wij waren zeker antiklerikaal. In Brugge was de kerkgemeenschap zeer sterk en heel veel mensen – zeker de gewone mensen – werden onder druk gezet. Dat was ook het geval voor de notabelen, die daaraan ook moesten gehoorzamen. Mijn grootvader werd in 1953 burgerlijk begraven en er werd geweigerd om hem op de normale begraafplaats te begraven. Mijn ouders zijn daar moeten tussenkomen, want hij moest eigenlijk als burgerlijk begravene bij de zelfmoordenaars en de gevangenen begraven worden. Uiteindelijk is hij toch tussen andere mensen begraven. Een fakkel bestond toen nog niet. De symbolen die gebruikt werden, waren de twee handen aan elkaar of de roos.

In 1953 zat ik in het eerste leerjaar. Ik ging naar het Koninklijke Lyceum. Daarvoor ging ik naar ‘t Fröbeltje. Mijn papa was ook een vechter, een antiklerikale vechter. Die stond als jonge gast hier op het Simon Stevinplein, zijnde een jongentje van de école moyenne, de gasten van de Frères op te wachten om ‘een babbeltje te slaan’. En hij won. In 1953 zat ik in het eerste leerjaar in het Koninklijk Lyceum, maar daar had je ook juffrouwen die gelovig waren. Zij konden niet verstaan dat je geen godsdienst volgde. Ze zeiden dan: “De Buck, zet je maar vooraan in klas daar, in die andere klas; zo ziet iedereen dat jij geen godsdienst volgt.” Of ik moest in de gang zitten wachten met Marion Schubert. Dat was de enige die ook geen godsdienst volgde.

Christiane Blieck: Wij waren maar met twee meisjes in de hele gemeente Sint-Andries die in de stad naar het lyceum gingen.

Patje De Buck: Ik stond voor een dilemma toen ik 12 jaar was. Natuurlijk heb ik geen eerste communie gedaan en een lentefeest bestond toen nog niet. Er was niets. De meesten deden het voor de cadeautjes en het schone kleedje. Je zag die meisjes dan de tweede dag ook nog eens binnenkomen en handjes en spekjes geven, maar wij hadden niets. Ik zag daar ook niet van af. Er werd daar ook niet over gesproken. Toen ik 12 jaar was en ook geen plechtige communie deed, zeiden ze: “Doe jij geen plechtige communie? Welke zwijnen hebben jou eigenlijk opgevoed?” Ze stelden ook een tweede vraag, die mij als kind enorm gefrappeerd heeft: “Waarom leef je dan?” Omdat ik geen plechtige communie deed, vroegen ze me waarom ik dan leefde. Ik begon mij dan toch vragen te stellen en ik werd eigenlijk bang. In het 6de leerjaar moest je examen afleggen en ik werd zodanig uitgescholden, dat ik het Ave Maria en het Onzevader van buiten heb geleerd. Ik ben dan in mijn eentje naar de Sint-Walburgakerk naast de school geweest. Uiteindelijk zat dat niet in mij en is dat uitgestorven. Ze wilden toch een soort angst inboezemen. Door de georganiseerde vrijzinnigheid is de term ‘vrijzinnigheid’ uiteindelijk ontstaan. Er was nood aan. Vroeger hadden de mensen geen nood aan vereniging. We hebben daar eigenlijk nooit nood aan gehad. De scoutsverenigingen, de katholieke verenigingen, die hadden natuurlijk sterke macht en veel geld.

Gust Verspeelt: De term ‘vrijzinnig’ bestond in Nederland al voor de oorlog.

Patje De Buck: Maar niet in Brugge. In Gent en zo… Als ik de verhalen van Monique hoor— In Brugge ligt dat tot op heden nog zeer gevoelig.

Publiek: De term ‘vrijzinnigheid’ is op beginnen komen met de eerste lentefeesten. Vrijzinnigheid, lentefeest,… dat begon te groeien in de jaren 1970.

Charles Verlinde: Je moet eens nagaan hoeveel mensen er reeds rondlopen die de vrijzinnigheid moeten steunen: de morele consulenten, in de hospitalen, in de Centra Morele Dienstverlening, in de huizenvandeMens,… Er lopen enorm veel mensen rond die de vrijzinnigheid moeten promoten. Je kan zeggen: “Ze doen het niet goed.” Nee, ze doen het niet goed. Ze zouden het veel beter moeten doen, veel actiever. Van alle IMD’s zit er hier maar één personeelslid en ze zijn met zes. Je moet niet komen voor mij, maar er zit er maar één. Je kan zeggen: “Waar moeten ze gaan?” Ze moeten toch die activiteiten steunen.

Patje De Buck: Het is niet omdat er nu veel kinderen zedenleer volgen dat het allemaal vrijzinnige kinderen zijn.

[Instemmend geroezemoes vanuit het publiek.]

Charles Verlinde: Neen, maar ze volgen het.

Reacties gesloten